Conclusie
mr. P. van Dongen, advocaten te Rotterdam, hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld.
De middelen van de verdachte
eerste middelklaagt dat de afwijzing door het hof van het verzoek [betrokkene 1] als getuige te horen ontoereikend is gemotiveerd en/of onbegrijpelijk is.
tweede middelricht zich tegen de afwijzing door het hof van het verzoek om
[betrokkene 6] als getuige te horen.
derde middelvalt uiteen in drie klachten.
vierde middelklaagt dat het hof heeft verzuimd te responderen op het door de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het door verbalisant [verbalisant] uitgevoerde onderzoek naar de snelheid van de door verdachte bestuurde boot onvolledig is geweest nu deze in zijn berekeningen ten onrechte niet het verschil in gewicht van de boten en de materiaalsterktes niet heeft meegenomen en evenmin rekening heeft gehouden met de snelheid van de sloep.
vijfde middelklaagt dat het oordeel van het hof dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende met redenen is omkleed. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat uit hetgeen het hof heeft overwogen niet (zonder meer) kan volgen dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een ernstig gevaar in het leven is geroepen en dat de verdachte zich daarvan bewust is geweest, althans had moeten zijn.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt voor de schuldvorm "roekeloosheid" dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat daarvan sprake is, waarbij het aankomt op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Bij die beoordeling moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als "de zwaarste vorm van het culpose delict" wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.
Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" – in de betekenis van "onberaden" – wordt verstaan.
Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. [21]
De middelen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en[benadeelde 3]
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
eerste middelklaagt dat het oordeel van het hof dat de benadeelde partijen gedeeltelijk niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen wat betreft de post gederfd levensonderhoud en de benadeelde partijen hun vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd, aangezien het hof daarbij ten onrechte heeft gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654, NJ 2007/484.
tweede middelklaagt dat het hof de schatting van de door de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] geleden schade wegens gederfd levensonderhoud onvoldoende heeft gemotiveerd. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat op geen enkele wijze inzichtelijk is gemaakt hoe de door het hof geschatte bedragen tot stand zijn gekomen. Het hof had moeten motiveren hoe het precies tot deze schatting is gekomen, aldus de steller van het middel.
derde middelklaagt dat het oordeel van het hof dat de uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages alsmede de keuze van de geraadpleegde rekenkundige eenzijdig zijn vastgesteld en dat het niet verzekerd acht dat de verdachte enkel door de schriftelijke ronde in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om naar voren te brengen hetgeen hij tot verweer tegen deze onderdelen van de vorderingen zou kunnen aanvoeren, onbegrijpelijk is althans ontoereikend is gemotiveerd.
Het
vierde middelklaagt dat het hof zich bij zijn oordeel dat de uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages alsmede de keuze van de geraadpleegde rekenkundige eenzijdig zijn vastgesteld ten onrechte niet lijdelijk heeft opgesteld en buiten de door partijen getrokken grenzen van de rechtsstrijd is getreden.
Aan het vierde middel is ten grondslag gelegd dat het hof heeft gehandeld in strijd met de civiele regels van stelplicht en bewijslastverdeling en meer in het bijzonder art. 24 Rv Pro, aangezien door de verdediging niet het verweer is gevoerd dat de vele uitgangspunten voor de berekeningen in de door de benadeelde partijen ingebrachte rekenkundige rapportages eenzijdig door of namens hen zijn vastgesteld of dat de geraadpleegde deskundige niet de juiste deskundige zou zijn.
Het middel van de benadeelde partij [benadeelde 4]
middelklaagt dat het oordeel van het hof dat [benadeelde 4] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering wegens verlies van verdienvermogen omdat de behandeling van dit deel van zijn vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd.
€ 56.241,-). Cliënt sluit voor dat deel aan bij het oordeel van de Rechtbank en verwijst daarvoor naar haar overweging. Kort gezegd ontkent cliënt dat de winstderving het gevolg is van hetgeen hem tenlastegelegd is, en dit causaal verband is ook onvoldoende aannemelijk gemaakt. (…) Overigens, als zelfs een dergelijk uitgebreide berekening het vereiste inzicht niet geeft, en alsnog tegenstrijdigheden bestaan met andere bescheiden, dan kan het niet anders dan dat het nog uitgebreider onderzoek en nadere expertise vereist om daadwerkelijk de oorsprong van de gederfde winst vast te stellen. Daartoe leent het strafproces zich niet en de verdere behandeling van dit deel van de door [benadeelde 4] ingediende vordering zou dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Derhalve dient het oordeel van de Rechtbank op dit punt gehandhaafd te worden. ”
De middelen van de benadeelde partij [benadeelde 5]
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] (dochter van slachtoffer [slachtoffer 1] )
eerste middelkomt met twee klachten op tegen de beslissing van het hof op de vordering van de benadeelde partij wat betreft de post gederfd levensonderhoud.
tweede middelklaagt, zo begrijp ik uit de toelichting, dat het hof de door de benadeelde partij gemaakte kosten ten onrechte heeft begroot op € 500, aangezien de door de benadeelde partij ten behoeve van de berekening van het gederfde levensonderhoud door bureau [C] gemaakte kosten ad € 686,25 redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid zijn en het hof deze kosten daarom integraal had moeten toewijzen.
derde middelklaagt dat het oordeel van het hof dat de legeskosten en de notariskosten over het jaar 2014 geen kosten van lijkbezorging zijn blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
vierde middelklaagt dat het hof bij de beslissing omtrent de notariskosten niet is ingegaan op het meer subsidiair en meest subsidiair gevorderde, zodat het oordeel van het hof ontoereikend is gemotiveerd.