Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Tenlastelegging, bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
28 oktober 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een schietincident in een woning te Rotterdam waarbij het slachtoffer dodelijk werd getroffen door een schot uit een vuurwapen dat de verdachte van het slachtoffer had afgepakt. De verdachte werd primair beschuldigd van moord, subsidiair van doodslag en subsidiair van roekeloosheid met een vuurwapen.
Het Hof Den Haag sprak de verdachte vrij van moord en doodslag wegens ontbreken van voorwaardelijk opzet, maar veroordeelde hem voor roekeloosheid op grond van artikel 307, tweede lid, Sr. Het Hof baseerde dit oordeel op de vaststelling dat de verdachte met een onbekend wapen, zonder zich te vergewissen of het wapen geladen was, op het hoofd van het slachtoffer richtte en de trekker overhaalde, waarna het wapen afging.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom dit gedrag als roekeloosheid moet worden aangemerkt, gelet op de feitelijke omstandigheden waaronder het slachtoffer zelf het wapen meerdere malen richtte en de trekker overhaalde zonder dat het wapen afging. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het Hof Den Haag voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest Hof en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van roekeloosheid.