Conclusie
1.Feiten en procesverloop
kans dat die procedure succesvol zou zijn geweest voor [eiseres] niet verwaarloosbaar klein [kan] worden genoemd", maar deze overweging is een opmaat naar r.ov. 4.8 waarin de rechtbank tot de conclusie komt dat de mogelijkheid dat [eiseres] schade heeft geleden "
voldoende aannemelijk" is, dat "
daarmee" de vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure voor toewijzing gereed ligt, en dat in de schadestaatprocedure "
de goede en kwade kansen (opnieuw) aan de orde komen bij de beoordeling van de mate waarin de in die procedure vast te stellen schade aan de door [verweerder] gemaakte beroepsfout kan worden toegerekend”. De rechtbank heeft daarmee slechts overwogen dat de drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure was gehaald. Het causaal verband en de omvang van de schade komen vervolgens aan bod in deze schadestaatprocedure. Dit betekent dat grief 1 in het incidenteel hoger beroep in zoverre slaagt.’
2.Bespreking van het cassatiemiddel
trial within a trial’-methode) hoe op de vordering of het rechtsmiddel had behoren te worden beslist, alleen dan wordt toegekomen aan schatting van de schade aan de hand van de goede en kwade kansen. [14] Deze subsidiaire wijze van schadebegroting betreft een toepassing van de leer van de kansschade. In zijn arrest van 21 december 2012 [15] heeft de Hoge Raad (ten overvloede) overwogen dat, teneinde deze leer te kunnen toepassen, eerst moet worden beoordeeld of condicio sine qua non-verband aanwezig is tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en het verlies van de kans op succes. Volgens de Hoge Raad is dat verband echter zonder meer gegeven met het verzuim van de advocaat om (tijdig) de vordering of het rechtsmiddel in te stellen, zodat slechts resteert de vaststelling van de schade aan de hand van een schatting van de goede en kwade kansen die de cliënt in het (hypothetische) geding zou hebben gehad (rov. 3.5.3). [16] Voor die vaststelling bestaat slechts ruimte, indien het gaat om een reële (dat wil zeggen niet zeer kleine) kans op succes (rov. 3.8).
geoordeelddat onzekerheid bestaat over de uitkomst van de procedure tegen De Amersfoortse én dat de kans op succes voor [eiseres] in die procedure niet verwaarloosbaar klein kan worden genoemd, zodat wordt toegekomen aan toepassing van de leer van de kansschade. Anders dan het hof meent, kan ook uit de laatste volzin van rov. 4.8 niet worden afgeleid dat de rechtbank
slechtsheeft geoordeeld dat de drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is gehaald. De overweging dat in de schadestaatprocedure de goede en kwade kansen (opnieuw) aan de orde kunnen komen bij de toerekening van de schade op de voet van art. 6:98 BW Pro, doet immers niet af aan voornoemde oordelen over toepassing van de leer van de kansschade. Bovendien heeft het hof niet kenbaar bij zijn oordeel betrokken dat de rechtbank niet alleen de vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure heeft toegewezen, maar tevens – op grond van ‘al het voorgaande’ – voor recht heeft verklaard dat [verweerder] , als gevolg van de beroepsfout, jegens [eiseres] aansprakelijk is en gehouden de dientengevolge door [eiseres] geleden schade te vergoeden (rov. 4.10 en 5.1). Een dergelijke verklaring voor recht van aansprakelijkheid impliceert een condicio sine qua non-verband tussen de beroepsfout en de schade.
Onderdeel 2.1klaagt dat het hof heeft miskend dat de rechtbank in de hoofdprocedure reeds onherroepelijk een oordeel had gegeven over het causaal verband tussen de beroepsfout van [verweerder] en de schade van [eiseres] . Omdat het hof niet van dat oordeel is uitgegaan, getuigt zijn oordeel in rov. 4.6 van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de omvang van de rechtsstrijd (art. 24 Rv Pro), de leer van de bindende eindbeslissing en de tweeconclusieregel (art. 347 Rv Pro), althans het gezag van gewijsde (art. 236 Rv Pro), aldus het onderdeel.
eerdereschadestaatprocedure tussen dezelfde partijen moet worden beschouwd als ‘een ander geding’ in de zin van art. 236 Rv Pro. [23]
IV-Groep / Zwitserlevenover de toepassing van het gezag van gewijsde. [29]
nietdoor partijen zijn overgelegd. Ik meen dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Het beginsel van partijautonomie brengt mee dat het aan partijen is om de rechter te voorzien van alle voor het geschil relevante feiten. [30] Dat uitgangspunt vindt ook steun in de jurisprudentie van het EHRM. [31] Niet kan worden gezegd dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over de regels van een goede procesorde en/of het recht op een eerlijk proces, dan wel zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, door de gedingstukken uit de hoofdprocedure niet (ambtshalve) toe te voegen aan het procesdossier in de schadestaatprocedure en de daarin opgeworpen stellingen niet (kenbaar) bij zijn oordeel te betrekken. In zoverre faalt het onderdeel.
exécution par suite d’instance’, [32] hetgeen meebrengt dat ‘enerzijds de veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat een eindvonnis is, doch anderzijds de schadestaatprocedure in beginsel als een voortzetting van de hoofdzaak moet worden gezien (…)’. [33] Voor de toepassing van de in art. 615a Rv genoemde artikelen worden de hoofdprocedure en de schadestaatprocedure in ieder geval als afzonderlijke gedingen beschouwd. Ik meen dat hetzelfde zou moeten gelden voor de toepassing van art. 24 Rv Pro. De hoofdprocedure eindigt immers met een einduitspraak, waarin op de zaak – overeenkomstig art. 24 Rv Pro – is beslist op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd. Met aanvang van de schadestaatprocedure doet de opdracht van art. 24 Rv Pro zich
opnieuwgelden met betrekking tot de vordering(en) waarop (nog) moet worden beslist. Hierop stuit de klacht af.