ECLI:NL:HR:2014:836

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 april 2014
Publicatiedatum
7 april 2014
Zaaknummer
12/03373
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase en wettelijke rente

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 11 april 2014 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure die was ingesteld door de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam. De zaak betreft een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor kosten van rechtsbijstand die zijn gemaakt in de bezwaarfase. Het Gerechtshof had eerder aan belanghebbende, een vennootschap, schadevergoeding toegekend, maar de Staatssecretaris was het hier niet mee eens en heeft cassatie ingesteld.

De Hoge Raad oordeelde dat de schadevergoeding ook betrekking kan hebben op correcties van de heffingsgrondslag die in bezwaar zijn teruggenomen en in beroep tevergeefs zijn bestreden. De wettelijke rente over de schadevergoeding is verschuldigd vanaf het moment dat de kosten van rechtsbijstand zijn gemaakt. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Gerechtshof dat de kosten van rechtsbijstand die zijn gemaakt in de bezwaarfase voor vergoeding in aanmerking komen, ook al zijn sommige correcties in bezwaar teruggenomen.

De Hoge Raad verwierp de middelen van de Staatssecretaris, die betoogde dat de schadevergoeding niet kon worden toegekend voor kosten die zijn ontstaan tijdens de bezwaarfase. De Hoge Raad benadrukte dat de bevoegdheid van de rechter om schadevergoeding toe te kennen niet beperkt is tot schade gerelateerd aan geschilpunten waarvoor de belanghebbende in beroep in het gelijk is gesteld. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de kosten van het geding in cassatie, vastgesteld op € 1461 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitspraak

11 april 2014
nr. 12/03373
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 31 mei 2012, nrs. 03/00694, 03/00695, 03/00696, 03/00699, 03/00700 en 03/01030, betreffende een verzoek van
[X] Holding B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb.

1.Het geding in feitelijke instantie

Bij uitspraken van 28 februari 2005 heeft het Hof aan (rechtsvoorgangers van) belanghebbende opgelegde belastingaanslagen verminderd. In de uitspraken heeft het Hof tevens op de voet van artikel 8:73, lid 2, Awb het onderzoek heropend ter vaststelling van de omvang van de aan belanghebbende te vergoeden schade.
Bij nadere uitspraak van 31 mei 2012 heeft het Hof aan belanghebbende een schadevergoeding toegekend. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs nadere uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 4 oktober 2013 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van de middelen

3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Aan (rechtsvoorgangers van) belanghebbende zijn onder meer (navorderings)aanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd over de jaren 1993, 1996 en 1997. De daarop betrekking hebbende beroepsprocedures bij het Hof betroffen onder meer de vraag of de Inspecteur terecht correcties heeft toegepast ter zake van rentekosten (hierna: de rentecorrecties).
3.1.2.
Over het jaar 1993 heeft de Inspecteur twee navorderingsaanslagen opgelegd; de eerste navorderingsaanslag zag op een “correctie vrijval RAER”, groot ƒ 6.945.821, en de tweede navorderingsaanslag zag op een rentecorrectie, groot ƒ 961.622. Het Hof oordeelde dat de “correctie vrijval RAER” geheel ten onrechte was toegepast, maar liet de eerste navorderingsaanslag gedeeltelijk in stand omdat daaraan - bij wijze van interne compensatie - alsnog de voormelde rentecorrectie ten grondslag werd gelegd, welke correctie het Hof tot een bedrag van ƒ 868.642 juist achtte. De tweede navorderingsaanslag werd in beroep vernietigd.
3.1.3.
Bij het opleggen van de aanslag voor het jaar 1996 heeft de Inspecteur op het aangegeven belastbare bedrag een aantal correcties aangebracht, waaronder een rentecorrectie. In zijn uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur deze rentecorrectie (nader) gesteld op ƒ 50.655. De aldus verminderde correctie is in beroep in stand gebleven.
3.1.4.
Bij het opleggen van de aanslag voor het jaar 1997 heeft de Inspecteur op het aangegeven belastbare bedrag een aantal correcties aangebracht, waaronder een rentecorrectie. In zijn uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur deze rentecorrectie (nader) gesteld op ƒ 16.059. De aldus verminderde correctie is in beroep in stand gebleven.
3.2.
Voor het Hof was in geschil tot welk bedrag belanghebbende recht heeft op schadevergoeding wegens kosten van in de bezwaarfase verleende rechtsbijstand. Voor het Hof waren partijen tot overeenstemming gekomen dat 40 percent van deze kosten kan worden toegerekend aan (de bestrijding van) de rentecorrecties.
Het Hof heeft geoordeeld dat van deze 40 percent een gedeelte, door het Hof in goede justitie vastgesteld op 75 percent, voor vergoeding in aanmerking komt. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de gehele toe te kennen schadevergoeding moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door belanghebbende van die kosten.
Tegen deze oordelen keren zich de middelen.
3.3.1.
Middel I betoogt in de eerste plaats dat het Hof ten onrechte op de voet van artikel 8:73 Awb een vergoeding heeft toegekend voor kosten die zijn ontstaan tijdens de bezwaarfase en die uitsluitend zijn toe te rekenen aan correcties die reeds bij uitspraak op bezwaar zijn teruggenomen. Het middel verdedigt de opvatting dat voor een vergoeding van die kosten op de voet van artikel 8:73 Awb geen plaats is.
3.3.2.
Artikel 8:73, lid 1, Awb bepaalt dat indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan kan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt. De gestelde voorwaarde van een gegrond beroep ziet op de beslissing (het dictum) bedoeld in artikel 8:70, letter d, Awb. De bevoegdheid van de rechter het bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de partij lijdt, is niet beperkt tot schade gerelateerd aan geschilpunten waarvoor de belanghebbende in beroep in het gelijk is gesteld. De op grond van artikel 8:73 Awb toe te kennen schadevergoeding heeft betrekking op alle schade die een partij als gevolg van het door de inspecteur onrechtmatig genomen besluit heeft geleden en waarvoor wordt voldaan aan de vereisten voor de toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 6:162 BW. Derhalve is een kostenveroordeling ook mogelijk voor schade die is gerelateerd aan geschilpunten over het genomen besluit waarvoor de belanghebbende bij uitspraak op bezwaar in het gelijk is gesteld. Middel I faalt in zoverre.
3.3.3.
Middel I keert zich voor het overige met een motiveringsklacht tegen de hoogte van de door het Hof toegekende schadevergoeding ter zake van de rentecorrecties. Het middel concludeert dat de door het Hof toegekende schadevergoeding voor de ten onrechte toegepaste rentecorrecties (75 percent van de terzake door partijen overeengekomen 40 percent van de kosten van rechtsbijstand) primair geheel buiten de berekening dient te blijven, of subsidiair moet worden vervangen door 30 percent van 40 percent.
Het middel faalt ook in zoverre. Het Hof heeft zijn oordeel dienaangaande in goede justitie gebaseerd op zijn vaststellingen dat de bij de (navorderings)aanslagen voor de jaren 1993, 1996 en 1997 toegepaste rentecorrecties in totaal ƒ 3.009.217 bedroegen en dat van die correcties uiteindelijk ƒ 935.356 in stand is gebleven. Deze vaststellingen heeft het Hof blijkens zijn rechtsoverwegingen 3.14.4, 3.16.4 en 3.17 mede gebaseerd op de door belanghebbende bij haar brief van 19 oktober 2011 gevoegde specificaties. Deze vaststellingen vormen een voldoende dragende grond voor ‘s Hofs in goede justitie gegeven oordeel omtrent de toerekening van rechtsbijstand. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.
3.4.
Middel II keert zich tegen ’s Hofs oordeel dat over de toegekende schadevergoeding wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum waarop het desbetreffende besluit genomen is, althans vanaf het moment dat het onrechtmatig genomen besluit schade tot gevolg heeft. Het middel betoogt daartoe dat artikel 8:73 Awb vereist dat een verzoek tot vergoeding van deze kosten wordt gedaan en dat pas vanaf het moment waarop dit verzoek is gedaan de wettelijke rente verschuldigd kan worden.
Het middel faalt op de gronden uiteengezet in de onderdelen 6.32 tot en met 6.35 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. De omstandigheid dat artikel 8:73 Awb een zogenoemde “kan-bepaling” is, op grond waarvan de bestuursrechter bevoegd is om te beslissen op een verzoek om een schadevergoeding, maar ook kan besluiten een dergelijk verzoek buiten behandeling te laten, kan de Staatssecretaris niet baten. Die omstandigheid brengt niet mee dat het recht op schadevergoeding eerst ontstaat door de veroordeling door de bestuursrechter. Dit recht vloeit rechtstreeks voort uit de onrechtmatige daad. De veroordeling door de bestuursrechter heeft in zoverre niet een constitutief, maar een declaratoir karakter.

4.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1461 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, E.N. Punt, R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2014.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 466.