Uitspraak
gevestigd te Exloo, gemeente Borger-Odoorn,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
17 december 2021.
Hoge Raad
In deze zaak vorderen eisers een verklaring voor recht en schadevergoeding van de Gemeente Borger-Odoorn wegens onrechtmatig handelen bij de inrichting van een nieuwbouwplan, waarbij hun woningen lager liggen dan de achterliggende percelen.
De rechtbank oordeelde in een tussenvonnis dat de Gemeente toerekenbaar onrechtmatig had gehandeld, maar stelde de omvang van de schade vast door een deskundige te benoemen. De Gemeente stelde hoger beroep in tegen dit tussenvonnis, maar deed dit ruimschoots na de appeltermijn. De rechtbank stelde vervolgens bij een later tussenvonnis openstelling van tussentijds hoger beroep toe.
Het hof verklaarde de Gemeente ontvankelijk in haar hoger beroep tegen beide tussenvonnissen en vernietigde het tussenvonnis van 25 juli 2018. De Hoge Raad komt in dit arrest gedeeltelijk terug op eerdere jurisprudentie en bevestigt dat de rechter te allen tijde, ook na een tussenvonnis, desgevraagd tussentijds hoger beroep kan openstellen, mits dit binnen de beroepstermijn gebeurt en geen onredelijke vertraging veroorzaakt.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de Gemeente terecht ontvankelijk is verklaard in haar hoger beroep tegen het tussenvonnis van 25 juli 2018. De uitspraak bevat een belangrijke verduidelijking van de regels omtrent tussentijds hoger beroep in civiele procedures.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de Gemeente is terecht ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.