Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Rechtsmacht met betrekking tot de vorderingen tegen Mercedes
De Importeur en de Partners
Toepasselijk collectieveactieregime
3.Inzet cassatiemiddel; hoofdlijnen regeling WAMCA en art. 3:305a (oud) BW
Onderdeel 1is gericht tegen het oordeel van het hof dat de rechtbank Amsterdam internationaal en relatief bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SEC tegen Mercedes.
Onderdeel 2keert zich tegen het oordeel van het hof dat de collectieve vorderingen van SEC, voor zover deze betrekking hebben op Euro 6 voertuigen, worden beheerst door de WAMCA.
Onderdeel 3bestrijdt het oordeel van het hof dat de rechtbank SEC ten onrechte niet-ontvankelijk in haar vorderingen heeft verklaard wegens het ontbreken van een tijdig eigen verzoek om een verlengde dagvaardingstermijn als bedoeld in art. 1018d lid 2 Rv.
Onderdeel 4is gericht tegen rov. 4.25, waarin het hof het beroep van de Partners op een gebrek aan belang bij het hoger beroep en de collectieve actie van SEC heeft verworpen.
Onderdeel 5bevat een voortbouwklacht tegen de proceskostenveroordeling in het arrest van 22 oktober 2024. Die klacht mist zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen bespreking. [16] Deze klacht komt daarom hierna niet meer ter sprake.
Onderdeel 6is gericht tegen het oordeel van het hof dat de rechtbank Amsterdam op grond van art. 107 Rv Pro relatief bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SEC tegen de Importeur en de Partners.
Bespreking onderdeel 1: internationale bevoegdheid Nederlandse rechter en relatieve bevoegdheid rechtbank Amsterdam t.a.v. vorderingen tegen Mercedes
in Nederlandeen door Mercedes geproduceerd voertuig met een manipulatie-instrument hebben gekocht of geleased. [30] Zij vordert voor hen (de gedupeerden), zoals eveneens hiervoor in 2.2 al vermeld, een verklaring voor recht tegen Mercedes dat Mercedes hoofdelijk aansprakelijk is voor de als gevolg van haar onrechtmatig handelen door de gedupeerden geleden schade en gehouden is die schade te vergoeden, en een veroordeling van Mercedes tot vergoeding van de door de gedupeerden geleden schade. De gevorderde schadevergoeding bestaat in de eerste plaats uit de ‘cumulatieve
overcharge’, dat wil zeggen het bedrag dat kopers en lessees volgens SEC teveel voor een voertuig van Mercedes hebben betaald. [31] Grondslag van al deze vorderingen is dat Mercedes onrechtmatig jegens de gedupeerden heeft gehandeld. Deze vorderingen vallen onmiskenbaar onder de omschrijving ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ als bedoeld in art. 7 aanhef Pro en onder 2 Brussel I-bis, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie EU in het arrest VKI/Volkswagen. [32] In het licht van dat arrest is ook duidelijk dat het schadebrengende feit zich bij de vorderingen van SEC tegen Mercedes heeft voorgedaan in Nederland en dat de Nederlandse rechter dus bevoegd is.
de Gedupeerden die (cumulatief) 1) de Sjoemeldiesel nieuw hebben gekocht van een [Partner], 2) op dit moment nog in het bezit zijn van de Sjoemeldiesel, 3) bij registratie bij [SEC] of op een later moment specifiek hebben aangeven (of zullen aangeven) dat zij de koopovereenkomst met de [Partner] willen ontbinden en 4) geen opt-out verklaring hebben ingediend als bedoeld in art. 1018f Rv”. [41] Uit deze vaststellingen, die als zodanig in cassatie niet worden bestreden, volgt dat de collectieve vorderingen van SEC in algemene zin zowel betrekking hebben op nieuwe voertuigen (‘eerste kopers’) als op gebruikte voertuigen (‘opvolgende kopers’), en dat de beperking tot nieuwe voertuigen alleen geldt voor de groep van gedupeerden (‘groep B’) die ontbinding van de koopovereenkomst wenst. Deze beperking is, door de verwijzing naar groep B, tevens tot uitdrukking gebracht in de door SEC gevorderde verklaring voor recht, zoals weergegeven door het hof in rov. 4.1.1, dat de koopovereenkomsten tussen de Partners en de gedupeerden van groep B ten gevolge van non-conformiteit voor ontbinding vatbaar zijn. SEC heeft echter daarnaast, zoals het hof in rov. 4.9 vaststelt en ook al volgt uit zijn vaststelling in rov. 4.1.2, een verklaring voor recht gevorderd dat de door de Partners verkochte voertuigen non-conform zijn, zonder die vordering te beperken tot groep B. Dat heeft SEC gedaan in het petitum van haar inleidende dagvaarding onder 4, waarnaar het hof in rov. 4.9 met zoveel woorden verwijst. [42] De vaststelling van het hof in rov. 4.9 dat ‘de onder 4 [in het petitum door SEC] gevorderde verklaring voor recht’ ook ziet op gebruikte voertuigen, is dus niet onbegrijpelijk, zoals in het subonderdeel ook wel wordt erkend (onder 28).
claim vehicleCDC een reeks schadevorderingen die aan haar waren overgedragen door meerdere ondernemingen die meenden te zijn benadeeld door het waterstofperoxidekartel, gebundeld ingesteld. Bij de beantwoording van de prejudiciële vraag hoe de plaats van het schadebrengende feit als bedoeld in thans art. 7 aanhef Pro en onder 2 Brussel I-bis moet worden bepaald in een geval dat in meerdere lidstaten gevestigde gedaagden in rechte worden aangesproken tot schadevergoeding ter zake van één enkele voortdurende inbreuk van het Europese mededingingsrecht, stelde het hof voorop dat de overdracht van vorderingen door de oorspronkelijke schuldeiser geen invloed kan hebben op de bepaling van het bevoegde gerecht volgens de genoemde bevoegdheidsregel en dat bijgevolg de plaats van het schadebrengende feit voor iedere schadevordering moet worden bepaald, ongeacht een eventuele overdracht of bundeling ervan. [57]
steedslaat vaststellen zonder acht te slaan op de (vorderingen van de) benadeelden waarvoor in de collectieve actie wordt opgekomen, zolang vaststaat dat het aangezochte gerecht internationaal bevoegd is om van de collectieve vorderingen kennis te nemen. Niet valt immers in te zien waarom dit uitsluitend zou gelden bij art. 7 aanhef Pro en onder 2 Brussel I-bis. De bijzondere aard van de collectieve actie, die is om tot een efficiënte en effectieve behandeling en beslissing van massazaken te komen, vormt daarvoor voldoende rechtvaardiging. Die rechtvaardiging past naadloos bij de al genoemde ratio van Brussel I-bis in het algemeen en van art. 8 aanhef Pro en onder 1 Brussel I-bis in het bijzonder om zoveel mogelijk een goede rechtsbedeling te bevorderen.
5.Onderdeel 2: toepasselijk collectieve actieregime
Van Gent(VVD):
Van Dam(CDA):
Van der Staaij(SGP):
Dekker:
veroorzaaktdoor een gebeurtenis of gelijksoortige gebeurtenissen, verbindend kan worden verklaard. [138] Het is duidelijk dat in de art. 3:310, 6:96 lid 2 onder a, 6:98-6:100, 6:107-6:108, en 6:110 BW ‘gebeurtenis’ steeds is bedoeld als de (schadeveroorzakende) gebeurtenis waarop de (gestelde) aansprakelijkheid voor de schade berust.
soortgebeurtenis of gebeurtenissen. In de hiervoor in 5.21 weergegeven citaten wordt dan ook bijvoorbeeld ‘gesjoemel bij de productie van een auto-onderdeel’ (wat een zich repeterende handeling zal zijn) aangemerkt als één handeling.
voor zoverde collectieve vordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016. Het spiegelbeeld daarvan is dat de WAMCA dus alleen van toepassing is voor zover de collectieve vordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016. Het BW-overgangsrecht lijkt dus met zoveel woorden voor te schrijven dat als het ware een ‘knip’ wordt aangebracht in het toepasselijke collectieve actieregime als de relevante gebeurtenis of gebeurtenissen zich zowel vóór als na 15 november 2016 hebben voorgedaan.
.In deze zaak had de stichting SMMT verzocht om een voorlopig getuigenverhoor, omdat zij bewijs wilde verzamelen voor een collectieve actie tegen Warner. In de collectieve actie zou een bevel worden gevorderd dat Warner zich aan haar eigen ethische gedragscode moest houden dan wel een verbod of een verklaring voor recht dat Warner onrechtmatig heeft gehandeld vanwege het structurele wangedrag door artiesten in de muziekbranche. Het hof had het verzoek afgewezen, omdat SMMT onvoldoende naar voren had gebracht om te kunnen oordelen dat zij voldeed aan de eisen van art. 3:305a (nieuw) BW, zodat het haar aan belang bij het verzochte voorlopig getuigenverhoor ontbrak. In cassatie klaagde SMMT onder meer dat het hof ten onrechte aan de hand van art. 3:305a (nieuw) BW had getoetst of SMMT belang had bij een voorlopig getuigenverhoor. Volgens SMMT was het oude collectieve actierecht van toepassing, omdat zij het verzoek had ingediend op 13 december 2019. De Hoge Raad verwierp deze klacht met de volgende overweging (voetnoot in origineel):
.In deze zaak hebben de stichtingen aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat Google onrechtmatig handelt door bovenmatig veel gegevens van gebruikers te verzamelen, te bundelen en te verwerken. [167] Google c.s. hebben het standpunt ingenomen dat de gebeurtenissen waarop de collectieve vorderingen betrekking hebben, beleidswijzigingen uit 2012 en 2016 betreffen, zodat het oude collectieve actierecht van toepassing is. De rechtbank verwerpt dat standpunt in haar vonnis en oordeelt dat sprake is van een tot op de dag van vandaag voortdurende gebeurtenis, waarop de WAMCA (in het geheel) van toepassing is:
new procedure not a new form of claim”. [198]
an infringement of competition law that takes place on or after that day”. [200] Mogelijk hebben de indieners van het Amendement zich hierdoor laten leiden.
SMMT / Warnerniet als een aanvaarding van de uitzondering voor een ‘reeks van gebeurtenissen’ kan worden gelezen en (ii) niet mede valt te letten op de betwistingen van gedaagden (zie voor beide hiervoor). Het hof heeft zich echter niet gehouden aan het uitgangspunt dat de vordering en de grondslag daarvan beslissend zijn voor de vraag op welke gebeurtenissen moet worden gelet voor het toepasselijke collectieve actieregime. Aan het slot van rov. 4.15 en in de aanvang van rov. 4.16 acht het hof terecht de stellingen van SEC beslissend (het hof spreekt aan het slot van rov. 4.15 van ‘SDEJ’, maar dat is onmiskenbaar een verschrijving, die zijn oorzaak zal vinden in het feit dat zijn arrest in de zaak SDEJ/Stellantis c.s. op dit onderdeel gelijkluidend is; er is geen reden waarom het hof aan het slot van rov. 4.15 naar stellingen van SDEJ zou verwijzen). Het hof is echter vervolgens in rov. 4.16 eerste zin ten onrechte op zoek gegaan naar een ‘gemene deler’ van de collectieve vorderingen van SEC, kennelijk met het doel om een aan alle collectieve vorderingen en alle gedaagden gemeenschappelijke gebeurtenis te selecteren (“alle, op verschillende juridische grondslagen stoelende, verwijten aan Mercedes, de Importeur en de Partners”). Zoals hiervoor in 5.23 opgemerkt, is die benadering ook in andere uitspraken van de lagere rechter te zien over vorderingen met betrekking tot een manipulatie-instrument. Die benadering is onjuist voor zover daarmee eraan wordt voorbijgegaan dat bepalend is wat de ingestelde vorderingen zijn en wat daaraan ten grondslag wordt gelegd en dat per vordering, per grondslag en per gedaagde moet worden nagegaan welk collectieve actieregime van toepassing is. Het hof heeft dat in rov. 4.16 en verder niet onderzocht.
Ten eersteis het oordeel van het hof volgens het subonderdeel onjuist, voor zover het hof heeft miskend dat het een ‘schadeveroorzakende gebeurtenis’ moet betreffen. Voor zover het hof dat niet heeft miskend, is zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat uit zijn overwegingen niet op begrijpelijke wijze is af te leiden waarom “het in Nederland in het verkeer brengen van voertuigen die zijn voorzien van een vermeend manipulatie-instrument” zou moeten worden aangemerkt als een gebeurtenis die (de) schade heeft (of kan hebben) veroorzaakt, en ook geen van partijen heeft gesteld dat dit als gebeurtenis als bedoeld in art. 119a lid 2 ONBW moet worden aangemerkt.
Ten tweedeis het oordeel van het hof volgens het subonderdeel onjuist, voor zover het hof heeft miskend dat onder “gebeurtenis” als bedoeld in art. 119a lid 2 ONBW moet worden verstaan “de initiële (en/of gemeenschappelijke en/of alles overkoepelende) schadeveroorzakende gebeurtenis” waarop de collectieve vorderingen zijn gebaseerd. Voor zover het hof dat niet heeft miskend, is zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat uit het arrest niet op begrijpelijke wijze is af te leiden waarom de door het hof beslissend geachte gebeurtenis als “initiële (en/of gemeenschappelijke en/of alles overkoepelende)” schadeveroorzakende gebeurtenis zou kunnen worden aangemerkt, althans, waarom niet gebeurtenissen die zich eerder hebben voorgedaan als zodanig zouden gelden, terwijl de rechtbank een eerdere gebeurtenis – namelijk het tot stand brengen van een illegaal manipulatie-instrument – als zodanig heeft aangemerkt en Mercedes c.s. hetzelfde hebben bepleit.
Ten derdeis het oordeel van het hof volgens het subonderdeel onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat onduidelijk is wat het hof verstaat onder “het in Nederland in het verkeer brengen van voertuigen”, op welk tijdstip een voertuig naar het oordeel van het hof in Nederland in het verkeer wordt gebracht en hoe dat tijdstip moet worden vastgesteld.
eersteis het hof volgens het subonderdeel buiten de rechtsstrijd van partijen getreden of heeft het een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven, omdat geen van partijen heeft gesteld dat bij de toepassing van art. 119a lid 2 ONBW op de collectieve vorderingen van SEC onderscheid moet worden gemaakt tussen voertuigen waarvoor de Euro 5 respectievelijk de Euro 6 emissienorm geldt. Ten
tweedeis het oordeel van het hof dat bij de toepassing van art. 119a lid 2 ONBW een dergelijk onderscheid moet worden gemaakt onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat SEC aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd dat Mercedes de door haar geproduceerde voertuigen zou hebben voorzien van een verboden manipulatie-instrument, en voor de vraag of en wanneer sprake is van (het in Nederland in het verkeer brengen van een voertuig voorzien van) een ongeoorloofd verboden manipulatie-instrument, niet bepalend is (althans, niet relevant) of en wanneer welke emissienorm gold. Ten
derdehebben partijen volgens het subonderdeel in het tussen hen gevoerde debat over de vraag welk collectieve actieregime van toepassing is, niets gesteld over het tijdstip waarop Euro 5 voertuigen of Euro 6 voertuigen in Nederland in het verkeer zijn gebracht, zodat het hof ook in zoverre buiten de rechtsstrijd is getreden of een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven. Ten
vierdeheeft dat tijdstip evenmin een rol gespeeld bij de grondslag van de vorderingen van SEC of het daartegen door Mercedes c.s. gevoerde verweer. Ten
vijfdeis de overweging van het hof dat er gezien de partijdiscussie geen aanwijzing is dat op of na 15 november 2016 Euro 5 voertuigen waarop de collectieve vorderingen van SEC zien, in Nederland in het verkeer zijn gebracht, onbegrijpelijk, omdat daarover door partijen in het geheel niet is gediscussieerd. Ook met deze overweging is het hof buiten de rechtsstrijd getreden of heeft het een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven. Ten
zesdekan deze overweging niet in stand blijven voor zover het hof daarmee tot uitgangspunt heeft genomen dat het zijn oordeel over het toepasselijke collectieve actieregime mag baseren op “een aanwijzing op grond van de stellingen van partijen”.
Onder Abevat het subonderdeel slechts een voortbouwklacht, die geen bespreking behoeft.
C.3genummerde klacht houdt in dat het hof heeft miskend dat de vraag of sprake is van een reeks van gebeurtenissen zoals bedoeld in de toelichting op het Amendement, moet worden beoordeeld vanuit het perspectief van de individuele benadeelden in het belang van wie de collectieve actie is ingesteld. Er is per definitie, althans in beginsel, geen sprake van een reeks wanneer vanuit het perspectief van de individuele benadeelden sprake is van losse, afzonderlijke gebeurtenissen, aldus het subonderdeel. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel onbegrijpelijk, omdat uit de overwegingen van het hof niet valt af te leiden waarom er in dit geval sprake zou zijn van een gebeurtenis of gebeurtenissen die een reeks zou(den) vormen. Althans is onbegrijpelijk dat het “in Nederland in het verkeer brengen van voertuigen die zijn voorzien van een vermeend manipulatie-instrument” vanuit het perspectief van een individuele benadeelde niet steeds één afzonderlijke gebeurtenis zou betreffen.
C.3genummerde klacht houdt in dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, om de volgende redenen. Ten eerste is die rechtsopvatting ontleend aan een zin uit de toelichting op het Amendement, terwijl de daarin tot uitdrukking gebrachte gedachte op geen enkele wijze in de tekst van art. 119a lid 2 ONBW zelf is verwoord. Ten tweede valt die gedachte niet te rijmen met hetgeen wél in de tekst van art. 119a lid 2 ONBW tot uitdrukking is gebracht, nu daaruit volgt dat een ‘knip’ moet worden aangebracht. Ten derde laat de genoemde rechtsopvatting zich niet rijmen met de strekking van het overgangsrecht, namelijk het bevorderen van de rechtszekerheid en het voorkomen van dubbele procedures.
Bespreking onderdeel 3; SEC niet-ontvankelijk vanwege ontbreken tijdig verlengingsverzoek dagvaardingstermijn
7.Bespreking onderdeel 4; belang van SEC bij haar collectieve actie
Subonderdeel 4.1is gericht tegen rov. 4.25 eerste zin, waarin het hof heeft geoordeeld dat het betoog van de Partners dat het hoger beroep van SEC reeds bij gebrek aan belang moet stranden omdat dit haar niet in een betere positie kan brengen, niet opgaat, en klaagt dat dit oordeel niet in stand kan blijven als de voorgaande klachten van het middel slagen, omdat het hof met dit oordeel voortbouwt op zijn voorgaande overwegingen.
Onderdeel 6; relatieve bevoegdheid rechtbank Amsterdam t.a.v. vorderingen tegen de Importeur en de Partners
Subonderdeel 6.1klaagt, samengevat weergegeven, dat het hof heeft miskend dat er tussen de vorderingen tegen de Amsterdamse Partners enerzijds en de vorderingen tegen de Importeur en de niet-Amsterdamse Partners anderzijds niet een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen, zoals bedoeld in art. 107 Rv Pro.
Subonderdeel 6.2klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de forumkeuzes die enkele Partners met hun klanten zijn overeengekomen voor andere rechtbanken dan die van Amsterdam, niet aan SEC kunnen worden tegengeworpen.