Sleutelstad Vastgoed B.V. vordert in een tweede schadestaatprocedure vergoeding van ontwikkelingswinst die zij zou hebben genoten als zij in 1996 een strook grond had verkregen en later ontwikkeld. Deze grond was in 1996 door NS in strijd met een voorkeursrecht verkocht aan de gemeente Leiden. In een eerdere schadestaatprocedure was de vordering van Sleutelstad afgewezen door het hof, dat oordeelde dat de winstpotentie niet in een concreet bedrag kon worden vastgesteld.
De rechtbank wees de vordering in de tweede schadestaatprocedure eveneens af en het hof bekrachtigde dit vonnis. Het hof stelde dat de tweede schadestaatprocedure een ander geding is dan de eerste en dat het arrest uit 2015, dat kracht van gewijsde heeft, gezag van gewijsde toekomt. De vordering in de tweede procedure betreft dezelfde schadepost - de gemiste ontwikkelingswinst - en is gebaseerd op hetzelfde schadeveroorzakende feit.
Sleutelstad stelde dat de tweede procedure een andere schadepost betreft en dat het hof hier nog niet over had beslist, maar dit werd verworpen. De Hoge Raad bevestigt dat opeenvolgende schadestaatprocedures tussen dezelfde partijen als aparte gedingen gelden en dat een in kracht van gewijsde gegaan vonnis in een schadestaatprocedure gezag van gewijsde toekomt in een volgende procedure.
Het cassatieberoep van Sleutelstad wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.