Conclusie
1.Ten geleide
Irimie-renteregeling van art. 28c Invorderingswet, en enige bepalingen uit de Wet gemeenschappelijke regelingen.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
Principaal
ex nunckan worden ingetrokken en dat eerbiedigende werking alleen in bijzondere omstandigheden is geboden, namelijk als bij de intrekking onvoldoende rekening is gehouden met gerechtvaardigde verwachtingen van belanghebbenden. Dat betekent volgens de Staatssecretaris dat bij de belanghebbende vóór de intrekking van het beleid - dus van 1 maart 2017 tot 8 december 2017 - zaken hadden moeten lopen die onder het opgezegde beleid vielen, want daarzonder kon zij geen gerechtvaardigde verwachtingen hebben dat geen rente berekend zou worden over een periode waarin al betaald was. Het beleid is op 8 december 2017 ingetrokken. De teruggaaf (zonder vergoeding van belastingrente) die later deels teruggenomen moest worden, geschiedde pas op 24 maart 2018. Nu de
causavan de belastingrente (de deels onterechte teruggave op 24 maart 2018) ligt ná de intrekking van het beleid, kunnen zich vóór die datum bij de belastingplichtige geen gerechtvaardigde verwachtingen voordoen met betrekking tot die teruggaaf, aldus de Staatssecretaris. Zonder nadere motivering is ’s Hofs andersluidende oordeel volgens hem niet begrijpelijk.
verweer(principaal) merkt ook de belanghebbende dat op. Zij meent verder dat de door de Staatssecretaris beschreven
ex nuncintrekking van begunstigend beleid de vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginselen schendt: belastingplichtigen mogen op begunstigend beleid blijven rekenen totdat het uitdrukkelijk is ingetrokken of gewijzigd, wat niet terugwerkend kan. Zij mocht er daarom op vertrouwen dat zij in elk geval tot 8 december 2017 geen belastingrente hoefde te betalen over de al in 2016 op VA1 betaalde belasting.
repliek(principaal) meent de Staatssecretaris dat de belanghebbende miskent dat in haar geval de oorzaak van de latere renteberekening bij VA3, namelijk de oplegging van VA2 op 24 maart 2017 die een teruggaaf inhield, zich pas voordeed ná de intrekking van het gestelde begunstigende beleid op 8 december 2017. De Staatssecretaris trekt zijn subsidiaire standpunt b. in naar aanleiding van HR
BNB2021/95 (zie onderdeel 7.11 van de bijlage).
twee middelenvoor: (i) de artt. 30fb en 30fc AWR zijn geschonden door ’s Hofs oordeel dat redelijkheid en billijkheid noch doel en strekking van de wet in de weg kunnen staan aan toepassing van de wettelijke bepalingen over belastingrente op de periode waarin de belasting al was betaald en ter beschikking stond van de fiscus; (ii) het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en de vereiste redelijke wetstoepassing zijn geschonden door ‘s Hofs oordeel dat de publicatie van de brief van de Staatssecretaris van 8 december 2017 als bekendmaking van intrekking van het begunstigende beleid kan worden beschouwd. Dat is onjuist omdat dat niet uit (de bijlagen bij) die brief volgt, zoals onder meer blijkt uit de in onderdeel 7.11 van de bijlage geciteerde uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden, die dat gevolg niet trekt.
repliceertad incidenteel middel (i) dat het Hof terecht uiteenzet dat de belastingrenteregeling niet meer is gebaseerd op compensatie maar op verzuim. De keuze om (toch) rente in rekening te brengen over een tijdsspanne waarin verschuldigde belasting al bij de fiscus staat, valt binnen de ruime beoordelingsmarge die het EHRM de wetgever laat. Nationaalrechtelijk kan de rechter de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet beoordelen. Ad incidenteel middel (ii) constateert hij dat uit HR BNB 2021/95 (zie onderdeel 7.11 van de bijlage) volgt dat uitvoeringsbeleid bestond bij de Belastingdienst en dat dat pas met rechtsgevolg is ingetrokken met de in onderdeel 5 van de bijlage geciteerde brief van 8 december 2017 aan de Tweede Kamer. Daaruit volgt dat het bestaan van het beleid en de beëindiging ervan op dezelfde wijze bekendgemaakt, zodat niet gezegd kan worden dat dat beleid niet zou zijn ingetrokken.
4.Beoordeling van beide beroepen
Teleologische wetsuitleg
titelverzuimen en niet op
betalingsverzuimen (daarop ziet de invorderings-renteregeling), maar de wetgever verklaarde desondanks expliciet dat het hem ging om ‘aansluiting’ bij de verzuimrenteregeling in de Awb en de verzuimregeling in art. 6:81 BW Pro (die geldt ná opeisbaar worden van de prestatie), die beide uitsluitend over
betalingsverzuimen gaan. Bovendien is het verzuimbegrip hybride omdat het effectief verschillende betekenissen blijkt te hebben voor de fiscus en de belastingplichtige, zulks structureel in het nadeel van de belastingplichtige (zie onder meer onderdeel 3.12 van de bijlage). Uit het wetsvoorstel Fiscale Verzamelwet 2023 (zie onderdeel 4 van de bijlage) blijkt dat ook de medewetgever vindt dat situaties zoals die van de belanghebbende, waarin rente berekend wordt over een periode waarin niet de belastingplichtige, maar de fiscus de beschikking over de belasting had, “niet passen bij de verzuimgedachte die aan de regeling ten grondslag ligt”, dus kennelijk geen ‘verzuim’ inhouden in de zin van de belastingrenteregeling, en “(zeer) indruisen tegen het rechtvaardigheidsgevoel”.
voor zoveren
zolangde belasting al betaald is. Ik merk daarbij op dat het mijns inziens ook te ver gaat om een alleszins redelijk bij aangifte ingenomen standpunt waarmee de Inspecteur het echter veel later niet eens blijkt te zijn, als ‘verzuim’ aan te merken dat in jojo-gevallen (zie onderdeel 3.14 van de bijlage) zoals dat van de belanghebbende hoge renteberekening over een deels niet-bestaande hoofdsom zou kunnen rechtvaardigen. Dan zou ook elk standpunt van de Inspecteur waarmee de belastingrechter het later niet eens blijkt, als ‘verzuim’ aangemerkt moeten worden.
nietvolgen van de daling van de wettelijke rente (zie onderdeel 7.17 van de bijlage) en het structureel eenzijdig op de belastingplichtige leggen van renterisico’s door onzekerheid over de omvang van de belastingschuld als verschillende redelijke fiscale standpunten mogelijk zijn.
betalingsverzuimregelingen in de Awb en het BW waarbij de wetgever immers expliciet wilde aansluiten, zodat de wet in casu aldus uitgelegd moet worden dat de belanghebbende voor de toepassing van de belastingrenteregeling niet in ‘verzuim’ was in de periode waarin en voor zover de hoofdsom waarover rente is berekend niet bestond omdat hij al aan de fiscus was betaald.