ECLI:NL:HR:2023:890

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2023
Publicatiedatum
8 juni 2023
Zaaknummer
21/03147
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9, leden 4 en 5 Wet op het BTW-compensatiefondsArt. 30h AWRArt. 30hb AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing wettelijke rente bij terugvordering BTW-compensatiefonds

De zaak betreft een geschil tussen de gemeente [X2] te [Z] en de Staatssecretaris van Financiën over de toepassing van belastingrente op teruggevorderde bijdragen uit het BTW-compensatiefonds. Na vernietiging van naheffingsaanslagen in de omzetbelasting stelde de gemeente dat de wettelijke rente niet van toepassing zou zijn op de terugvordering van deze bijdragen.

De gemeente stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, dat eerder haar hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag had behandeld. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld aan de hand van de wettelijke bepalingen, met name artikel 9, leden 4 en 5, van de Wet op het BTW-compensatiefonds en de artikelen 30h en 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

De Advocaat-Generaal concludeerde tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep, hetgeen de Hoge Raad heeft gevolgd. De Hoge Raad verwijst daarbij naar een gelijktijdig gewezen arrest (ECLI:NL:HR:2023:815) waarin dezelfde rechtsvraag is behandeld. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om de proceskosten aan de gemeente toe te rekenen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de gemeente wordt ongegrond verklaard en de wettelijke rente op teruggevorderde bijdragen blijft van toepassing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/03147
Datum9 juni 2023
ARREST
in de zaak van
GEMEENTE [X2] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 10 juni 2021, nrs. BK-20/00751 tot en met BK-20/00753, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 19/3489, SGR 19/3491 en SGR 19/3492) betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door R. Brouwer, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 29 juni 2022 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [1]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 21/03144, ECLI:NL:HR:2023:815.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.W.C. Feteris, M.A. Fierstra en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2023.

Voetnoten

1.ECLI:NL:PHR:2022:638, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2022:699.