Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
kantoorhoudende te Swalmen,
wonende te [woonplaats] ,
verblijvende te Zweden,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
26 november 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de relatieve bevoegdheid van de kantonrechter in een onderbewindstellingszaak van een meerderjarige dochter die door haar lichamelijke of geestelijke toestand haar vermogensrechtelijke belangen niet kan behartigen. De moeder en vader waren sinds 2012 bewindvoerders, maar werden in 2019 ontslagen en opgevolgd door een derde partij.
De moeder stelde dat de kantonrechter ambtshalve onbevoegd was vanwege de woonplaats van de dochter, en dat dit tot vernietiging van de beschikking moest leiden. Het hof verwierp dit betoog en oordeelde dat het rechtsmiddelenverbod van artikel 270 lid 3 Rv Pro ook geldt voor ambtshalve beslissingen over relatieve bevoegdheid.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en wees het cassatieberoep af. De Hoge Raad motiveerde dat het rechtsmiddelenverbod bedoeld is om vertraging van de procedure te voorkomen, en dat dit belang ook geldt bij ambtshalve beslissingen. De parlementaire geschiedenis ondersteunt geen uitzondering voor ambtshalve beslissingen.
De moeder werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak draagt bij aan de rechtszekerheid omtrent de toepassing van het rechtsmiddelenverbod in procedures over relatieve bevoegdheid, met name in onderbewindstellingszaken.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en het rechtsmiddelenverbod geldt ook voor ambtshalve beslissingen over relatieve bevoegdheid.