Conclusie
[eiser])
Parkdale)
pièce de résistancein cassatie (zie onder 3.5-3.28.2 hierna). M.i. treft geen van zijn klachten doel.
1.Feiten (voor zover relevant in cassatie)
[betrokkene 1]) zijn [3] de maten van [de maatschap] (hierna:
[de maatschap]). Zij waren oorspronkelijk de bestuurders en de aandeelhouders van Parkdale, toen nog een ‘lege’ B.V. met een andere naam ( [A] B.V.).
Parkdale Ltd). Na de overdracht werd Parkdale Ltd de bestuurder van Parkdale.
KTS). Parkdale Ltd was destijds enig aandeelhouder van Dala Mining LLP (hierna:
Dala Mining). Een van de aandeelhouders van KTS is [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]), tevens werkzaam bij Dala Mining.
Dumul). [betrokkene 3] [4] (hierna:
[betrokkene 3]) was toen, en ook nadien, bestuurder en enig aandeelhouder van Dumul. [betrokkene 3] , met wie Dala Mining op 1 maart 2011 een arbeidsovereenkomst heeft gesloten ingaande per die datum, was vanaf 20 juli 2011 bestuurder van Parkdale Ltd.
Diorite) en [betrokkene 2] tot bestuurders van Parkdale benoemd.
2.Procesverloop (voor zover relevant in cassatie)
In eerste aanleg
Parkdale c.s.) hebben op 10 juli 2018 [de maatschap] , [eiser] , [betrokkene 1] , Dumul en [betrokkene 3] gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna: de
rechtbank). Daarbij heeft Parkdale onder meer - en samengevat - gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling aan Parkdale van bepaalde bedragen in verband met:
hof). [6]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Aan Dumul en [betrokkene 3] verstrekte leningen: de voorwaardelijke veroordeling van [eiser] tot betaling van € 600.000 en € 250.000 aan hoofdsommen(…)
Schending van de klachtplicht3.15 Voor zover al sprake is van gebreken in door [eiser] verrichte prestaties, voeren [eiser] / [de maatschap] aan dat daarover niet is geklaagd binnen bekwame termijn nadat Parkdale deze heeft ontdekt of had moeten ontdekken [23] .
In het eerste geval (interne bestuurdersaansprakelijkheid) geldt als uitgangspunt dat de vennootschapsrechtelijke verhouding tussen de bestuurder en de rechtspersoon specifieke, in de wet geregelde rechten en plichten meebrengt. De aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover de rechtspersoon op grond van artikel 2:9 BW Pro is gebaseerd op de verplichting van de bestuurder om daaraan invulling te geven. Die bepaling is op zichzelf echter geen bron van een verbintenis tussen bestuurder en rechtspersoon tot het verrichten van enige concrete prestatie. Schending van de daarin geregelde verplichting resulteert daarom niet in een verbintenis waarop afdeling 9 van titel 1 van boek 6 BW van toepassing is. [eiser] / [de maatschap] komt met betrekking tot een vordering die is gebaseerd op schending van artikel 2:9 BW Pro dan ook geen beroep toe op het in die afdeling opgenomen artikel 6:89 BW Pro [24] . Hetzelfde geldt voor het laatste geval (onverschuldigde betaling). In die situatie is namelijk niet sprake van een gebrekkige of ondeugdelijke prestatie van de ontvangers van de betaling (gedaagden [eiser] c.s.) waarover zou kunnen worden geklaagd door de partij die de betaling heeft verricht (eiseres Parkdale). Dat laatste is echter voor een beroep op de klachtplicht wel een vereiste.”
NJ1968, 251 (…)), bij gebreke waarvan het zodanig in strijd kan zijn met de redelijkheid en billijkheid, dat de schuldeiser op de feiten en omstandigheden die de rechtsgrond voor zijn vordering opleveren geen beroep meer kan doen.” [26]
een gebrek in de prestatiekunnen dragen, rusten - volgens de hoofdregel van art. 150 Rv Pro - op de partij die dit gebrek aan zijn vordering (of verweer) ten grondslag legt. [29] De stelplicht en bewijslast ten aanzien van de feiten die een beroep op
art. 6:89 BW Prokunnen dragen, rusten in beginsel op de schuldenaar; dit betreft een bevrijdend verweer. [30]
NJ-annotator Hijma: [41]
vermogensrechtelijke betrekkingtussen twee of meer personen. Vergelijk art. 3:6 BW Pro (…). Betrekkingen van zuiver familierechtelijke aard (…) worden niet tot de verbintenissen gerekend. De regels van verbintenissenrecht zijn daarop niet van toepassing.
(…)
tussen twee of meer personen. Tegenover de betrekking van familierechtelijke aard, waarmee zij gemeen heeft dat zij een betrekking is tussen personen, wordt, zoals wij zagen, de verbintenis gesteld als een vermogensrechtelijke betrekking. Met een recht op een goed daarentegen heeft de verbintenis gemeen, dat zij een vermogensrechtelijke betrekking is, doch daarvan onderscheidt zij zich weer, doordat de verbintenis een betrekking is tussen personen. Ter onderscheiding van het recht op een goed, dat een betrekking vestigt tussen persoon en goed, wordt de verbintenis daarom ook wel persoonlijk recht genoemd. (…)
De personen tussen wie de verbintenis een rechtsband vormt, de
schuldeiseren de
schuldenaar, worden de
subjectenvan de verbintenis genoemd. Datgene waartoe de schuldeiser gerechtigd, de schuldenaar verplicht is, de
prestatie, noemt men het
voorwerpof
objectvan de verbintenis.
(…) Het begrip ‘verbintenis’ moet worden onderscheiden van het begrip
rechtsplicht. Op elke burger rusten ontelbare algemene rechtsplichten: men mag niet stelen, niet andermans eigendom vernielen; de weggebruiker moet zich aan de verkeersregels houden; men moet niet handelen in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van eens anders persoon of goed. Dergelijke algemene rechtsplichten zijn geen verbintenissen, o.a. omdat zij geen rechtsbetrekking vestigen tussen twee of meer bepaalde personen. (…)
(…)
(…)
Een belangrijk verschil tussen verbintenissen en algemene rechtsplichten is, zoals opgemerkt, dat de bepalingen van Boek 6 BW over de nakoming en niet-nakoming van verbintenissen niet op de algemene rechtsplichten van toepassing zijn. Zo is het ontstaan van aansprakelijkheid ter zake van het niet-nakomen van een verbintenis zowel materieel- als bewijsrechtelijk anders geregeld dan die ter zake van het niet-nakomen van een rechtsplicht als bedoeld in art. 6:162 BW Pro. (…)
De verbintenis is een vermogensrechtelijke betrekking tussen personen. Met haar ontstaat een onmiddellijke rechtsband. Het uit de verbintenis voortvloeiende recht van de een, de schuldeiser, heeft tot voorwerp een uit dezelfde verbintenis voortvloeiende prestatie van de ander, de schuldenaar. Het recht uit de verbintenis is dus onmiddellijk gericht op een persoon. Tegenover het recht staat hier de gebondenheid van een bepaalde persoon, de schuldenaar. Men onderscheidt het recht uit de verbintenis als persoonlijk recht van het
recht op een goed(waarvan een belangrijk species is het
zakelijk recht); als relatief recht van het
absolute vermogensrecht.
onverschuldigde betaling.
art. 2:9 BW Pro-bestuurdersaansprakelijkheid.
Art. 2:9 BW Pro
De norm dat een bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak richt zich primair tot bestuurders. Het is een tot hen gerichte gedragsnorm.
(…)
Wat behoorlijke taakvervulling is in een concreet geval is niet altijd eenduidig. Veel factoren spelen een rol. Aan het bestuur en bestuurders komt beleidsvrijheid toe. Ontwikkelingen kunnen anders lopen dan gedacht.”
Het bestuur is bevoegd om voor de rechtspersoon bindende beslissingen te nemen. Het heeft bestuursmacht. Hoever de bestuursmacht reikt, wordt bepaald door wet en statuten. Het bestuur heeft een taak bij het inwendig functioneren van de rechtspersoon. Veelal zal niet onder de bestuursmacht van het bestuur vallen de beslissing over de juridische organisatie van de rechtspersoon en over zijn ontbinding. Bestuursmacht zal in het algemeen vooral betrekking hebben op beslissingen omtrent de deelneming van de rechtspersoon aan het maatschappelijk verkeer. Tegenover bestuursmacht staat een bestuursplicht. Een bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden zijn taak behoorlijk te vervullen (art. 2:9 BW Pro). (…) Bij het vervullen van zijn taak moet het bestuur het belang van de rechtspersoon en de met hem verbonden organisatie, bijvoorbeeld een onderneming, tot richtsnoer nemen. (…)
(…)
Uit het wettelijk systeem vloeit voort dat aan het bestuur in beginsel zelfstandigheid en beleidsvrijheid toekomt. Dit is een voorwaarde voor het kunnen leiden van de rechtspersoon. Op dit beginsel kunnen de statuten uitzonderingen toestaan. (…) In alle gevallen geldt onverkort dat bestuurders gehouden zijn tot een behoorlijke vervulling van hun taak (art. 2:9 BW Pro) en dat aanwijzingen die in strijd zijn met het belang van de rechtspersoon niet bindend zijn.” [72]
[…] / […]en meer nog
Lauruser toe kan leiden dat het oordeel achteraf wordt beïnvloed door de wetenschap rond het resultaat van de bestreden gedraging of beslissing, terwijl die beslissing gegeven de omstandigheden
op het moment van de besluitvorming zelfmilder zou worden beoordeeld. Voorop moet blijven staan dat de vraag of sprake is van onbehoorlijk bestuur moet worden beantwoord naar het moment waarop de betreffende handelingen werden verricht.
Ten slotte: ondernemen is en blijft risico lopen. Van bestuurders kan niet worden verwacht dat zij uitsluitend handelen in die situaties waarin de te nemen stap al op alle mogelijke manieren is onderzocht, doorgerekend, van accountantsverklaringen voorzien en in schema’s gevat. Er moet ruimte blijven voor creativiteit, vernuft en durf. De samenleving is niet gediend met regelgeving die ondernemers stimuleert om telkens de voorkeur te geven aan risicomijdende beslissingen met weinig economisch voordeel. (…) Een grens wordt echter bereikt wanneer onverantwoordelijke risico’s worden genomen; dan bestaat aansprakelijkheidsrisico voor bestuurders.” [74]
internebestuurdersaansprakelijkheid. [78]
Wettelijke verplichting tot schadevergoeding
Algemeen vermogensrecht
Omdat art. 3:35 BW Pro niet rechtstreeks op besluiten van een rechtspersoon van toepassing werd geacht, heeft de wetgever op 1 januari 1992 in een nieuw art. 2:16 lid 2 BW Pro geregeld in hoeverre de rechtsschijn die de rechtspersoon door het nemen van het nietige of vernietigde besluit tegenover een wederpartij op zich heeft geladen, aan hem kan worden toegerekend. Zie Parl. Gesch. Inv. Boeken 3, 5 en 6 BW, Aanpassing BW, p. 176. De tweede zin van lid 2 van art. 2:16 BW Pro maakt een uitzondering op de eerste zin van dit lid die aansluit bij de strekking van art. 3:35 BW Pro; nietigheid of vernietiging van een besluit tot benoeming van een bestuurder of commissaris kan door de rechtspersoon aan de ‘benoemde’ worden tegengeworpen. Met Timmerman, preadvies Ver. Handelsrecht 1991, p. 99, neem ik aan dat uit de strekking van deze bepaling volgt dat iemand die is ‘benoemd’ op grond van een nietig c.q. non-existent of vernietigd besluit, geen bestuurder is ook als de rechtspersoon zich niet daarop zou beroepen.”
In het verleden is ten aanzien van de benoeming van bestuurders anders geoordeeld mede gelet op de tweede zin van art. 2:16 lid 2 waarin Pro een uitzondering wordt gemaakt op de hierboven aangeduide regel van de eerste zin: nietigheid (c.q. non-existentie) of vernietiging van een besluit tot benoeming van een bestuurder of commissaris kan wel (altijd) aan de benoemde worden tegengeworpen. Het belang van de rechtspersoon dient hier te overwegen; vgl. Parl. Gesch. Inv. 3, 5 en 6; Aanpassing BW, p. 176. Zie in dit verband r.o. 3.2.2 van HR 15 december 2000,
NJ2001, 109, welke uitspraak in het verlengde ligt van HR 2 juni 1977,
NJ1978, 238.”
externebestuurdersaansprakelijkheid, dus van de bestuurder jegens een derde (een ander dan de rechtspersoon), op de voet van art. 6:162 BW Pro. [98] Meervoudige rechtsverhouding (dualiteit van ‘functie’ en ‘contract’)
Zijstap
bestuurdersaansprakelijkheid, gekoppeld aan art. 2:9 BW Pro. Sub (ii) gaat het om mogelijke aansprakelijkheid van betrokkene jegens de rechtspersoon voor handelen in andere hoedanigheid (die van werk- of opdrachtnemer), waartoe art. 2:9 BW Pro zich niet uitstrekt. [108] Ook dan doet de in deze conclusie voorgestane benadering inzake vestiging van bestuurdersaansprakelijkheid uit art. 2:9 BW Pro en de klachtplicht van art. 6:89 BW Pro opgeld, erop neerkomend dat deze klachtplicht niet kan afdoen aan de vestiging van deze aansprakelijkheid van de bestuurder.
bestuurdersaansprakelijkheid evenmin, gelijk zo’n reflexwerking van art. 2:9 BW Pro. Tot slot: wat ik schreef onder 3.27.21-3.27.22 hiervoor zou logischerwijs ook opgaan, indien de klachtplicht van art. 6:89 BW Pro wel kan afdoen aan de vestiging van aansprakelijkheid van betrokkene uit wanprestatie in die contractuele rechtsverhouding (dus voor zulk niet-bestuurshandelen), althans uit onrechtmatige daad die feitelijk is gegrond op zo’n wanprestatie in die contractuele rechtsverhouding. Einde
intermezzo.
Meervoudige rechtsverhouding: vervolg
(…)
Vennootschapsbestuurders ontvangen voor hun werkzaamheden doorgaans een zekere remuneratie. (…) In elk geval wordt van deze bezoldigde bestuurders algemeen aangenomen dat zij tevens werknemers in de zin van art. 7:610 BW Pro zijn. (…)
Op grond van het voorgaande wordt algemeen aanvaard dat de bestuurder in een dubbele rechtsbetrekking tot de vennootschap staat. De verhouding wordt enerzijds beheerst door het rechtspersonenrecht van Boek 2 BW c.a. en anderzijds door het overeenkomsten- en verbintenissenrecht. Meer in het bijzonder door de wettelijke regels voor de arbeidsovereenkomst.” [117]
a. Dubbele rechtsband.De bestuurder staat tot de vennootschap in een vennootschapsrechtelijke rechtsverhouding, die wordt beheerst door de regels van het vennootschapsrecht (Boek 2 BW). Daarnaast staat de bestuurder in een contractuele relatie tot de vennootschap. (…) Deze relatie wordt beheerst door de regels van het overeenkomstenrecht, die van het arbeidsovereenkomstenrecht in het bijzonder (titel 10 Boek 7 BW). (…)
b. Aard van vennootschapsrechtelijke band.De vennootschapsrechtelijke relatie ontstaat doordat de bestuurder als zodanig wordt benoemd door het daartoe bevoegde vennootschapsorgaan en hij de benoeming heeft aanvaard. De vennootschapsrechtelijke rechtsverhouding wordt beheerst door de regels van het vennootschapsrecht, namelijk de wet, de statuten, de reglementen en de besluiten en ingevolge art. 2:8 BW Pro, de ongeschreven normen voortvloeiend uit de redelijkheid en billijkheid (de bestuurder is immers bij de vennootschappelijke organisatie betrokken). (…)
c. Contractuele rechtsband is meestal arbeidsovereenkomst.In de praktijk bestaat de contractuele rechtsband in de meeste gevallen uit een arbeidsovereenkomst tussen de bestuurder en de vennootschap. (…) Is de contractuele band een arbeidsovereenkomst, dan zijn de regels van het arbeidsrecht van overeenkomstige toepassing op de rechtsverhouding tussen de bestuurder en de vennootschap, met dien verstande dat, waar nodig, de wet uitzonderingen maakt voor de bestuurder van een NV en BV. (…)
(…)
f. Benoemingsbesluit.De benoeming van een bestuurder komt tot stand door een besluit van het daartoe bevoegde orgaan. (…) Doordat de bestuurder de benoeming aanvaardt, komt de functionele of vennootschapsrechtelijke band tot stand. Met de aanvaarding van de benoeming zal veelal beoogd zijn dat tegelijkertijd ook de contractuele band tot stand komt.”
ernstig verwijtvan onbehoorlijk bestuur gemaakt kan worden. Het nadien gewijzigde art. 2:9 BW Pro eist dit in het tweede lid thans expliciet. De bestuurder zal dan niet hebben gehandeld overeenkomstig ‘het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult’ (…).”
commissarisaansprakelijkheid. Art. 2:9 BW Pro is, bij schakelbepaling, van overeenkomstige toepassing op deze functionaris van de rechtspersoon (zie art. 2:50a lid 3, aanhef en sub b BW in verbinding met art. 2:53a BW, art. 2:149/259 BW en art. 2:300a lid 3, aanhef en sub b BW). Er bestaat geen grond hier anders te oordelen dan voor een bestuurder, al is de taak van een commissaris een andere (zie, uitgaande van de raad van commissarissen als orgaan, mede art. 2:47 BW Pro in verbinding met art. 2:53a BW, art. 2:140/250 BW en art. 2:292a BW). [168]
subonderdeel 3.1.
sub (i)). Dit wordt niet anders doordat de rechtbank in rov. 4.22-4.26 nog ingaat op de vraag of, zoals aangevoerd door [eiser] , hij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor dit ernstig verwijtbaar handelen omdat aan hem decharge is verleend (antwoord: nee) (
sub (ii)). En in rov. 4.27-4.29 nog overgaat tot bepaling van Parkdale’s schade ter zake, met inachtneming van het processuele debat dienaangaande (
sub (iii)). De uitkomst is dat [eiser] voorwaardelijk wordt veroordeeld tot betaling van $ 600.000,- respectievelijk $ 250.000,-, vermeerderd met rente. [176]
sub (i)(rov. 3.21-3.22),
sub (ii)(rov. 3.22) en
sub (iii)(rov. 3.23). In rov. 3.24 overweegt het hof dat de rechtbank dit verweer op goede gronden heeft verworpen, dat het hof die gronden tot de zijne maakt en dat het hof daar nog het een en ander aan toevoegt. Dit laatste doet het hof wat betreft
sub (i)in rov. 3.25-3.28 (de aan het verweer te stellen eisen), wat betreft
sub (ii)in rov. 3.29-3.31 (het beroep op decharge) en wat betreft
sub (iii)in rov. 3.32 (de geleden schade). Daarbij verliest het hof de grieven van [de maatschap] / [eiser] niet uit het oog.
subonderdeel 3.2.
naar het hof dus ook onderkent- “het niet-slagen van verweren tegen bestuurdersaansprakelijkheid geen bestuurdersaansprakelijkheid constitueert.”
subonderdeel 3.3.
dat de leningen getuigen van onbehoorlijk bestuur en dat hem daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dat is niet het geval” [onderstreping toegevoegd, A-G].
wat door Parkdale aan onderliggende feiten en omstandigheden is gesteldin het kader van haar vordering uit art. 2:9 BW Pro-bestuurdersaansprakelijkheid, die erop is gebaseerd dat de leningen getuigen van onbehoorlijk bestuur en dat [eiser] daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Welke vraag het hof ontkennend beantwoordt, zoals nog weer nader toegelicht in rov. 3.25-3.28. De door het onderdeel veronderstelde strijd met art. 149 Rv Pro doet zich in werkelijkheid dus niet voor.
uiteindelijkook ertoe, dat hetgeen Dala aan Dumul en [betrokkene 3] verschuldigd is afneemt met $ 250.000 en $ 600.000.
(…)
Daarmee zijn de gebeurtenissen voor Parkdale “vestzak-broekzak”: elke euro die [betrokkene 3] en Dumul per saldo van Parkdale hebben ontvangen, brengt uiteindelijk mee dat Dala een euro minder hoeft te betalen, zodat de schulden van Dala met een Euro afnemen en de waarde van de aandelen Dala dus met een euro toenemen.
En in de verhouding tussen moeder Parkdale en dochter Dala neemt de vordering van dochter Dala op moeder Parkdale met een euro af, als Parkdale van het banksaldo en uiteindelijk ten gunste van Dala een euro overboekt aan [betrokkene 3] en Dumul.
(…)
Kortom:
Als een moeder eigenaar is van haar dochter (zoals Parkdale 100% van de aandelen in dochter Dala hield) en als moeder dan aan een schuldeiser van dochter betaalt omdat dochter schulden aan die schuldeiser open laat staan, dan blijft de moeder per saldo precies even vermogend” [zonder verwijzingen in het origineel, A-G].
subonderdeel 6.1.
subonderdeel 6.2.