Conclusie
1.Ten geleide
Irimie-renteregeling van art. 28c Invorderingswet, en enige bepalingen uit de Wet gemeenschappelijke regelingen.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
fair play- en vertrouwensbeginselen betoogden de belanghebbenden verder dat de belastingrente moest worden gematigd, maar de Rechtbank oordeelde dat het enkele terugkomen door de Inspecteur van zijn opvatting over de toepasselijkheid van de koepelvrijstelling geen schending van die beginselen inhoudt. Dat de belanghebbende het oorspronkelijke standpunt van de Inspecteur heeft gevolgd, betekent niet dat de wettelijk voorgeschreven berekening van belastingrente het vertrouwensbeginsel schendt.
FutD2020-3863 schreef:
NLF2021/0016) achtte de uitkomst onrechtvaardig:
NTFR2021/1079) annoteerde:
inclusiefbelastingrente, met elkaar verrekend kunnen worden. De stelling dat eerst de BTW en de BCF-compensatie met elkaar verrekend moeten worden, berust volgens het Hof op verkeerde lezing van art. 9(4) en (5) Wet BCF (zie voor de tekst daarvan onderdeel 2.5 van de bijlage).
NTFR2021/2579) wijst erop dat de renteregelingen voordeliger zijn voor de fiscus:
NLF2021/1583) twee complicerende factoren:
3.Het geding in cassatie
verweerbetoogt de Staatssecretaris ad (i) dat de belanghebbende miskent dat in het Harmonisatiewetarrest steeds sprake is van handelen door een bestuursorgaan in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verder staat buiten kijf dat de wetgever bij de invoering van het belastingrenteregime ervoor gekozen heeft het regime van de artt. 30h, 30ha en 30hb AWR nagenoeg onverkort toe te passen bij de uitvoering van de Wet BCF (art. 9(4) en (5)), met dien verstande dat uitdrukkelijk daarvan is uitgezonderd de ingangsdatum voor de berekening van de belastingrente. Van door de wetgever niet verdisconteerde omstandigheden kan tegen deze achtergrond niet worden gesproken. De formele wetgever heeft de berekening van belastingrente op terugvorderingen van BTW-compensaties dwingend voorgeschreven, zodat de inspecteur niet bevoegd is om belangen af te wegen op de voet van art. 3:4(1) Awb en de berekening van belastingrente evenmin kan worden getoetst aan art. 3:4(2) Awb. De Staatssecretaris wijst op HR
BNB2021/13 [16] , waarin is beslist dat bij het in rekening brengen van belastingrente geen acht kan worden geslagen op een vermindering uit hoofde van een andere belastingaanslag of andere beschikking met betrekking tot een andere belastingplicht.
repliekbetogen de belanghebbenden ad middel (i) dat het gegeven dat belastingrechters van de beginselen van behoorlijk bestuur tot nu toe met name de vertrouwens- en gelijkheidsbeginselen hebben erkend, niet betekent dat schending van het evenredigheids-beginsel niet in specifieke gevallen tot buiten toepassing laten van de wet zou kunnen leiden. De passage uit het Harmonisatiewetarrest waaraan de Staatssecretaris refereert (“… in de regel: de wijze waarop de overheid is opgetreden …”) is in latere uitspraken niet herhaald. Berekening van belastingrente bij terugvordering van BTW-compensaties is weliswaar dwingend voorgeschreven, zodat de inspecteur inderdaad geen belangen mag afwegen en de berekening niet aan art. 3:4(2) Awb kan worden getoetst, maar dat neemt volgens de belanghebbenden niet weg dat rechterlijke toetsing van wetstoepassing aan het evenredigheidsbeginsel mogelijk is als niet door de formele wetgever verdisconteerde omstandigheden leiden tot een manifest onevenredige uitkomst van die wetstoepassing.
De verhouding tussen renteberekening op de BTW-compensatieterugvordering van de gemeenten en rentevergoeding op de BTW-teruggave aan de BAR
Irimie-rente op grond van art. 28c Invorderingswet (zie daarover onderdeel 6.3 van de bijlage) als de naheffing niet verenigbaar was met het EU-recht. In de nu te berechten zaak - tussen de gemeenten en de Inspecteur – was het Hof niet bevoegd om de Inspecteur te gelasten
Irimie-rente te vergoeden op basis van art. 28c IW, [18] omdat de Inspecteur niet gaat over invorderingsrente en de belanghebbenden niet de omzetbelastingschuldigen waren die de omzetbelastingrestitutie kregen op basis van de vso; dat was de BAR. Een geschil over
Irimie-rente speelt zich dus af tussen twee andere partijen dan de gemeenten en de Inspecteur, nl. tussen de BAR en de Ontvanger.
Irimie-rente aan de BAR, waardoor de vraag rijst of wij nog wel een zaak hebben. Dat is alleen het geval als de laatst genoemde uitspraak van het Hof Den Haag in cassatie wordt aangevallen en daar geen stand zou houden.
Irimie-rentevergoeding aan de BAR stand zou houden, dan zou de ene onredelijkheid ten nadele van de gemeenten vervangen worden door de andere onredelijkheid ten gunste van de gemeenten.
Vergoeding vanIrimie-rente; de andere procedure: tussen de BAR en de Ontvanger
Irimie-invorderingsrente aan de BAR omdat zijns inziens 90% van de nageheven omzetbelasting in strijd met het Unierecht was geheven, onder meer overwegende als volgt: [21]
Strijdigheid van de naheffingsaanslagen met het Unierecht
Mariana Irimie, ECLI:EU:C:2013:250. U zie voor de hier relevante passages van dat arrest het citaat in onderdeel 6.1 van de bijlage bij deze conclusie.
6.Beoordeling van de middelen
Irimie-rente te kunnen beoordelen.
Irimie-rentevergoeding aan de BAR onherroepelijk is geworden, hebben wij mijns inziens geen zaak meer en zijn de cassatieberoepen van de gemeenten ongegrond, wellicht ook bij gebrek aan belang. Gezien die
Irimie-rentevergoeding is immers geen sprake meer van onevenredigheid, onredelijkheid of onevenwichtigheid in de verhouding tussen de belastingrenteberekening over de BCF-bijdrageterugvorderingen ten laste van de gemeenten en de invorderingsrentevergoeding ten gunste van hun gemeenschappelijke regeling over de daarmee corresponderende omzetbelastingteruggave. De aan de BAR vergoede
Irimie-rente zal weliswaar niet gelijk zijn aan de aan de belanghebbenden in rekening gebrachte belastingrente, maar het verschil tussen de belastingrente en de
Irimie-rente zal op het totaal van de rentebedragen denkelijk niet groot zijn. Gegeven het verschil in rentepercentage en de berekeningstermijnen en gegeven dat 90% van de BAR-prestaties onder de koepelvrijstelling vielen en de BAR alle gemeentetaken uitvoerde, is het zelfs mogelijk dat het verschil in het voordeel van de BAR/de gemeenten uitvalt. Uit de in 5.3 hierboven geciteerde Hofuitspraak volgt dat
Irimie-rente aan de BAR is vergoed voor de naheffing 2014 en de naheffing over de eerste helft van 2015. Ik beschik niet over gegevens over het vierde kwartaal 2015 t/m het vierde kwartaal 2016 waarin de BAR overeenkomstig het standpunt van de Inspecteur omzetbelasting in rekening heeft gebracht over haar prestaties aan de drie gemeenten. Ik neem aan dat de Inspecteur ook over de restitutie over die periode rente heeft vergoed aan de BAR overeenkomstig art. 30ha(2) AWR.
Irimie-rente zou zijn vergoed, het cassatieberoep van de gemeenten ongegrond verklaard had moeten worden omdat ik meen dat (i) de BAR beter had moeten opletten bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, en (ii) de rechter niet in de positie is om de onredelijkheid van een
mismatchtussen twee samenhangende, maar verschillende financiële verhoudingen weg te nemen,
i.e.de renteverhouding tussen de gemeenten en het Ministerie van Financiën (BCF-bijdragen, gevoed uit het gemeentefonds) en de renteverhouding tussen de belastingdienst en de BAR (omzetbelasting; algemene middelen). Noch de debiteur, noch de crediteur in deze verhoudingen zijn identiek, laat staan hun rechtsverhoudingen.