Conclusie
1.Ten geleide
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
De feiten (1) – belastingjaar 2015
2014gedaan van een verlies ad € 9.958.427 en een belastbaar bedrag ad nihil. Dat verlies 2014 is (deels) beschikbaar voor verrekening met winsten van latere jaren. Over de omvang van dat verlies 2014 is langdurig gediscussieerd met de Inspecteur (zie 2.6 hieronder).
2015heeft de Inspecteur op 12 augustus 2017 beide VA’s over 2015 verminderd, ik neem aan bij nadere VA 2015(3) en een voorlopige verliesverrekeningsbeschikking (VVB), want de Inspecteur stelde de belastbare winst nader vast op € 5.931.506 en verrekende daarmee een verlies ad € 5.931.506. [1] Het belastbare bedrag werd daardoor € 0.
2014een verlies ad € 9.958.427 en een belastbaar bedrag ad nihil aangegeven. Dat verlies 2014 is deels beschikbaar voor verrekening met winsten in daaropvolgende jaren. Over de omvang van dat verlies 2014 is langdurig gediscussieerd (zie 2.6 hierboven)
3.Het geding in cassatie
één middel van cassatievoor. Zij acht het vertrouwensbeginsel geschonden doordat de Rechtbank haar beroep op begunstigend beleid heeft verworpen.
BNB2014/128 (zie onderdeel 11.5 van de bijlage): het gaat volgens dat arrest om de vraag of het vertrouwen is beëindigd voor of na het desbetreffende
belastingjaar. Hoewel de Rechtbank overweegt dat beleid niet met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken, kent zij aan die intrekking materieel wel degelijk terugwerkende kracht toe, in strijd met die rechtspraak, aldus de belanghebbende.
verweerdat het gepubliceerde verslag van de Landelijke vakgroep overleg Formeel recht waarop de belanghebbende zich beroept, de wet verkeerd uitlegt en dat zijn voorganger in antwoord op Kamervragen [7] (zie onderdeel 5 van de bijlage) duidelijk heeft gemaakt dat
nietbeleidsmatig wordt afgeweken van de wettelijke regeling. Het landelijk overleg formeel recht is niet bevoegd om renteberekeningsbeleid te maken en van beleid is ook geen sprake geweest. De onjuiste begunstigende wetsuitleg van dat landelijk overleg is ook niet als beleid bekendgemaakt, maar slechts openbaar geworden door een WOB-verzoek. In die omstandigheden kan volgens de Staatssecretaris niet geëist worden dat (niet-bestaand) beleid uitdrukkelijk wordt beëindigd. Aan de belastingrenteregeling ligt een eigen verantwoordelijkheid van de belastingplichtige voor de juistheid van voorlopige aanslagen ten grondslag; de belastingplichtige kan zelf verschuldigdheid van belastingrente voorkomen of beperken, aldus de Staatssecretaris. Daarom acht hij het ook niet gewenst dat in gevallen als dat van de belanghebbende van de wettelijke belastingrente wordt afgeweken.
BNB2021/95 (zie onderdeel 7.11 van de bijlage), waarin u heeft geoordeeld dat de feitenrechter begunstigend beleid kon aannemen, dat pas op 8 december 2017 is ingetrokken met de openbaarmaking van het in onderdeel 5 van de bijlage bij deze conclusie geciteerde verslag van 19 juni 2017 van de vaktechnische coördinatoren Formeel recht van de Belastingdienst.
repliekdat de Staatssecretaris incidenteel cassatieberoep had moeten instellen voor zijn standpunten (i) dat geen sprake was van begunstigend beleid wegens onbevoegdheid van het landelijk overleg formeel recht of om andere redenen en (ii) dat eventuele beleid al op 7 juni 2017 was ingetrokken. Voor het geval de Staatssecretaris de vraag of begunstigend beleid bestond wél opnieuw kan opwerpen in cassatie, betoogt de belanghebbende dat diens inbreng van het FD-artikel een in cassatie ontoelaatbaar
novumis. Overigens meent de belanghebbende dat het oordeel van de Rechtbank dat begunstigend beleid bestond, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. De belanghebbende persisteert bij haar opvatting dat uit uw rechtspraak volgt dat na beëindiging van begunstigend beleid opgelegde aanslagen en rentebeschikkingen over heffingstijd-vakken vóór die beëindiging, moeten luiden conform de gunstige regel en dat de Rechtbank dat heeft miskend.
4.Beoordeling
Teleologische wetsuitleg
titelverzuimen en niet op
betalingsverzuimen (daarop ziet de invorderings-renteregeling), maar de wetgever verklaarde desondanks expliciet dat het hem ging om ‘aansluiting’ bij de verzuimrenteregeling in de Awb en de verzuimregeling in art. 6:81 BW Pro (die geldt ná opeisbaar worden van de prestatie), die beide uitsluitend over
betalingsverzuimen gaan. Bovendien is het verzuimbegrip hybride omdat het effectief verschillende betekenissen blijkt te hebben voor de fiscus en de belastingplichtige, zulks structureel in het nadeel van de belastingplichtige (zie onder meer onderdeel 3.12 van de bijlage). Uit het wetsvoorstel Fiscale Verzamelwet 2023 (zie onderdeel 4 van de bijlage) blijkt dat ook de medewetgever vindt dat situaties zoals die van de belanghebbende, waarin rente berekend wordt over een periode waarin niet de belastingplichtige, maar de fiscus de beschikking over de belasting had, “niet passen bij de verzuimgedachte die aan de regeling ten grondslag ligt”, dus kennelijk geen ‘verzuim’ inhouden in de zin van de belastingrenteregeling, en “(zeer) indruisen tegen het rechtvaardigheidsgevoel”.
voor zoveren
zolangde belasting al betaald is. Ik merk daarbij op dat het mijns inziens ook te ver gaat om een alleszins redelijk bij aangifte ingenomen standpunt waarmee de Inspecteur het echter veel later niet eens blijkt te zijn, als ‘verzuim’ aan te merken dat in jojo-gevallen (zie onderdeel 3.14 van de bijlage) zoals dat van de belanghebbende hoge renteberekening over een deels niet-bestaande hoofdsom zou kunnen rechtvaardigen. Dan zou ook elk standpunt van de Inspecteur waarmee de belastingrechter het later niet eens blijkt, als ‘verzuim’ aangemerkt moeten worden.
nietvolgen van de daling van de wettelijke rente (zie onderdeel 7.17 van de bijlage) en het structureel eenzijdig op de belastingplichtige leggen van renterisico’s door onzekerheid over de omvang van de belastingschuld als verschillende redelijke fiscale standpunten mogelijk zijn.
betalingsverzuimregelingen in de Awb en het BW waarbij de wetgever immers expliciet wilde aansluiten, zodat de wet in casu aldus uitgelegd moet worden dat de belanghebbende voor de toepassing van de belastingrenteregeling niet in ‘verzuim’ was in de periode waarin en voor zover de hoofdsom waarover rente is berekend niet bestond omdat hij al aan de fiscus was betaald.