Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Inleidende beschouwingen
De schadestaatprocedure als voortzetting van de hoofdzaak
exécution par suite d’instance”. [5] Voor de verhouding tussen hoofdprocedure en schadestaatprocedure betekent dit, aldus de memorie van toelichting, “dat enerzijds de veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat een eindvonnis is, doch anderzijds de schadestaatprocedure in beginsel als een voortzetting van de hoofdzaak moet worden gezien”. [6]
gesloten stelsel van rechtsmiddelen: een rechterlijke uitspraak – ook de uitspraak in een schadestaatprocedure – kan niet anders dan door het aanwenden van een rechtsmiddel worden aangetast. [11]
grondslagvan de aansprakelijkheid (die bij uitsluiting in de hoofdprocedure moeten worden genomen [12] ), maar ook voor eventuele eindbeslissingen in de hoofdprocedure over de
schadeomvang, met inbegrip van vraagstukken als het oorzakelijk verband en eigen schuld. [13]
leer van de bindende eindbeslissingdeze gebondenheid verklaart en bepaalt. [15] In deze visie is de bindende kracht van eindbeslissingen in de hoofdprocedure vergelijkbaar met die, welke binnen één instantie toekomt aan eindbeslissingen die in een tussenvonnis zijn vervat. [16] Hierbij moet worden bedacht dat een schadestaatprocedure al kan worden gevoerd terwijl de hoofdprocedure nog aanhangig is. De schadestaatrechter is dan volgens de heersende inzichten gebonden aan eindbeslissingen in de hoofdprocedure die nog niet in kracht van gewijsde zijn gegaan. [17] Van Schaick daarentegen gaat ervan uit dat de (niet ambtshalve door de rechter toe te passen) regeling van
het gezag van gewijsde(art. 236 Rv Pro) van toepassing is op eindbeslissingen in de hoofdprocedure over de grondslag van de aansprakelijkheid. [18] Omdat de keuze voor de ene of de andere grondslag mede bepalend is voor het antwoord op de vraag of – en, zo ja, in hoeverre − uitzonderingen op de hoofdregel van gebondenheid mogelijk zijn, zal ik hierna elk van beide grondslagen nader bespreken.
leer van de bindende eindbeslissing– die door de Hoge Raad uit de eisen van een goede procesorde is afgeleid – houdt in dat de rechter die in een tussenvonnis een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist, daarop in het vervolg van de procedure in beginsel niet mag terugkomen. [19] Sinds 2008 hanteert de Hoge Raad een enigszins versoepelde maatstaf, te weten: dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat de rechter aan wie gebleken is dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is tot heroverweging daarvan (mits met inachtneming van de eisen van hoor en wederhoor). [20]
toerekenbareonjuiste feitelijke grondslag van de eindbeslissing kan dus niet worden hersteld met een beroep op de door de Hoge Raad aanvaarde uitzonderingen op de leer van de bindende eindbeslissing. [22]
gezag van gewijsdekomt toe aan beslissingen die zijn vervat in een “in kracht van gewijsde gegaan vonnis” (art. 236 lid 1 Rv Pro). Anders dan de leer van de bindende eindbeslissing ziet het gezag van gewijsde op de bindende kracht van vonnissen
buitenhet geding waarin zij gewezen zijn. Het gezag van gewijsde blijft beperkt tot “beslissingen over de rechtsbetrekking in geschil”. [23] Hiermee wordt bedoeld dat beslissingen van de rechter bindende kracht hebben in een andere procedure tussen dezelfde partijen, [24] waarin hetzelfde geschilpunt aan de orde is. [25] Voor een geslaagd beroep op het gezag van gewijsde is niet vereist dat in beide procedures hetzelfde is gevorderd. [26] De enkele omstandigheid dat na afwijzing van de vordering nieuw bewijsmateriaal beschikbaar komt, rechtvaardigt geen doorbreking van het gezag van gewijsde (onverlet de eventuele mogelijkheid om herziening van dat vonnis te verzoeken). [27] Het gezag van gewijsde houdt verband met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Het strekt ertoe, te voorkomen dat tegenstrijdige beslissingen over hetzelfde geschilpunt worden genomen. [28]
leer van de bindende eindbeslissingde verhouding tussen hoofd- en schadestaatprocedure beheerst. Hiervan uitgaande, zou hebben te gelden dat in de schadestaatprocedure kan worden teruggekomen van bindende eindbeslissingen in de hoofdprocedure, indien blijkt dat die op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berusten. [29] De Hoge Raad lijkt echter niet snel geneigd om dit te aanvaarden. In een arrest uit 2013 ging het om een buschauffeur van wie in de hoofdprocedure was vastgesteld dat hij (ten tijde van de einduitspraak) 50% arbeidsongeschikt was. In de schadestaatprocedure volgde het hof, op basis van een deskundigenbericht, het door de verzekeraar ingenomen standpunt dat de buschauffeur 75% arbeids
geschiktwas. De Hoge Raad casseerde, daartoe overwegende dat het hof in de schadestaatprocedure was gebonden aan de vaststelling in de hoofdprocedure dat de werknemer (ten tijde van de einduitspraak) 50% arbeidsongeschikt was. Op die basis deed de Hoge Raad de zaak zelf af. [30]
stelplichtheeft voldaan, geen gezag van gewijsde heeft. [31] In de vakliteratuur is aangenomen dat deze rechtspraak slechts betrekking heeft op die gevallen waarin − wegens ontoereikendheid van de ingenomen stellingen − geheel onduidelijk blijft welke (soort) rechtsbetrekking aan de rechter werd voorgelegd. [32] In dit verband wordt wel gesproken van een stelplicht
ten aanzien van de grondslagvan de vordering, ter onderscheiding van de stelplicht
ten aanzien van de gegrondheidvan de vordering. [33] Gras maakt onderscheid tussen enerzijds het stellen van onvoldoende “rechtsfeiten” – dat leidt tot niet-ontvankelijkheid van de eiser (met een herkansingsmogelijkheid) – en anderzijds het stellen van onvoldoende “bewijsfeiten” – dat leidt tot afwijzing van de vordering (zonder herkansingsmogelijkheid). [34]
binnenhet geding (afgezien van een eventueel hoger beroep), maar wel
daarbuiten, in het kader van een nieuwe procedure over hetzelfde geschilpunt. Het bieden van die tweede kans houdt immers een doorbreking van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in, en kán leiden tot tegenstrijdige beslissingen over hetzelfde geschilpunt, iets dat art. 236 Rv Pro juist beoogt te voorkomen.
naderhand nog aan het licht gekomen schadeposten; men zie de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsontwerp.” [39]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleidende opmerkingen
Onderdeel 1werpt de vraag op of opeenvolgende schadestaatprocedures in hun onderlinge verhouding hebben te gelden als ‘ander geding’ in de zin van art. 236 Rv Pro. Deze (voor)vraag – de vraag naar de
mogelijketoepasselijkheid van art. 236 Rv Pro in een situatie als deze – heeft het hof bevestigend beantwoord in rov. 6 en 7. De
onderdelen 2 tot en met 5nemen, in navolging van het hof, tot uitgangspunt dát art. 236 Rv Pro toepassing kan vinden in de verhouding tussen opeenvolgende schadestaatprocedures. Zij zien op de vraag of het hof (in rov. 8 en 9) een juiste en begrijpelijke toepassing heeft gegeven aan art. 236 Rv Pro, door te oordelen dat in de eerste schadestaatprocedure al is beslist over de ‘rechtsbetrekking in geschil’ in de zin van art. 236 Rv Pro. De
onderdelen 6 en 7gaan over de vraag of het hof (in rov. 10) heeft kunnen oordelen dat (ook) de
eisen van een goede procesordein de weg staan aan een beoordeling van de in dit geding opgevoerde schadepost.
beidezelfstandig dragende gronden. [42]
leer van de bindende eindbeslissinghet bestreden oordeel zou kunnen dragen. [43] Dit verweer snijdt in elk geval geen hout voor zover het de middelonderdelen 6 en 7 betreft. Die stellen immers ’s hofs toepassing van de
eisen van een goede procesordeter discussie. Die eisen zijn (ook) bepalend voor het antwoord op de vraag of de rechter mag terugkomen van een bindende eindbeslissing (zie alinea 2.7). Dit belangverweer behoeft verder geen bespreking, omdat het samenvalt met de constatering dat het middel alleen tot cassatie kan leiden indien het elk van beide zelfstandig dragende gronden van de beslissing met succes aanvecht.
op elkaarvoort: zij vormen telkens een nieuw verlengstuk van de hoofdzaak. Er is, met andere woorden, sprake van een processuele samenhang tussen hoofd- en schadestaatprocedure(s), maar niet tussen schadestaatprocedures onderling. Wordt in het dictum van een uitspraak in de schadestaatprocedure een bepaalde schadepost toe- of afgewezen, dan is die uitkomst niet te onderscheiden van de situatie die ontstaat als een schadepost direct in de hoofdzaak (al dan niet gevolgd door een schadestaatprocedure) wordt toe- of afgewezen. [50] Het geding – de rechtsbetrekking in geschil als bedoeld in art. 236 Rv Pro – is dan in zoverre, voor zover het díe schadepost betreft, ten einde. Daarbij past dat aan die uitspraak in de schadestaatprocedure, evenals aan een eventuele schadeafwikkeling in de hoofdzaak, gezag van gewijsde toekomt.
nieuweschadeposten kan opvoeren (art. 615 Rv Pro).
quick scanin de rechtsstelsels van de omringende landen heeft niet of nauwelijks bruikbare aanknopingspunten opgeleverd voor de beantwoording van de in onderdeel 1 opgeworpen rechtsvraag. Het Franse procesrecht, waaraan de oude Nederlandse regeling van de schadestaatprocedure was ontleend, kent naar huidig recht niet meer een dergelijke ambivalente rechtsfiguur (als een ‘zelfstandig verlengstuk’ van de hoofdprocedure). [51] Het Franse, Duitse en Engelse equivalent van de veroordeling tot schadevergoeding, op te maken bij staat, geldt als een tussenvonnis
. [52]
niet in staatwas enige inhoudelijke beslissing te nemen over de gevorderde schade in de vorm van misgelopen winst, omdat de projectontwikkelaar daartoe onvoldoende had gesteld. Een dergelijk oordeel is volgens de projectontwikkelaar geen beslissing over de ‘rechtsbetrekking in geschil’ als bedoeld in art. 236 Rv Pro.
uit een veronderstelde, in 1996 in gang gezette projectontwikkeling, zoals de projectontwikkelaar aan haar vordering in de eerste schadestaatprocedure ten grondslag had gelegd, niet op een reëel bedrag kon worden vastgesteld en evenmin kon worden geschat. Deze uitleg berust op een aan het hof voorbehouden waardering van de gedingstukken, die niet onbegrijpelijk is. Ten overvloede merk ik hierover nog het volgende op.
nieuwe(pas ná de eerste schadestaatprocedure opgekomen) schade: de projectontwikkelaar was ten tijde van de memorie van grieven in de eerste schadestaatprocedure bekend met de feiten die haar ertoe brachten om in de tweede schadestaatprocedure een ander ontwikkelingsperspectief voor dit project aan haar vordering ten grondslag te leggen. [61] Onderdeel 4 faalt.
andere wijze van begrotingvan dezelfde schade, namelijk: gederfde ontwikkelingswinst. Over díe schade had het hof in de eerste schadestaatprocedure al onherroepelijk beslist, zoals het hof in rov. 8 - 9 (tevergeefs bestreden door onderdeel 4) heeft vastgesteld. Een en ander is niet onbegrijpelijk voor de lezer. Onderdeel 5 faalt.
uitsluitendberust op hetgeen in rov. 10 is overwogen. Rov. 10 moet aldus worden begrepen, dat het hof op de in rov. 8 en 9 genoemde gronden, nader uitgewerkt in rov. 11 en 12, van oordeel is dat de vordering niet slechts afstuit op het gezag van gewijsde van het eindarrest in de eerste schadestaatprocedure, maar óók in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Die gronden vat het hof in rov. 10 samen met de woorden: “Een geding waarin onherroepelijk is beslist over een schadepost moet eens ten einde komen.”
goede procesordein de weg staan aan het honoreren van stellingen die in de eerste schadestaatprocedure als tardief buiten beschouwing zijn gelaten.