Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Opmerkingen vooraf
Aantonenwat er zonder fout zou zijn gebeurd, is in strikte zin onmogelijk (het betreft immers een hypothetische situatie), maar ook
aannemelijk makenwat er zonder fout zou zijn gebeurd, is niet gemakkelijk. Dat geldt zeker ook voor die gevallen, zoals het onderhavige, waarin de beroepsfout is gelegen in het onvolledig of onjuist adviseren van de cliënt. Juist dan is veelal niet zonder meer duidelijk wat de cliënt zou hebben gedaan als hij wél (juist) zou zijn geïnformeerd of geadviseerd. [21] De beroepsbeoefenaar kan dan het verweer voeren dat de uiteindelijke schade ook zonder zijn fout zou zijn opgetreden. Dat verweer kan zich, afhankelijk van het partijdebat, in een concrete zaak op twee manieren manifesteren: (a) als een schadeprobleem (‘er is geen schade, want ook zonder de fout had eiser zich in dezelfde situatie bevonden’) of (b) als een causaliteitsprobleem (‘eiser heeft misschien wel schade, maar die is niet veroorzaakt door de fout’). In het eerste geval gaat het dus om een schadeverweer, in het tweede om een causaliteitsverweer. [22]
alles-of-niets-type(in de regel leidend tot toe- of afwijzing van de vordering) worden onderscheiden van
tussenoplossingendie leiden tot toewijzing van een deel van de vordering. In de schadevariant gaat het dan om het leerstuk van het verlies van een kans, ook wel aangeduid als kansschade, en in de causaliteitsvariant om proportionele aansprakelijkheid. [24] In de klassieke benadering draagt één van de partijen, eiser of gedaagde, de lasten van onzekerheid. In beginsel is dat de eiser. Hij dient aannemelijk te maken dat hij door de fout schade heeft geleden. Slaagt hij hierin niet, dan zal zijn vordering worden afgewezen. De risico’s liggen dus geheel bij hem, wat tot onredelijke resultaten kan leiden. [25] In dit verband wordt eiser in sommige gevallen wel tegemoetgekomen met oplossingen die deel uitmaken van het bewijsrechtelijk instrumentarium, zoals een bewijsvermoeden of het voorshands bewezen achten van de schade. [26] De lasten van onzekerheid komen dan in aanzienlijke mate bij gedaagde terecht. De omkeringsregel, die hierna nog aan de orde komt (randnummers 3.10 e.v.), is daarvan een voorbeeld.
Baijings/mr. H., [27] dat betrekking heeft op een geval waarin een advocaat had verzuimd hoger beroep in te stellen, heeft Uw Raad de verlies van een kans-benadering voor beroepsfouten aanvaard:
in beginselworden beoordeeld hoe de appelrechter had behoren te beslissen,
althansmoet het te dier zake toewijsbare bedrag
worden geschat aan de hand van de goede en kwade kansen die de appellant in hoger beroep, zo dit ware ingesteld, zou hebben gehad.” (onderstrepingen toegevoegd, A-G)
condicio sine qua non-verband vaststaan tussen de fout en het kansverlies. [32] Verder moet de kans die verloren is gegaan een reële kans zijn: een vordering met betrekking tot een zeer kleine mogelijkheid van succes komt niet voor toewijzing in aanmerking. [33] Bij een zeer grote kans zal de vordering, naar mag worden aangenomen, in haar geheel moeten worden toegewezen. [34] Bij toepassing van het leerstuk van de kansschade is dus een andere schade en een ander causaal verband aan de orde dan bij een klassieke ‘alles of niets’- benadering. Als schade geldt niet de door eiser gestelde ‘uiteindelijke schade’ (zoals het verlies van een procedure of vorderingsrecht), maar een verloren kans op een gunstiger uitkomst en bij het causaal (in de zin van
condicio sine qua non) verband gaat het niet om het oorzakelijk verband tussen de fout en de uiteindelijke schade, maar om het oorzakelijk verband tussen de fout en het verlies van een kans op het uitblijven van die uiteindelijke schade.
condicio sine qua non-verband tussen de onrechtmatige daad of wanprestatie en de schade aangenomen, tenzij de aansprakelijk gestelde persoon tegenbewijs levert, in die zin dat hij aannemelijk maakt dat de schade ook zonder de aan hem verweten normschending zou zijn ontstaan. [36] De omkeringsregel vormt dus een uitzondering op de hoofdregel van art. 150 Rv Pro inhoudende dat de eiser het causaal verband tussen de normschending en de schade moet bewijzen, in die zin dat zijn bewijsleveringslast wordt verlicht doordat dit causaal verband (voorshands) wordt aangenomen. Er is echter geen sprake van een omkering van de bewijslast, die zou inhouden dat het aan de aangesproken partij is om te bewijzen dat de schade
nietdoor de normschending is veroorzaakt; deze hoeft slechts tegenbewijs te leveren, oftewel aannemelijk te maken dat de schade ook zonder de normschending zou zijn ontstaan. [37]
Dicky Trading IIachtte Uw Raad de omkeringsregel (zoals deze overigens pas later is gaan heten [40] ) toepasselijk op de situatie waarin een notaris had nagelaten te wijzen op de risico’s verbonden aan bepaalde financiële transacties. [41] In latere arresten die betrekking hadden op medische aansprakelijkheidszaken heeft Uw Raad echter geoordeeld dat dergelijke verplichtingen tot informeren of adviseren over bepaalde risico’s er niet toe strekken de patiënt te beschermen tegen het intreden van die risico’s, maar beogen te waarborgen dat deze patiënt goed geïnformeerd kan beslissen. [42] Bij schending van deze verplichtingen is het risico dan ook niet dat de operatie slecht afloopt, maar dat de patiënt geen weloverwogen keuze heeft kunnen maken. [43] In het
Juresta-arrest [44] heeft Uw Raad deze lijn doorgetrokken naar beroepsaansprakelijkheid van een advocaat. In deze zaak had Juresta haar voormalig advocaat aangesproken, omdat deze haar niet had gewezen op de risico’s verbonden aan het executeren van een vonnis waartegen hoger beroep was ingesteld. Uw Raad oordeelde dat in dit geval geen plaats was voor toepassing van de omkeringsregel, omdat deze op de advocaat rustende informatieverplichting er niet toe strekt de cliënt te beschermen tegen die risico's, maar hem in staat te stellen goed geïnformeerd te beslissen. Het tekortschieten in de nakoming van deze informatieverplichting riep wel het risico in het leven dat de cliënt toestemming gaf die hij niet zou hebben gegeven indien hij goed geïnformeerd was, maar niet het risico dat zich daadwerkelijk had verwezenlijkt (de executie van een vonnis waartegen appel was ingesteld).
informed consent-zaken en
Jurestais gelegen, zijn verschillende antwoorden gegeven. Zo leggen Giesen en ook Akkermans en Van Dijk er de nadruk op dat in
Skeelerongevalsprake was van een veiligheidsnorm die ertoe strekte letsel te voorkomen. [46] Van Boom ontleent aan de rechtspraak van Uw Raad een onderscheid tussen informatie- of adviesverplichtingen enerzijds, die bij schending geen toepassing van de omkeringsregel meebrengen, en
waarschuwingsverplichtingen anderzijds. Deze laatste strekken mede ertoe het risico waarvoor wordt gewaarschuwd af te wenden door de beslissing van de gewaarschuwde te beïnvloeden: zij zijn dus indringender en gaan verder dan informatieverplichtingen. Dat verklaart volgens Van Boom dat de omkeringsregel bij schending van waarschuwingsverplichtingen wel aan de orde kan zijn. [47] Dat lijkt mij een aannemelijke en ook in andere gevallen bruikbare uitleg. [48]
Baijings/mr. H.-arrest: in eerste instantie is de alles of niets-benadering (in dat geval uitmondend in een ‘trial within a trial’) in beeld en wanneer zij niet leidt tot een bevredigende oplossing, komt eventueel alsnog de verlies van een kans-benadering in beeld in die gevallen waarin er weliswaar ‘te weinig’ is om de vordering volledig toe te wijzen, maar tegelijkertijd ‘te veel’ om haar geheel af te wijzen. Het lijkt mij goed dat hier te benadrukken, omdat hierover in de praktijk onduidelijkheid lijkt te bestaan. [51] Dat de rechter niet zonder meer op toepassing van het leerstuk van de kansschade mag ‘overschakelen’, houdt ook verband met fundamentele beginselen van procesrecht, onder meer het in art. 24 Rv Pro neergelegde beginsel dat de rechter beslist op grond van hetgeen partijen aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd: wanneer de eiser ‘alles’ (vergoeding van de ‘definitieve’ schade) vordert, dan heeft de rechter weliswaar de bevoegdheid om ook het mindere (vergoeding ter zake van verlies van een kans) toe te kennen, maar dat neemt niet weg dat hij eerst zal moeten beoordelen of ‘alles’ toewijsbaar is. [52]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1bevat een weergave van de bestreden rov. 3.8 en 3.9 van het hof en de daaraan voorafgaande rov. 3.5-3.7, die niet worden bestreden. Tegen rov. 3.8 en 3.9 richt het onderdeel vervolgens twee klachten:
Onderdeel 2bevat een rechtsklacht, eveneens gericht tegen rov. 3.8 en 3.9, inhoudende dat, als het oordeel van het hof zo moet worden gelezen dat het hof van een juiste bewijslastverdeling is uitgegaan en heeft geoordeeld dat [verweerster c.s.] erin is geslaagd te bewijzen dat causaal verband tussen de beroepsfout en de schade van [eiser] ontbreekt, [eiser] had moeten worden toegelaten tot tegenbewijs.
Onderdeel 3bevat een voortbouwende klacht: het slagen van (een van) de voorgaande klachten vitieert tevens rov. 3.13 en het dictum van het bestreden arrest.
condicio sine qua non-verband bestaat tussen fout en schade. Het belang van [eiser] bij toepassing is duidelijk: wanneer de omkeringsregel aan de orde zou zijn, zou causaal verband tussen de beroepsfout en de uiteindelijke schade van [eiser] gegeven zijn en zou het aan [verweerster c.s.] zijn om aannemelijk te maken dat causaal verband ontbreekt.
Juresta, worden afgeleid dat de beroepsfout in het onderhavige geval bestaat in schending van een algemene verplichting tot het verstrekken van informatie en het wijzen op risico’s verbonden aan persoonlijke gebondenheid van [eiser] . Een dergelijke verplichting strekt ertoe de cliënt in staat te stellen om een geïnformeerde keuze te maken, in dit geval in een onderhandelingsproces met betrekking tot een huurovereenkomst. De tekortkoming van [verweerster c.s.] heeft het risico in het leven geroepen dat [eiser] heeft ingestemd met een huurovereenkomst waarmee hij wellicht niet zou hebben ingestemd wanneer hij van het risico van persoonlijke gebondenheid op de hoogte was geweest. De advies- en informatieverplichting van [verweerster c.s.] strekt er echter niet toe hem voor persoonlijke gebondenheid te behoeden. In lijn met de in randnummers 3.11-3.12 besproken rechtspraak moet worden aangenomen dat de geschonden norm niet ertoe strekt de cliënt te beschermen tegen het risico dat zich in dit geval heeft verwezenlijkt, maar tegen het risico van een niet-geïnformeerde keuze, zodat voor toepassing van de omkeringsregel in dit geval geen aanleiding bestaat. In de klachten wordt ook niet gewezen op stellingen uit de gedingstukken in feitelijke instanties waarmee zou zijn betoogd dat hier sprake is van een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade en dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt. [57] Het verwezenlijkte risico en hetgeen de geschonden norm beoogt te voorkomen corresponderen, zo bekeken, niet met elkaar. Dat is wel nodig voor toepassing van de omkeringsregel. [58]
eerste klachtvan
onderdeel 1faalt. Er bestond in casu geen aanleiding de omkeringsregel toe te passen, nu er onvoldoende grond is om aan te nemen dat de geschonden norm ertoe strekte [eiser] voor persoonlijke gebondenheid te behoeden. Een andersluidend standpunt zou in strijd komen met het door Uw Raad in de hiervoor in randnummers 3.11-3.12 genoemde arresten tot uitdrukking gebrachte uitgangspunt dat het er bij advies- en informatieplichten om gaat de cliënt in staat te stellen een eigen, goed geïnformeerde beslissing te nemen om het advies al dan niet op te volgen. [eiser] heeft ook zelf gesteld dat hij behoefte had aan advies juist om met betrekking tot de huurovereenkomst een goed geïnformeerde beslissing te kunnen nemen. [59] Ook deze stellingen van [eiser] zelf wijzen erop dat de geschonden norm ertoe strekte hem in staat te stellen goed geïnformeerd te beslissen. Voor het hof bestond dus, in het licht van de eigen stellingen van [eiser] , geen reden om de omkeringsregel toe te passen. Daarmee faalt ook het op de omkeringsregel voortbouwende betoog ‘dat de bewijslast, dat [eiser] ook zonder de beroepsfout van [verweerster c.s.] de schade zou hebben geleden die hij – naar in cassatie vast staat – heeft geleden, bij [verweerster c.s.] ligt en dat [verweerster c.s.] dat bewijs niet heeft geleverd en dat zij ook niet heeft aangeboden dat bewijs te leveren’. [60]
tweede klachtvan het eerste onderdeel strekt ten betoge dat het hof [verweerster c.s.] op grond van de stellingen in randnummers 12-16 en 25 van de memorie van grieven het bewijs had moeten opdragen dat het causaal verband tussen de fout en de geleden schade ontbreekt. Ook deze klacht treft geen doel. De betreffende passages houden, zoals de klacht ook vermeldt, in dat [eiser] ten gevolge van de beroepsfout schade zou hebben geleden. Het hof heeft deze stellingen in zijn beoordeling betrokken (rov. 3.7), maar is gelet op de gemotiveerde betwisting van [verweerster c.s.] tot het oordeel gekomen dat onzeker is of de beroepsfout heeft geleid tot schade (rov. 3.8). De genoemde stellingen kunnen bij die stand van zaken niet de slotsom dragen dat het hof (op grond van de omkeringsregel of enige andere uitzondering op de hoofdregel van art. 150 Rv Pro) gehouden zou zijn om [verweerster c.s.] op te dragen te bewijzen dat het causaal verband tussen de beroepsfout en de geleden schade ontbreekt.
onderdeel 1zijn daarmee vergeefs voorgesteld.
onderdelen 1 en 2slagen, faalt ook de voortbouwende klacht van
onderdeel 3.