Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte het verzoek om getuigen te horen heeft getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium en niet aan het verdedigingscriterium. Dat zou in strijd zijn met artikel 6 lid 3 onder Pro b EVRM. [1] Dat de appelschriftuur niet is ingediend binnen 14 dagen na het instellen van het hoger beroep mag niet zo een consequentie hebben.
tweede middelklaagt over de motivering van de afwijzing van het verzoek om de getuigen te horen, nu de communicatie tussen getuige [betrokkene 1] en getuige [betrokkene 2] erdoor werd gekenmerkt dat de laatste slechts gebrekkig Nederlands en Engels sprak en dat de getuige [betrokkene 1] een uitleg heeft gegeven aan de woorden en gebaren van de ander die neerkomt op een eigen interpretatie. Het
derde middelklaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende gesteund wordt door de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], omdat deze geen eigen waarneming bevatten van het bewezenverklaarde.
[betrokkene 3], aangever:
getuige [betrokkene 1]:
relaas van de betreffende opsporingsambtenaar: