Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht en inhoudsopgave
nietaansluit bij de verzuimrenteregelingen in de algemene wet bestuursrecht (Awb) en in art. 6:81 Burgerlijk Pro Wetboek (BW), die alleen over
betalingsverzuimen gaan en niet over
titelverzuimen, (ii) dat de wet asymmetrisch en structureel in het nadeel van belastingplichtigen een verzuim van de fiscus anders omschrijft dan een verzuim van een belastingplichtige, en (iii) de regering bij de parlementaire behandeling kennelijk ten onrechte stelde dat (a) een belastingplichtige het steeds zelf in de hand zou hebben of hij al dan niet belastingrente verschuldigd wordt en (b) het economische voor- of nadeel van gemis van geld (de compensatiebetekenis van rente) geen rol meer zou spelen, maar alleen het verzuim (de sanctiebetekenis van renteberekening)?
Irimie-renteregeling van art. 28c Invorderingswet en (iii) de voor drie van die zaken relevante bepalingen uit de Wet gemeenschappelijke regelingen omdat in die drie zaken de omzetbelasting is teruggegeven aan die gemeenschappelijke regeling, maar de corresponderende BTW-compensaties zijn teruggevorderd van de drie betrokken gemeenten.
2.De wet; de gevallen waarin belastingrente wordt berekend
nadatde aanslag is vastgesteld en de betalingstermijn is verlopen) wordt geregeld in de artt. 28-31 van de Invorderingswet. De te beoordelen zaken gaan alleen over belastingrente.
betaald. Ik citeer de belangrijkste bepalingen:
opeisbaaris geworden en aan de eisen van de artikelen 82 en 83 is voldaan, behalve voor zover de vertraging hem niet kan worden toegerekend of nakoming reeds blijvend onmogelijk is.”
3.De parlementaire geschiedenis van de belastingrenteregeling
betalingsverplichting jegens het bestuursorgaan voldoet en vergoedt het bestuursorgaan rente als het zelf niet op tijd aan zijn
betalingsverplichting jegens de justitiabele voldoet. Het begrip ‘verzuim’ in deze Awb-regeling sluit aan bij hetzelfde begrip in het Burgerlijk Wetboek (art. 6:81 e.v. BW; zie 2.10 hierboven). De term ‘verzuim’ duidt de periode aan waarin correcte en volledige nakoming uitblijft
ná opeisbaar wordenvan de vordering. [5]
betalingsverzuim zien, dus ná opeisbaar worden. De fiscale evenknie daarvan is niet de belastingrente, maar de invorderingsrente. De belastingrenteregeling sanctioneert juist niet betalingsverzuimen, maar brengt rente in rekening als aan de belastingplichtige of de inspecteur wordt toegerekend dat de oplegging van een belastingaanslag met een te betalen c.q. terug te geven bedrag te lang op zich laat wachten. De belastingrenteregeling gaat dus uitsluitend over gedragingen die vertraging veroorzaken bij de
titelvaststelling (de belastingaanslag),
nietover betaling of betalingsverzuimen. Daarmee hangt de ‘aansluiting’ bij de Awb-regeling en bij art. 6.81 BW in de lucht: die gaan immers uitsluitend over de periode waarover de belastingrenteregeling juist niet gaat, nl. die ná titelvaststelling. De belastingrenteregeling gaat alleen over de periode daarvóór. De Awb-regeling en het BW sluiten aan bij de
invorderingsrenteregeling in de Invorderingswet.
curs. PJW): [6]
betalingsverplichting jegens het bestuursorgaan voldoet. Anderzijds vergoedt het bestuursorgaan rente als het zelf niet op tijd aan zijn
betalingsverplichting jegens de burger voldoet. De nieuwe fiscale renteregeling is geënt op deze spiegelbeeldige uitgangspunten maar is verder toegesneden op de systematiek van de belastingheffing. Ook voor de hoogte van het rentepercentage sluit het kabinet aan bij de Awb-verzuimrenteregeling, namelijk de wettelijke rente zoals deze geldt voor niet-handelstransacties. Het rentepercentage voor het heffen of vergoeden van rente blijft in de nieuwe regeling gelijk.
ziet op de periode tot aan de vaststelling van de betalingsverplichting of het recht op teruggaafbij een belastingaanslag. Deze component wordt voortaan belastingrente genoemd. De invorderingscomponent blijft invorderingsrente heten.
Deze heeft betrekking ophet feitelijk
te laat betalenaan de Belastingdienst van een belastingaanslag
en de feitelijke uitbetalingdoor de Belastingdienst van een belastingteruggaaf.
betalengaat) (
curs. PJW): [8]
niet tijdig heeft betaald. (…). De regeling van het verzuim
sluit aan bij die in het privaatrecht, waar eveneens geldt dat verzuim intreedt wanneer de betalingstermijn verstrijkt zonder dat de schuld is voldaan. (…). De regeling laat onverlet dat een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad terstond
opeisbaaris, zoals geregeld is in artikel 6:83, aanhef en onderdeel b, BW. De toepasselijkheid van titel 4.4 op schadebesluiten brengt met zich dat ook dit soort besluiten in ieder geval de te betalen geldsom en de termijn waarbinnen de
betalingmoet plaatsvinden, dient te vermelden. Het bestuursorgaan is in verzuim indien het niet binnen de voorgeschreven termijn heeft
betaald. De ingangsdatum van de wettelijke rente vangt op grond van het bepaalde in deze afdeling aan op het tijdstip dat het bestuursorgaan
met de betalingin verzuim is. De reikwijdte van deze afdeling is beperkt tot de wettelijke rente die ontstaat door
overschrijding van de betalingstermijn.
De regeling heeft geen betrekking op de omvang van de financiële aanspraak, die zelf ook een rentecomponent kan bevatten. De regeling laat de vaststelling van de omvang van de schade onverlet, met inbegrip van de eventueel daarbij behorende rentecomponent.
De regeling heeft alleen betrekking op het verzuim dat ontstaat indien niet binnen de voorgeschreven termijn is betaald.”
betalingsverzuimen, terwijl de belastingrenteregeling daarop juist
nietziet (daarop ziet de invorderingsrente), maar uitsluitend op de daaraan voorafgaande termijn waarin de
titelvoor de betaling nog tot stand moet komen.
betalenvan de geldsom in verzuim is (
curs. PJW): [9]
betalenvan een geldsom in verzuim is. (…). Wanneer het bestuursorgaan zelf rente moet vergoeden omdat het te laat
betaalt, wordt het bedrag daarvan bij beschikking vastgesteld alvorens tot
betalingvan de vertraagde geldsom en de wettelijke rente wordt overgegaan. Wanneer het bestuursorgaan wettelijke rente aan de burger in rekening brengt, wordt de hoogte daarvan doorgaans achteraf – dat wil zeggen na [ontvangst] van een (gedeeltelijke)
betaling– bij beschikking vastgesteld, omdat op dat moment pas duidelijk is hoe lang en met welk deel van de geldsom de burger in verzuim is geweest. Deze gang van zaken vloeit voort uit artikel 4.4.1.8 [nu art. 4:92 Awb Pro; PJW], waar in navolging van het BW is geregeld dat een
betalingeerst wordt afgeboekt van de invorderingskosten, daarna van de verschenen rente, vervolgens van de hoofdsom en tenslotte van de lopende rente.”
vaststellenvan een financiële aanspraak (waarop de belastingrenteregeling juist wél ziet), aldus de MvT bij de 4e tranche Awb (
curs. PJW): [10]
het vaststellen van een financiële aanspraakdoet. Deze kwestie hangt zozeer samen met de vraag of en zo ja, in hoeverre het wettelijk voorschrift waarop deze aanspraak is gebaseerd voorziet in de mogelijkheid dat een financiële aanspraak kan bestaan over de periode voorafgaand aan het indienen van een aanvraag, dat deze vraag in het kader van de bijzondere wetgeving dient te worden beantwoord en
nietin het kader van de Awb.”
andereregeling was dan de Awb-verzuimregeling en ‘apart’ was omdat zij – net als de huidige belastingrenteregeling – niet met (uiterste) beslistermijnen werkte, maar met tijdvakken waarover belasting wordt geheven (p. 52) (
curs. PJW):
nietziet op de tijdvakken waarover de belastingrenteregeling gaat (
curs. PJW):
voorafgaand aan de betalingsbeschikking– rente over de periode die loopt vanaf de gebeurtenis waarop de betalingsbeschikking betrekking heeft tot aan het tijdstip van de bekendmaking van de betalingsbeschikking -,
heeft deze regeling geen betrekking.
Die «voorafgaande» rente kan worden verdisconteerd in de betalingsbeschikking. Voorts laat deze regeling onverlet dat wanneer de betalingsbeschikking onjuist is vastgesteld, indien daarvoor gronden zijn, nog verdere schadevergoeding mogelijk is.”
in rekening te brengeninvorderingsrente veranderde niet door de vervanging van de heffingsrenteregeling door de belastingrenteregeling, maar bij de door hem
te vergoedeninvorderingsrente veranderde wel wat, nl. ten nadele van de belastingplichtige: [14]
Braakhuis(GroenLinks): De onevenwichtigheid zit in een paar dingen. Als je te veel betaalt, als dit ook blijkt uit de definitieve aanslag en als je geld terugkrijgt, bankiert de Belastingdienst blijkbaar over de rug van de belastingbetaler, omdat dan geen rente wordt betaald over het terug te geven bedrag. De staatssecretaris heeft mij bovendien nog steeds niet uitgelegd waarom er een rente gehanteerd moet worden van 4%, wat ver boven de vigerende marktrente is. Dit steekt mij echt. Ten slotte merk ik op dat het erop lijkt dat dit een taakstellende renteregeling is geweest, waarbij dit kabinet van tevoren 400 mln. heeft ingeboekt en er dus eigenlijk sprake is van een ordinaire belastingverhoging. Dit gaat voorbij aan het eigenlijke doel van de renteregeling, namelijk voorkomen dat er gebankierd wordt over de rug van de Belastingdienst. Die twee dingen bijten elkaar heel erg.
Weekers: Tot nu toe wordt er over de rug van de doorsnee-belastingbetaler gebankierd bij de Belastingdienst, waardoor er een groot voordeel valt te behalen, voor burgers en bedrijven. Zij weten dat er, als zij te veel betalen aan de Belastingdienst, een rente wordt vergoed door de Belastingdienst die zij bij geen enkele bank kunnen krijgen. Daar wil ik een einde aan maken. Dat is ook de portee van de bepaling in het regeer- en gedoogakkoord. Daar komt ook de berekening van de 400 mln. vandaan. Die 400 mln. is zeker taakstellend, want er wordt voor dat bedrag nu eenmaal meer oneigenlijk aan rente uitgekeerd. De Belastingdienst is geen bank, en zeker geen spaarbank waar een lucratieve rente betaald moet worden. Daar wil ik dus vanaf.
Braakhuis(GroenLinks): Hiermee suggereert de staatssecretaris ten eerste dat iedereen voldoende verstand heeft van belastingwetgeving om dit voor zichzelf te kunnen bepalen bij een voorlopige aanslag. Dat gaat wat mij betreft volledig voorbij aan de realiteit. In de tweede plaats staat voor mij nog steeds die 4%. Waarom is dat percentage zo hoog? Ten derde blijft voor mij de taakstellendheid een punt. Het primaire doel is het voorkomen van het bankieren, en dat begrijp ik, maar dat er een taakstelling aan wordt gekoppeld, begrijp ik echt helemaal niet. Nogmaals, als het taakstellend was, zou het budgettair neutraal zijn, om de rente-uitgaven van de staat te compenseren. Dat is echter niet het geval; het gaat om een surplus van 400 mln.
Weekers: Ik begrijp dat de heer Braakhuis zegt dat niet elke belastingplichtige de rentegevolgen zal kunnen overzien. Juist daarom heb ik net toegezegd, vooral naar aanleiding van de vragen van de heer Braakhuis, dat ik ervoor zal zorgen dat er in de communicatie van de Belastingdienst extra aandacht aan dit punt zal worden gegeven.
Braakhuis(GroenLinks): Ik bedoelde dat de consument, de burger, niet altijd weet wat de voorlopige aanslag betekent en hoe realistisch die is. Dit veronderstelt meer inzicht dan menigeen heeft.
Weekers: Ik denk dat heel veel belastingplichtigen, als zij maar de goede informatie krijgen, wel degelijk doorhebben wat dit voor hen betekent. (…). Dan kom ik op het percentage van 4. In mijn schriftelijke antwoord ben ik daarop al uitvoerig ingegaan; op pagina 18 van de brief die ik afgelopen donderdag naar de Kamer heb gestuurd. De wettelijke rente is een rente die wij elders ook kennen; in het verkeer tussen de overheid en anderen, maar ook wanneer burgers of bedrijven iets van elkaar te vorderen hebben. Die 4% is nu juist gekoppeld aan de marktrente en aan de rentetarieven van de ECB. Het percentage is hoog als je het vergelijkt met de rente die je op een lopende rekening krijgt of op een spaarbankboekje waarvan je vrij mag opnemen. Maar die 4% is erg laag in vergelijking met de rente die je moet betalen als je ergens geld leent. Dat zou ik de heer Braakhuis ook even willen voorhouden. Het percentage wordt periodiek aangepast, afhankelijk van wat de ECB betaalt. Dit is gewoon een eerlijke regeling.”
Hoofdstuk 4 Belastingrente over een (gedeelte van een) rentetijdvak waarin de Belastingdienst al de beschikking heeft gehad over (een gedeelte van) het te betalen bedrag aan belasting
onbewust zou kunnen zijn gedaan; en (ii) dat Financiën geen wezenlijke rechtvaardiging geeft voor die onredelijkheid en asymmetrie, maar slechts ongesubstantieerd herhaalt dat (a) belastingplichtigen belastingrente steeds aan zichzelf te wijten zouden hebben, (ii) het de medewetgever niet om economisch voordeel voor de Staat zou zijn gegaan en (c) de belastingdienst niet in staat zou zijn om evenwichtig rente te berekenen.
nietmet belastingrente worden geconfronteerd indien de aanslag op tijd en juist kan worden vastgesteld. Dit uitgangspunt ondersteun ik, vooral omdat een belastingplichtige veel manieren tot zijn beschikking heeft om ervoor te zorgen dat dit het geval is.”
4.Een nieuw art. 30ai AWR in het voorstel Fiscale verzamelwet 2023 (maatwerk)
geacht wordtreeds te zijn geheven, dan wel op aangifte te zijn voldaan of afgedragen en waarop aldus de voorgestelde bepaling van toepassing is. Het gaat hierbij om situaties die sterk lijken op de eerder bedoelde situaties (waarin (een deel van) het te betalen bedrag aan belasting (of PVV) reeds was geheven in een deel van de periode waarop de belastingrenteberekening ziet) maar die niet onder de letterlijke bepaling vallen omdat geen sprake is van “het te betalen bedrag aan belasting (of PVV)” (dat reeds was geheven). Denk bijvoorbeeld aan gevallen waarin betalingen/teruggaven kunnen worden gezien als “communicerende vaten”. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij correcties bij fiscale partners, waarbij de belastingteruggaaf zonder belastingrente aan de ene partner leidt tot een te betalen bedrag aan belasting (of PVV) met belastingrente door de andere partner, waarbij dát specifieke te betalen bedrag aan belasting niet eerder was geheven (zie voorbeeld 5 in de artikelsgewijze toelichting). Ook kunnen op grond van de voorgestelde bepaling bij ministeriële regeling situaties worden aangewezen waarin de latere inwerkingtreding ten aanzien van de loonbelasting en omzetbelasting (zie paragraaf 10.6) geen toepassing vindt en kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van de aan het begin van deze alinea beschreven hoofdregel, evenals regels op grond waarvan toepassing van de hoofdregel om doelmatigheidsredenen achterwege blijft.
5.Beleid (ingetrokken)
BNB2021/95 [65] respectievelijk HR
BNB2021/13 [66] de verslagen van de Landelijke vakgroep overleg Formeel recht van de Belastingdienst al besproken die op 1 maart 2017 openbaar zijn gemaakt naar aanleiding van een Wob-verzoek. Mijn ambtgenoot Niessen schreef daarover in de eerst genoemde zaak:
(…) dat er geen beleid is voor het vergoeden van rente over teveel betaalde belasting (...)’.”
6.Literatuur
V-N2012/45.4 achtte de door de regering aangevoerde argumenten voor de nieuwe belastingrenteregeling in 2013 overtuigend:
vereenvoudiginglijkt aldus te worden behaald. Echter (…) de nieuwe regeling [is] bij nader inzien vrij complex, met name als gevolg van een aantal zeer gedetailleerde en ingewikkelde bepalingen. [72] Naast vereenvoudiging was ook
het voorkomen van sparen bij de fiscuseen doelstelling van de nieuwe regeling. Uit de beschrijving van de budgettaire gevolgen van de nieuwe renteregeling [73] volgt dat de structurele opbrengst van de nieuwe renteregeling € 0,4 mld. bedraagt. [74] Daarmee lijkt het
sparen bij de fiscusplaats te maken voor
sparen door de fiscus, te weten bij de belastingplichtige. [75] In het onderstaande wordt separaat ingegaan op de regeling voor de belastingrente en de invorderingsrente.
lopenna het verstrijken van de enige of laatste betalingstermijn. Op zich is het begrijpelijk dat het kabinet deze periode wil opvullen, aangezien de Belastingdienst over deze periode rente kan mislopen. Maar de manier waarop het in het Belastingplan 2012 geregeld wordt, is te grof en daardoor in veel gevallen onrechtvaardig. Indien de belastingplichtige de aanslag eerder betaalt dan de uiterste betalingstermijn wordt immers ook belastingrente in rekening gebracht tot het moment van de enige of uiterste betalingstermijn. Belastingplichtigen die tijdig hun aanslag betalen, worden als het ware bestraft met een extra rentenadeel. [76] Overigens moet worden toegegeven dat in de omgekeerde situatie, te weten de situatie waarin belastingrente wordt vergoed, het einde van het rentetijdvak ook wordt verlengd met de betalingstermijn van zes weken. Wat dat betreft zijn de renteperiodes in geval van betalen van belastingrente en vergoeden van belastingrente dus gelijk. Op grond van het voorgaande zouden wij dan ook graag zien dat bij het betalen van belastingrente vóór het einde van het rentetijdvak wordt aangesloten bij de dag van de betaling. [77] Ook bij het vergoeden van belastingrente zou naar onze mening aangesloten moeten worden bij het moment waarop de terugbetaling van de belasting daadwerkelijk plaatsvindt.
altijdbelastingrente in rekening gebracht en bij een herziening tot een teruggaaf van belasting wordt slechts belastingrente vergoed indien de Belastingdienst te lang heeft gedaan over de vaststelling van de herziening. Dit wringt te meer nu belastingplichtige in een dergelijke situatie [80] nog voor het begin van het rentetijdvak (dus vóór 1 juli) recht heeft op een teruggaaf van belasting en dus materieel gezien ook recht heeft op een rentevergoeding daarover. [81] Wij pleiten dan ook voor aanpassing van deze onevenwichtigheid. [82]
Irimie-arrest is in door het HvJ EU gewezen en Nederland moest inderdaad zijn fiscale rentewetgeving aanpassen en een afzonderlijke
Irimie-rentevergoeding invoeren voor teruggaafgevallen die onder we werkingssfeer van het EU-recht vallen. Zie onderdeel 12 hieronder.
7.Rechtspraak
De Hoge Raad
BNB2018/128 [102] betrof een belanghebbende die in haar aangifte inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 2012 te verrekenen dividendbelasting vermeldde ad € 1.100.644. Op basis daarvan had de Inspecteur een voorlopige aanslag vastgesteld met een door de belanghebbende te ontvangen bedrag van € 1.051.833 (VA1). De teruggave werd uitbetaald, zonder vergoeding van belastingrente. Omdat de belanghebbende een groot deel van de voorheffingen aan haar echtgenoot had willen toerekenen, deed zij opnieuw aangifte, nu met een bedrag aan voorheffingen ad € 47.167, en maakte zij op 7 maart 2014 bezwaar tegen VA1. De Inspecteur legde daarop een nadere voorlopige aanslag 2 (VA2) op met een te betalen bedrag ad € 1.053.477, en bracht daarbij € 33.886 aan belastingrente in rekening. In haar beroepschrift in cassatie [103] voerde de belanghebbende onder meer aan dat de belastingrente bij VA2 mede was berekend over een periode waarin zij geen beschikking had over het bedrag dat op basis van VA1 aan haar was uitbetaald. Het Hof Arnhem-Leeuwarden had geoordeeld dat de Inspecteur terecht belastingrente in rekening had gebracht, maar was wel tot een andere berekening gekomen omdat volgens art. 30fb AWR het tijdvak waarover belastingrente wordt berekend eindigt uiterlijk 14 weken na de datum van ontvangst van het verzoek om een voorlopige aanslag. Hij meende dat belanghebbendes bezwaar tegen VA1 als zo’n verzoek had moeten worden aangemerkt en dat daarom belastingrente in rekening gebracht kon worden tot 13 juni in plaats van 27 juni 2014. U casseerde omdat het Hof bij toepassing van art. 30fb AWR was uitgegaan van de datum van verzending van het verzoek in plaats van de datum van ontvangst ervan.
FutD2018-1385 kende aan dit gebrek aan motivering geen schoonheidsprijs toe:
NTFR2018/1301) achtte het resultaat onredelijk:
FED2018/120) bekritiseert de belastingrenteregeling naar aanleiding van dit arrest:
NTFR2019/488 schreef over de Hofuitspraak:
BNB2021/95 [109] liep wél goed af voor de belanghebbende. Haar was op 31 januari 2015 een voorlopige aanslag Vpb 2015 opgelegd die zij had betaald. Uit haar in 2017 ingediende aangifte Vpb 2015 volgde een lager bedrag aan vennootschapsbelasting dan volgens de voorlopige aanslag, maar in die aangifte was abusievelijk het bedrag van de voorlopige aanslag aangegeven als te verrekenen dividendbelasting, waardoor de voorlopige aanslag werd verminderd tot nihil en de belanghebbende op 15 mei 2017 het gehele eerder betaalde bedrag terugkreeg. Op 1 juli 2017 legde de Inspecteur een definitieve aanslag op, vergezeld van een belastingrentebeschikking waarin rente werd berekend over de periode 1 juli 2016 tot 12 augustus 2017 (zes weken na de aanslagdatering: de betalingstermijn) zonder rekening te houden met het feit dat het geld eerder al enige tijd op de rekening van de fiscus had gestaan. De belanghebbende ageerde tegen de renteberekening. Het Hof verminderde de rentebeschikking met het bedrag toerekenbaar aan de periode waarin de Belastingdienst door de betaling op de voorlopige aanslag de beschikking had gehad over de verschuldigde Vpb. Hij baseerde dat op de in 5.1 hierboven geciteerde passage uit het verslag van de Landelijke vakgroep Formeel recht van de Belastingdienst uit november 2015 inhoudende dat op grond van een redelijke wetstoepassing geen rente berekend zou worden over de periode waarin het geld al bij de fiscus stond. Hij kwalificeerde die passage als de uiting van begunstigend beleid waarop de belanghebbende zich kon beroepen. Het Hof overwoog onder meer: [110]
V-N2021/17.23 constateerde dat, nu de belastingrenteregeling uitgaat van de verzuimgedachte en een economische benadering is losgelaten, zij tot gevolg kan hebben dat in gevallen zoals het onderhavige, belastingrente moet worden betaald over een periode waarin de Belastingdienst al over de verschuldigde belasting beschikte en dat de wettelijke regeling geen ruimte biedt om aan die onredelijkheid tegemoet te komen. Ook Lammers (
FED2021/84) wijst op de ‘oneerlijkheid’ van de ‘verrijking’ van de fiscus, die over de periode 1 juli 2016 tot 15 mei 2017 zowel via de bank als van de belanghebbende een rentevergoeding zou hebben ontvangen als het beroep op het in 5.1. hierboven geciteerde beleid zou zijn afgewezen.
BNB2021/13 [113] betrof een in 2013 overleden erflaatster. Enige erfgenamen waren haar man en haar zoon. Voor 2013 was op haar naam een aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen vastgesteld op een door haar te ontvangen bedrag aan algemene heffingskorting ad € 715. Aan haar weduwnaar was voor 2013 een aanslag IB/PV ad € 715 opgelegd, die hij had betaald. In 2018 werd zijn aanslag inkomstenbelasting op zijn verzoek verminderd tot nihil en werd € 715 aan hem terugbetaald. Dat leidde tot navordering van de aan de erflaatster betaalde heffingskorting, waarbij € 111 aan belastingrente in rekening werd gebracht. De belanghebbende erven stelden dat zij na het overlijden van erflaatster voor de heffing van IB/PVV 2013 met haar echtgenoot vereenzelvigd moesten worden zodat er slechts één belastingplichtige was en de teruggave van € 715 wegviel tegen het nagevorderde bedrag van dezelfde omvang. Mijn ambtgenoot Niessen concludeerde tot het achterwege laten van renteberekening op basis van redelijke wetstoepassing:
BNB2021/95]. Maar in de zaak waarover de onderhavige conclusie handelt, doet zich een bijzondere omstandigheid voor.
V-N2020/47.24 was het daarmee eens:
BNB2021/13) kon zich daar (wel) in vinden:
nietom economisch voordeel voor de Staat zou zijn te doen.
V-N2020/59.22 leest in uw arrest het impliciete oordeel dat de wet geen onduidelijkheid of onvoorzienigheid bevat die de mogelijkheid van redelijke wetstoepassing zou kunnen openen:
softwarevan de belastingplichtige was een onjuiste aangifte inkomstenbelasting 2015 gedaan. De Inspecteur had op basis daarvan een definitieve aanslag vastgesteld naar een negatief box 1 inkomen en had daarom een verlies 2015 vastgesteld dat bij beschikking van 25 augustus 2018 was verrekend met box 1 inkomen 2012, waardoor de aanslag IB 2012 was verminderd met € 43.710. De belanghebbende had dit bedrag ontvangen. Op 21 augustus 2018 deed de belanghebbende een verbeterde aangifte IB 2015. De inspecteur heeft conform die aangifte de aanslag IB/PVV 2015 bij beschikking van 21 december 2018 gecorrigeerd en op 2 januari 2019 een navorderingsaanslag IB/PVV 2012 opgelegd naar een te betalen bedrag ad € 43.710. Daarbij heeft hij € 9.438 aan belastingrente berekend over de periode 1 juli 2013 t/m 2 februari 2019. In geschil was die belastingrente. Het Hof heeft belanghebbendes beroep op de zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginselen verworpen, maar hem toch in het gelijk gesteld op basis van teleologische en redelijke wetstoepassing:
NTFR2022/797) achtte deze uitspraak alleszins redelijk maar, gegeven de duidelijke wetsgeschiedenis, rechtskundig niet sterk. Zijns inziens moet de onevenwichtige belastingrenteregeling door de wetgever herzien worden:
8.Het eigendomsgrondrecht (art. 1 Protocol Pro I EVRM)
Article 1. Protection of property
Article 1 – Protection de la propriété
lawfulzijn, (ii) een
legitimate aimdienen en (iii) een
fair balanceslaan tussen publiek en privaat belang. [134] Belastingheffing is
eo ipsoeen aantasting van het eigendomsrecht die echter op grond van het tweede lid van art. 1 Protocol Pro I gerechtvaardigd kan zijn. In de zaak
Burden and Burden [135] overwoog de
Grand Chambervan het EHRM:
lawfulis, een
legitimate aimdient en een
fair balancein acht neemt tussen het belang van de Staat en dat van de belasting/renteplichtige. De belastingrente is in detail geregeld in een formele wet waarover het parlement heeft beslist, zodat aan haar
lawfulnessniet getwijfeld hoeft te worden. De drie boven weergegeven doelen van de berekening van belastingrente ((i) minimaliseren van het aantal belastingplichtigen waarvoor belastingrente uitgerekend moet worden; (ii) afschaffing van het sparen bij de fiscus; en (iii) (daardoor) genereren van € 400 miljoen meer publiek budget ten opzichte van de situatie onder het heffingsrenteregime) lijken mij alle drie
legitimate, zodat het aankomt op de
fair balance.
fair balance, aldus Gerverdinck: [137]
Buffaloheeft het Hof het overigens niet over “the conditions for a refund”, maar – in lijn met zijn vaste rechtspraak – over de financiële verplichting (l’obligation financière) die in het kader van de
fair balancetoets beoordeeld moet worden. [141] ”
Yukos v. Russia [142] betrof onder (veel) meer de excessieve
enforcement fee(invorderingskosten) die het
Yukos-concern van de Russische olie-oligarch Chodorkovskyi moest betalen voor de invordering van de eveneens bedrijfslevensvatbaarheidsprohibitieve aanslagen en boeten die aan het concern waren opgelegd. De
enforcement fee“was by its nature unrelated to the actual amount of the enforcement expenses.” Het EHRM constateerde dat:
Buffalo Srl en liquidation [143] betrof belastingrestituties aan een vennootschap in liquidatie pas vijf tot tien jaar nadat zij volgens de wet betaald hadden moeten worden. Weliswaar werd rente vergoed, maar enkelvoudig en bovendien op lager dan marktniveau. Het EHRM achtte daardoor het eigendomsrecht van de Srl geschonden.
Eko-Elda AVEE [144] werd een belastingrestitutie pas – zonder rente - uitbetaald meer dan vijf jaar na de erkenning door de Griekse fiscus dat de belanghebbende recht op restitutie had. Ook in deze zaak achtte het EHRM het eigendomsrecht geschonden.
BNB2010/258 [145] ging het om € 14.292 aan heffingsrente over een aanmerkelijk-belangwinst, deels over een periode waarin die winst nog niet was genoten. U kwam aan toetsing aan het eigendomsrecht niet toe omdat u het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaarde wegens niet-tijdig herstellen van verzuimen. Mijn voormalig ambtgenoot Van Ballegooijen ging in zijn conclusie wél in op art. 1 Protocol Pro I: [146]
BNB2011/248 [147] kwam u wél toe aan beoordeling van de eigendoms-rechtelijke houdbaarheid van berekening van heffingsrente over een periode waarin het belastbare voordeel (een aanmerkelijk-belangwinst) nog helemaal niet was genoten. Die berekening werd in dat geval door de belastingplichtige begrijpelijkerwijs als uiterst onredelijk beschouwd: hem werd € 448.351 aan heffingsrente in rekening gebracht over de periode 1 juli 2006 tot 9 februari 2007, waarvan maar liefst € 298.958 zag op de periode vóór het genieten van het a.b.-inkomen, nl. de periode 1 juli tot en met 30 november 2006. U achtte dat niet onrechtmatig:
significantly different situationsover één kam te scheren. Dat verbod is in de EHRM-rechtspraak onder meer geëxpliciteerd in de zaken
Thlimmonis v. Greece [148] (
Grand Chamber):
(…) Thlimmenos v. Greece[GC], no.
34369/97 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 44, ECHR 2000-IV).”
ofer aan het einde van het jaar een a.b.-transactie zou plaatsvinden en ja, voor welk bedrag. Doelmatigheid lijkt voor dat enorme verschil (bijna 3 ton) tussen vergelijkbare gevallen een zeer zwakke rechtvaardiging, nu die doelmatigheid uitsluitend en excessief in het nadeel van toevallig aan de verkeerde kant van 1 juli realiserende belastingplichtigen werd toegepast en het geenszins administratief ingewikkeld lijkt om per definitie
nietgelijkmatig binnenstromende a.b.-winsten uit te zonderen van een renteregel die bedacht is voor in beginsel wél gelijkmatig binnenstromende arbeidsinkomsten en winst uit onderneming. U zie over dergelijke discriminatie nader 9.3 hieronder.
V-N2017/14.0) vindt dergelijke wetgeving ‘stuitend’ c.q. ‘echt niet kunnen’ en uw arrest ‘jammer’:
V-N2016/31.0 schreef ik een Uitvergroot onder de titel Stuitend!, waarin ik mij druk maakte over het feit dat een echtgenoot een eerder uitbetaalde heffingskorting vanwege achterwaartse verliesverrekening bij de andere echtgenoot mét belastingrente moest terugbetalen, terwijl de belastingteruggaaf aan de andere echtgenoot vanwege die achterwaartse verliesverrekening plaatsvond zónder belastingrente. Aanleiding hiervoor was de uitspraak van Rechtbank Breda van 10 februari 2016, nr. BRE 15/2938,
V-N2016/23.1.5, waarin de rechtbank deze mijns inziens evidente onrechtvaardigheid in stand liet. Inmiddels heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in deze zaak en heeft, zoals ik al vreesde, de uitspraak van de rechtbank gevolgd; zie HR 11 november 2016, nr. 16/01530,
V-N2016/59.8. Hoewel ik dit oordeel vanuit een fiscaal-juridische invalshoek begrijp, vind ik het toch jammer dat de Hoge Raad kennelijk niet de ruimte heeft kunnen vinden om anders te beslissen. Al was het maar om een signaal af te geven aan de politiek dat dit soort wetgeving echt niet kan, zelfs als men de kwestie in de wetsgeschiedenis heeft onderkend.”
9.Het discriminatieverbod
Burden en Burden [153] overwoog de
Grand Chambervan het EHRM:
Grand Chambervan het EHRM het toetsingskader uiteengezet en aangegeven dat zij in sociale-zekerheidszaken bij toetsing aan art. 14 EVRM Pro juncto art. 1 Protocol Pro I EVRM in beginsel de
policy choicevan de wetgever respecteert, behalve als die keuze
manifestly without reasonable foundationis:
BNB2021/149 (box 3 2017) [158] geeft het volgende overzicht van de rechtspraak over discriminatie door ongerechtvaardigd over één kam scheren van significant ongelijke gevallen:
Discriminatie is ook het over één kam scheren vansignificantly different situations
Thlimonis v. Greece [159] (
Grand Chamber) betrof een accountant die niet tot het Griekse register werd toegelaten omdat hij strafrechtelijk was veroordeeld. Die veroordeling betrof het feit dat hij, Jehova-getuige, op godsdienstige gronden een militair uniform had geweigerd. Hij had daarvoor zijn strafrechtelijke straf uitgezeten. Het EHRM achtte de registeruitsluiting een schending van het discriminatieverbod in art. 14 EVRM Pro omdat ‘gewone’ strafrechtelijk veroordeelden en deze religieuze overtuigingsdader ondanks hun onvergelijkbaarheid qua
dishonesty or moral turpitudeongerechtvaardigd over één kam werden geschoren. Aan een evenredigheidsbeoordeling kwam de
Grand Chamberniet eens toe, nu deze discriminatie geen
legitimate aimhad en er geen
objective and reasonable justificationvoor bestond (en dus
eo ipsoook
disproportionatewas):
(…) Thlimmenos v. Greece[GC], no. 34369/97 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 44, ECHR 2000-IV).”
individual and excessive burdenvoordoet. Ik citeer één voorbeeld uit vele. In de belastingzaak
Burden v. UKoverwoog de
Grand Chambervan het EHRM: [161]
Guberina v. Croatia [162] betrof een Kroatische vrijstelling van overdrachtsbelasting als een gezin verhuisde van een huis dat niet voldeed aan wettelijk omschreven ‘basic infrastructure and technical accommodation requirements’ naar een huis dat daaraan wél voldeed. Drie jaar nadat zij op een derde verdieping van een appartementengebouw zonder lift waren gaan wonen kreeg het belanghebbende echtpaar een gehandicapt kind dat niet kon traplopen, “making it increasingly difficult, as his son grew, for the applicant and his family to take him out of the flat to see a doctor, or to take him for physiotherapy and to kindergarten or school, and to meet his other social needs.” Zij verhuisden daarom naar een beganegrondhuis. De vrijstelling van overdrachtsbelasting werd echter geweigerd omdat, volgens de fiscus, ‘given the surface area of the flat which the applicant had owned in Zagreb and the existence of infrastructure, such as electricity, water and access to other public utilities, it could not be said that the applicant had not had accommodation meeting the housing needs of his family.’ Het EHRM achtte de weigering van de fiscale vrijstelling echter een discriminatie door ‘a failure to treat differently persons in relevantly different situations’ c.q. door een ‘failure to correct the factual inequality inherent in the applicant’s case’. Hij gaf een uitgebreide uiteenzetting over de toepassing van het discriminatieverbod als verbod op het ongerechtvaardigd over één kam scheren van ongelijke gevallen en paste die – nogal wijdlopig – toe op het concrete geval:
Stec a.o. v. UK [163] gaf de
Grand Chamberde volgende uitgangspunten voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel van art. 14 EVRM Pro (in een geval van ongelijke behandeling van gelijke gevallen):
margin of appreciation“will vary according to the circumstances, the subject matter and the background.””
10.Het evenredigheidsbeginsel
Bosentan [166] en
Zeilklipper Mathilda. [167] Dat laatste arrest betrof de formeel-wettelijke limiet ad € 137.000 waarboven de vervoersaansprakelijkheidsverzekeraar van de exploitant van een zeilklipper niet tot vergoeding van letselschade was gehouden, hoewel de schade geleden door een passagier als gevolg van een afgebroken giek van de Klipper vele malen hoger was. Uw eerste kamer overwoog als volgt over rechterlijke toetsing van een formele wet aan ‘algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht’:
Bosentandaarentegen werd wel aanvaard dat een patiënt vergoeding van zorg kon eisen die niet onder het wettelijke verzekerde pakket viel.
artikel 32bbvan de Wet LB 1964 in werking trad en voordat de voorgestelde inhoud van deze bepaling bekend werd gemaakt. De omvang van dit loonbestanddeel is mede bepalend voor de hoogte van de pseudo-eindheffing wegens de beëindiging van de dienstbetrekking die heeft plaatsgevonden na de inwerkingtreding van bedoeld
artikel 32bb. Ten tijde van de verstrekking van dat loonbestanddeel kon belanghebbende derhalve nog niet voorzien dat de hoogte daarvan invloed zou hebben op de heffing die zij later verschuldigd zou kunnen worden in geval van beëindiging van de dienstbetrekking. Aldus wordt afbreuk gedaan aan haar belang om de fiscale gevolgen van haar (voorgenomen) handelingen tevoren te kunnen overzien.
artikel 1EP. Deze bepaling verzet zich niet zonder meer tegen wetswijzigingen waarbij voor de berekening van een belastingschuld gevolgen worden verbonden aan feiten die zich hebben voorgedaan voordat de inhoud van die wetswijziging kenbaar werd. Van een inbreuk op artikel 1 EP Pro is alleen dan sprake als de invloed van dergelijke anterieure feiten ertoe leidt dat bij de belastingheffing geen ‘fair balance’ bestaat tussen de betrokken belangen.
artikel 32bbWet LB 1964 is ingevoerd om het toekennen van vertrekvergoedingen te ontmoedigen die hoger liggen dan de – in 2008 reeds bestaande – norm uit de
Nederlandse Corporate Governance Code. Daarmee streeft de regeling een legitiem doel na in het algemeen belang.
artikel 1EP toekomende ruime beoordelingsmarge (‘exceptionally wide margin of appreciation’ respectievelijk ‘particularly broad margin of appreciation’ als bedoeld in de arresten van het EHRM in de zaken Yukos tegen Rusland d.d. 20 september 2011, nr. 14902/04, par. 566, en N.K.M. tegen Hongarije d.d. 14 mei 2013, nr. 66529/11, par. 49).
artikel 32bbWet LB 1964, zou deze regeling na de inwerkingtreding ervan nog geruime tijd niet of slechts in beperkte mate voor toepassing in aanmerking komen.
artikel 32bbWet LB 1964, en de verschuldigdheid van die heffing daardoor mede afhankelijk is van een na die inwerkingtreding plaatsvindende gebeurtenis. Zo bezien was de heffing voorzienbaar.
artikel 1EP niet heeft overschreden, en (ii) dat dit ook geldt voor zover op grond van
artikel 32bbWet LB 1964 rekening wordt gehouden met loonbestanddelen die zijn genoten voorafgaand aan (de bekendmaking van de inhoud van) deze regelgeving. Alle zojuist bedoelde factoren in aanmerking nemende bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de wetgever met de onderhavige regeling en het daarbij gehanteerde overgangsrecht geen legitiem doel heeft nagestreefd of daarbij de vereiste ‘fair balance’ niet in acht heeft genomen.
artikel 32bbWet LB 1964 wegens strijd met
artikel 1EP buiten toepassing heeft gelaten met betrekking tot het in 2008 door de CEO genoten voordeel uit de toekenning van aandelen. Dit brengt mee dat het middel slaagt.”