AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij mededingingsrechtelijke vordering tegen Griekse vennootschap en moedervennootschap
In deze zaak vordert Macedonian Thrace Brewery S.A. (MTB) hoofdelijke aansprakelijkheid van Heineken N.V. en Athenian Brewery S.A. (AB) wegens misbruik van machtspositie op de Griekse biermarkt, vastgesteld door de Griekse mededingingsautoriteit. Heineken is indirect voor circa 98,8% aandeelhouder van AB. De kernvraag betreft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis om kennis te nemen van de vordering tegen AB.
De rechtbank verklaarde zich onbevoegd voor de vorderingen tegen AB, maar het hof vernietigde dit en oordeelde dat er een nauwe band bestaat tussen de vorderingen tegen Heineken en AB, waardoor gelijktijdige behandeling gerechtvaardigd is. De Hoge Raad onderzoekt of het vermoeden van beslissende invloed van de moedervennootschap op de dochtervennootschap, zoals aanvaard in het Europese mededingingsrecht, doorwerkt in de beoordeling van de bevoegdheid op grond van art. 8, punt 1.
De Hoge Raad overweegt dat art. 8, punt 1, Brussel I-bis eng moet worden uitgelegd, maar dat het vermoeden van beslissende invloed relevant kan zijn voor de bevoegdheidsvraag. Indien de moedervennootschap het vermoeden niet op voorhand kan ontkrachten, kan de rechter van de woonplaats van de moedervennootschap bevoegd zijn om ook de vordering tegen de dochtervennootschap te behandelen. De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het HvJEU om deze uitleg te verduidelijken en wijst de zaak ter nadere behandeling terug.
Uitkomst: De Hoge Raad legt prejudiciële vragen voor aan het HvJEU over de uitleg van art. 8, punt 1, Brussel I-bis en het vermoeden van beslissende invloed in het mededingingsrecht.
Voetnoten
1.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1.
4.HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Harald Kolassa/Barclays Bank plc).
5.Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Brussel, 27 september 1968, Trb. 1969, 101, PbEG 1998, C 27/1.
6.Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L 12/1.
7.Vgl. HvJEU 16 november 2016, zaak C-417/15, ECLI:EU:C:2016:881 (Schmidt), punt 26.
8.HvJEU 20 april 2016, zaak C-366/13, ECLI:EU:C:2016:282 (Profit Investments SIM), punt 61.
9.HvJEU 20 april 2016, zaak C-366/13, ECLI:EU:C:2016:282 (Profit Investments SIM), punt 63.
10.Zie onder meer HvJEU 13 juli 2006, C-539/03, ECLI:EU:C:2006:458 (Roche/Primus), punt 26, HvJEU 1 december 2011, zaak C-145/10, ECLI:EU:C:2011:798 (Painer), punt 79, HvJEU 21 mei 2015, zaak C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (CDC/Akzo), punt 20 en HvJEU 20 april 2016, zaak C-366/13, ECLI:EU:C:2016:282 (Profit Investments SIM), punt 65.
11.HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Harald Kolassa/Barclays Bank plc), punt 64 en HvJEU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music), punt 45-46.
12.Zie onder meer HvJEU 12 mei 2022, zaak C-377/20, ECLI:EU:C:2022:379 (SEN/AGCM), punt 105-112.
13.Vgl. HvJEU 15 april 2021, zaak C-694/19 P, ECLI:EU:C:2021:286 (Italmobiliare), punt 58 en de conclusie van de Advocaat-Generaal voor het arrest SEN/AGCM, punt 159-160.
14.HvJEU 21 mei 2015, zaak C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (CDC/Akzo), punt 21-25 en 33.
15.Vgl. HvJEU 15 april 2021, zaak C-694/19 P, ECLI:EU:C:2021:286, punt 58 en de conclusie van de Advocaat-Generaal voor het arrest SEN/AGCM, punt 159-160.