ECLI:NL:HR:2001:ZD2140

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2001
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
01631/00
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51b SvArt. 421 lid 3 SvArt. 361 SvArt. 592a Sv
Verwijzingen
1 uitgaand · 11 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt gedeeltelijke toewijzing schadevergoeding na vrijspraak en voorwaardelijke straf

In deze strafzaak heeft het hof het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte vrijgesproken van de primaire tenlastelegging. De verdachte werd echter veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden voor een subsidiaire tenlastelegging, met een proeftijd van een jaar. Tevens werd een verbeurdverklaring opgelegd.

De benadeelde partij had een schadevergoeding gevorderd voor de aan zijn auto toegebrachte schade. Deze vordering werd in eerste aanleg gedeeltelijk toegewezen, waarna de benadeelde partij in hoger beroep zich voegde met een hogere vordering. Het hof kende uiteindelijk een bedrag van 2750 gulden toe, waarbij het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk werd verklaard.

De benadeelde partij stelde in cassatie een middel voor tegen de hoogte van de toegewezen schadevergoeding en het niet toewijzen van kosten van rechtsbijstand. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht uitging van de vordering zoals die in eerste aanleg was verminderd en dat de kosten van rechtsbijstand niet in cassatie kunnen worden gevorderd.

Het cassatieberoep van de verdachte werd verworpen omdat geen middelen waren voorgesteld en de Hoge Raad geen aanleiding zag tot ambtshalve vernietiging. Hiermee blijft het arrest van het hof ongewijzigd in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand met vrijspraak en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding.

Uitspraak

20 maart 2001
Strafkamer
nr. 01631/00
ACH/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het
Gerechtshof te Amsterdam van 28 januari 2000, parketnummer 23/002132-98, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats]
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 28 mei 1998 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is" en 2. subsidiair "mishandeling" veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van tweeduizendzevenhonderdvijftig gulden, de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard alsmede de verplichting tot betaling van een som gelds aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer opgelegd in voege als in het arrest vermeld.
2.Geding in cassatie
Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte.
Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft mr. E.J. Woud, advocaat te Hoorn, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3.Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof de door de benadeelde partij ingediende vordering ten onrechte slechts gedeeltelijk heeft toegewezen.
3.2. Voor wat de vordering van de benadeelde partij betreft kan in cassatie van het volgende worden uitgegaan:
(i) De benadeelde partij heeft zich op wijze als voorzien in art. 51b, eerste lid, Sv in eerste aanleg gevoegd ter zake van zijn vordering tot vergoeding van de aan zijn auto toegebrachte schade ten bedrage van f.5000,-.
(ii) Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij de hoogte van die vordering bij monde van zijn raadsman verminderd tot een bedrag van f.4500,-.
(iii) De Politierechter heeft die vordering toegewezen tot een bedrag van f.2750,-.
(iv) De benadeelde partij heeft zich, voorzover de vordering in eerste aanleg niet was toegewezen op de voet van art. 421, derde lid, Sv in hoger beroep gevoegd met verwijzing naar de opgave van de eerste vordering, daarbij in het "voegingsformulier hoger beroep" een bedrag van f.5000,- noemend.
3.3. Voorzover het middel voor wat de hoogte van de bij het Hof gevorderde schadevergoeding uitgaat van een bedrag dat f.4500,- te boven gaat mist het feitelijke grondslag, aangezien het Hof blijkens het bestreden arrest is uitgegaan van een vordering ten bedrage van f.4500,-, zulks, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 sub (ii) is overwogen, in overeenstemming met het bepaalde in de eerste volzin van art. 421, derde lid, Sv.
3.4. Voorzover het middel de klacht behelst dat het Hof ten onrechte slechts een bedrag van f.2750, - heeft toegewezen faalt het op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5 uiteengezette gronden.
3.5. Voorzover het middel beoogt te klagen dat het Hof ten onrechte de in het middel genoemde "kosten rechtsbijstand eerste aanleg (en) in hoger beroep" ten bedrage van f.881,25 niet heeft toegewezen, mist het feitelijke grondslag aangezien niet blijkt dat die kosten in feitelijke aanleg zijn gevorderd. In cassatie kunnen die kosten niet voor het eerst worden gevorderd.
In een cassatieprocedure als de onderhavige is voorts niet voorzien in een veroordeling van de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in die aanleg heeft gemaakt.
3.6. Het middel faalt dus.
4.Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voorzover aan zijn oordeel onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5.Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 20 maart 2001.