ECLI:NL:HR:2012:BU8755

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01330 J
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51f SvArt. 361 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewijsregels bij toewijzing vordering benadeelde partij in strafzaak

In deze zaak stond de toewijzing van een schadevordering van de benadeelde partij centraal. De benadeelde partij had zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van oorspronkelijk €19.187,44, waarvan het hof een bedrag van €11.987,44 toewijst. Na hoger beroep werd de vordering gedeeltelijk toegewezen tot €10.600,-, gebaseerd op de verklaring van de benadeelde partij over het bij een woningoverval buitgemaakte bedrag minus een verzekeringsuitkering.

De verdachte was veroordeeld voor diefstal met geweld en bedreiging, en kreeg een jeugddetentie opgelegd met bijzondere voorwaarden. De verdachte stelde in cassatie dat het hof niet op één bewijsmiddel, namelijk de verklaring van de benadeelde partij, had mogen steunen voor de toewijzing van de schadevergoeding.

De Hoge Raad oordeelde dat de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering niet gelden voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij. In plaats daarvan zijn de civielrechtelijke regels van stelplicht en bewijslastverdeling van toepassing. Het middel faalt en het beroep wordt verworpen. Dit arrest bevestigt de scheiding tussen strafrechtelijke bewijsregels en civielrechtelijke bewijsregels bij schadevorderingen van benadeelden in strafzaken.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat civielrechtelijke bewijsregels gelden voor toewijzing van schadevorderingen van benadeelde partijen in strafzaken.

Uitspraak

14 februari 2012
Strafkamer
nr. S 11/01330 J
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 13 oktober 2010, nummer 21/000445-10, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.J. Daniels, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt onder meer over de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]. Daartoe wordt aangevoerd dat het Hof die toewijzing niet had mogen doen steunen op één bewijsmiddel, te weten enkel de verklaring van de benadeelde partij dat bij de onderhavige overval een bepaald bedrag is buitgemaakt.
2.2.1. Het Hof heeft de verdachte ter zake van 1. "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen" en 2. "diefstal" veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, waarbij het Hof als bijzondere voorwaarde heeft gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van Bureau Jeugdzorg te Utrecht. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] toegewezen tot een bedrag van € 1.500,- respectievelijk € 10.600,- en daarbij aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander als in het arrest vermeld.
2.2.2. Het bestreden arrest houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] het volgende in:
"De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 19.187,44, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 11.987,44. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder I bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor de vaststelling van het na te melden bedrag heeft het hof de volgende berekening gemaakt:
Volgens de verklaring van [betrokkene 1] is bij de woningoverval op 8 november 2008 een bedrag van ten minste EUR 11.850,- buitgemaakt.
Uit het formulier waarmee [betrokkene 1] zich stelt als benadeelde partij in onderhavige zaak, blijkt dat door de verzekering reeds EUR 1.250,- aan hem is uitgekeerd.
Het hof stelt de door [betrokkene 1] geleden schade vast op:
(EUR 11.850,- minus EUR 1.250,- =) EUR 10.600,-.
Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen."
2.3. De klacht berust kennelijk op de opvatting dat voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking moeten worden genomen. Die opvatting is onjuist. Te dien aanzien gelden immers de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Het middel faalt in zoverre.
2.4. Het middel kan ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 14 februari 2012.