ECLI:NL:HR:2016:540

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 april 2016
Publicatiedatum
1 april 2016
Zaaknummer
15/00530
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:9 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid en omvang schadevergoeding voor wanbeleid bestuurder stichting

In deze zaak staat de bestuurdersaansprakelijkheid van een bestuurder van een stichting centraal, waarbij de omvang van de schadevergoeding en het oorzakelijk verband tussen het wanbeleid en gemaakte advocaatkosten in een door een derde aangespannen kort geding aan de orde zijn.

De rechtbank kende een schadevergoeding toe aan de stichting wegens wanbeleid van de bestuurder. Het hof bekrachtigde dit vonnis en veroordeelde de bestuurder tot betaling van een hoger bedrag. Echter wees het hof de vordering tot vergoeding van advocaatkosten in verband met een kort geding af, omdat onvoldoende was toegelicht dat het kort geding verloren was door het wanbeleid.

De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat het hof zelf had vastgesteld dat het kort geding was verloren vanwege een overeenkomst die door de bestuurder was aangegaan en die als wanbeleid werd aangemerkt. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor verdere behandeling. Het principale beroep wordt verworpen, het incidentele beroep wordt toegewezen.

Uitkomst: Het incidentele cassatieberoep wordt toegewezen, het arrest vernietigd en de zaak verwezen voor verdere behandeling; het principale beroep wordt verworpen.

Uitspraak

1 april 2016
Eerste Kamer
15/00530
EV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
STICHTING ATAL-MEDIAL,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. J.P. Heering.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en ATAL.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 501334/HA ZA 11-2575 van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2011 en 7 november 2012;
b. het arrest in de zaak 200.122.480/01 van het gerechtshof Amsterdam van 30 september 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld.
ATAL heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor ATAL mede door mr. F.M. Dekker.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt zowel in het principale als in het incidentele beroep tot verwerping.
De advocaten van partijen hebben bij brieven van 29 januari 2016 op die conclusie gereageerd.

3.Uitgangspunten in cassatie

3.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten, vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.2 tot en met 1.22.
3.2
In dit geding heeft [eiser] een vordering tegen ATAL ingesteld, die in cassatie geen rol meer speelt. In reconventie vordert ATAL schadevergoeding van [eiser], die zij aansprakelijk houdt wegens niet behoorlijke vervulling van zijn taak als bestuurder, als bedoeld in art. 2:9 BW Pro.
3.3
De rechtbank heeft de reconventionele vordering toegewezen tot een bedrag van (in hoofdsom) € 58.771,12. Het hof heeft dat vonnis op dat punt bekrachtigd en [eiser] daarenboven veroordeeld tot betaling van (in hoofdsom) € 371.100,30. Het heeft de vordering van ATAL tot vergoeding van de advocaatkosten (ten bedrage van € 68.072,76) die betrekking hadden op het in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.19 vermelde kort geding niet toewijsbaar geoordeeld, overwegende:
“3.31 Het door ATAL gevorderde bedrag aan advocaatkosten wordt afgewezen. ATAL stelt dat deze kosten betrekking hebben op het door STAT tegen ATAL gevoerde kort geding en dat dit kort geding zonder het door [eiser] gevoerde wanbeleid niet gevoerd was. Zij heeft echter onvoldoende toegelicht dat zij het kort geding heeft verloren door het door [eiser] gevoerde wanbeleid. Grief 4 in principaal appel faalt daarom.”

4.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1
De klachten van onderdeel 1 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5.2.1
Onderdeel 2 richt een motiveringsklacht tegen rov. 3.31, aangehaald hiervoor in 3.3. Het klaagt dat het oordeel van het hof in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk, althans, gelet op de rov. 2 onder (u) en 3.26, innerlijk tegenstrijdig is.
5.2.2
Deze klacht slaagt. Blijkens rov. 2 onder (u) heeft ATAL het kort geding verloren omdat de voorzieningenrechter voorshands aannemelijk oordeelde dat de door STAT aan haar vordering ten grondslag gelegde (mondelinge) overeenkomst inderdaad door [eiser] als bestuurder van ATAL met STAT was aangegaan, zulks mede op grond van een brief van [eiser] waarin hij bevestigde dat de desbetreffende afspraken waren gemaakt. Die overeenkomst hield in dat in het kader van de ophanden zijnde fusie tussen STAT en ATAL 100% van de door ATAL van verzekeraars ontvangen vergoedingen aan STAT zou worden doorbetaald en verder dat door STAT en ATAL wederzijds verrichte diensten niet zouden worden verrekend.
In rov. 3.26 heeft het hof het aangaan van die overeenkomst door [eiser] – die naar het oordeel van het hof (rov. 3.25) 25% van die vergoedingen aan ATAL ten goede had moeten laten komen – aangemerkt als, kort gezegd, wanbeleid.
ATAL heeft in (grief 4 van) haar memorie van grieven aangevoerd dat het aangaan van die overeenkomst wanbeleid van [eiser] opleverde en dat de kosten die zij heeft moeten maken in het kort geding dat STAT ter verkrijging van nakoming van die overeenkomst tegen haar had aangespannen, daarom schade vormt die zij als gevolg van dat wanbeleid heeft geleden. [eiser] heeft tegen dit laatste in zijn memorie van antwoord niets aangevoerd.
Tegen deze achtergrond is het bestreden oordeel van het hof – dat erop neerkomt dat het door ATAL gestelde causaal verband tussen het wanbeleid van [eiser] en het verliezen van het kort geding nadere toelichting behoefde – inderdaad onbegrijpelijk.

6.De Hoge Raad:

in het principale beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ATAL begroot op € 6.467,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;
in het incidentele beroep:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 september 2014;
verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ATAL begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter, en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
1 april 2016.