Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
onder 2-Iarichten zich tegen rechtsoverwegingen 1, 2, 9 en 12 van het arrest van het hof. Voor zover van belang luiden deze overwegingen als volgt:
onder 2-Iaheeft het hof in deze overwegingen miskend dat het arrest van 7 december 2021 ‘in gezag van gewijsde is gegaan’. Vervolgens citeert de klacht rechtsoverweging 12 van dat arrest met toevoeging van twee onderstrepingen:
geheel moet hebben geregeld. De vrouw zal vervolgens,
zodra de man haar heeft meegedeeld dat de financiering geheel is geregeld, moeten meewerken aan de levering van de onroerende zaak aan de man ingevolge deze verdeling. (…)’
onder 2-Iaheeft het hof miskend dat een kortgedingrechter zijn oordeel moet afstemmen op het oordeel van een bodemrechter en dat hij terughoudend moet oordelen over vorderingen die in geval van toewijzing verstrekkende gevolgen hebben, zoals de (terug)levering van een woning in deze zaak.
onder 1zal ik hierna inhoudelijk bespreken. De andere klachten voldoen namelijk niet aan de daaraan te stellen eisen. Die klachten doen eensdeels ten onrechte voorkomen alsof de juistheid van de uitleg die de vrouw aan het arrest van 7 december 2010 geeft, op voorhand gegeven is. In plaats daarvan diende de steller van het middel met voldoende precisie aan te geven waarom de door het hof aan dat arrest gegeven uitleg onbegrijpelijk is. Anderdeels zijn die klachten een herhaling van zetten van hiervoor reeds besproken klachten.
onder 1.Volgens die klacht is onbegrijpelijk dat het hof de enkele mededeling van de man aan de vrouw dat hij de benodigde financiering had geregeld, voldoende heeft geacht om aan de vereisten uit het arrest van 7 december 2021 te voldoen. Volgens de vrouw kan het arrest van 7 december 2021 in redelijkheid niet anders worden begrepen dan dat het hof daarin twee cumulatieve vereisten heeft gesteld: (i) de man moest de financiering van de woning tijdig geheel hebben geregeld en (ii) de man moest vervolgens aan de vrouw mededelen dat hij de financiering tijdig geheel had geregeld. De klacht is ongegrond omdat zij uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest van 7 december 2021 (en in het verlengde daarvan ook van een onjuiste uitleg van het bestreden arrest). In het arrest van 7 december 2021 moeten twee voorwaarden van elkaar worden onderscheiden. Allereerst is in dit arrest de opschortende voorwaarde geformuleerd voor toedeling van de woning aan de man. Die voorwaarde luidt dat de man de financiering van de toedeling van de woning aan hem geheel moet hebben geregeld. Daarnaast is in het arrest de voorwaarde geformuleerd waaronder de vrouw ‘vervolgens’ moet meewerken aan de levering van de woning aan de man. Deze voorwaarde houdt in dat de man tijdig aan de vrouw moet mededelen dat hij de financiering geheel heeft geregeld. Anders dan de vrouw aanvoert, zijn de twee vereisten uit het arrest van 7 december 2021 dus niet cumulatief: het ene vereiste ziet op de opschortende voorwaarde in het kader van de toedeling van de woning aan de man en het andere op de voorwaarde voor de verplichting van de vrouw tot medewerking aan de levering van de woning. Daarnaast betoogt de klacht dat het hof de enkele mededeling van de man dat hij de benodigde financiering had gerealiseerd niet voldoende mocht achten, gelet op het ‘verstrekkende rechtsgevolg (…) als hier aan de orde is (en waaraan de vrouw haar medewerking zou moeten geven)’. Vanwege dit verstrekkende rechtsgevolg had het hof volgens de vrouw tevens van de man moeten eisen dat hij tijdig verificatoire bescheiden van de door hem geregelde financiering aan haar overlegde. De vrouw vermeldt niet welk verstrekkende rechtsgevolg zij voor ogen heeft, maar uit de context maak ik op dat zij doelt op de toedeling van de woning aan de man. Opnieuw berust de klacht op een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Het hof heeft de toedeling van de woning namelijk niet afhankelijk gesteld van de mededeling door de man, maar van de voorwaarde dat de man de financiering geheel had geregeld. Pas als aan die voorwaarde is voldaan, wordt daarna de mededeling door de man aan de vrouw van belang, maar dan slechts voor het aannemen van een verplichting van de vrouw tot medewerking aan de levering van de woning aan de man. In de slotzin van overweging 12 (‘Bovendien, indien de man deze financiering niet zou hebben geregeld, zou de notaris het aandeel van de vrouw in de woning niet aan de man kunnen leveren en alsdan zou de man niet aan de opschortende voorwaarde voor toedeling aan hem hebben voldaan’) ligt besloten dat het hof van oordeel was dat het aannemen van die verplichting niet verstrekkend is: naar ’s hofs oordeel worden de belangen van de vrouw reeds afdoende beschermd doordat de notaris ter zake van de levering van de woning moet toetsen of de man de financiering heeft geregeld. Een en ander komt mij alleszins begrijpelijk voor.
onder 2-Ibrichten zich tegen rechtsoverwegingen 13 tot en met 20 van het arrest van het hof: [7]
Welk bedrag moet de man bij de levering van het aandeel van de vrouw in de woning aan hem voldoen?
onder 1kan de uitleg van rechtsoverwegingen 11 en 12 van het arrest van 7 december 2021 geen andere zijn dan dat alles in één keer moet worden afgewikkeld en dus ook datgene wat de vrouw aan hypothecaire financiering heeft moeten aangaan om de man destijds ter zake van de overbedeling uit te kopen. Mijns inziens is de uitleg die het hof aan het arrest van 7 december 2021 heeft gegeven, niet onbegrijpelijk. Volgens die uitleg heeft de zinsnede in rechtsoverweging 12 van dat arrest ‘de eventuele hypothecaire financiering die de vrouw is aangegaan’ slechts betrekking op dat gedeelte van de hypothecaire financiering dat verband houdt met de eerdere toedeling van de woning aan de vrouw. Voor deze uitleg pleit dat het arrest in rechtsoverweging 11 verwijst naar ‘een eventuele hypothecaire zekerheid die de vrouw in verband met de toedeling van de woning aan haar heeft verschaft’. De keuze van de vrouw om ook andere overbedelingscomponenten dan de woning te financieren met een hypothecaire lening heeft niet tot gevolg dat die componenten daarmee deel uitmaken van de financiering van de toedeling van de woning aan een der partijen. [8] De man is uiteraard wel gehouden het (volledige) bedrag te vergoeden dat de vrouw destijds ter zake van overbedeling aan de man heeft betaald, maar dit gedeelte van de afwikkeling van de echtscheiding maakt geen deel uit van (de financiering van) de toedeling van de woning. [9]
onder 2komt op hetzelfde neer als de klacht onder 1. De door het onderdeel aangehaalde overweging (‘Ter gelegenheid daarvan zal ook de eventuele hypothecaire financiering die de vrouw is aangegaan moeten worden afgewikkeld door voldoening van de vordering(en) van haar hypothecaire financier uit de gelden die zij van de man verkrijgt wegens overbedeling’) leidt niet tot een andere uitkomst. Met deze overweging heeft het hof kennelijk gedoeld op de huidige overbedeling van de man als gevolg van de toedeling van de woning aan hem en niet op de overbedelingsvergoeding die de vrouw aan de man heeft betaald wegens de toenmalige overbedeling van háár.
onder 3, 4 en 5betreffen alle een herhaling van zetten zonder dat daarover nog iets behoeft worden gezegd.
onder 7heeft het hof de devolutieve werking van het appel miskend, althans ten onrechte een essentiële stelling uit de kortgedingdagvaarding van de vrouw onbesproken gelaten. De vrouw refereert aan haar stelling over de vordering van de man in het petitum van de appeldagvaarding in de bodemprocedure: volgens deze stelling had de man aan zijn vordering, die strekte tot een veroordeling van de vrouw tot medewerking aan de levering van haar aandeel in de woning aan hem, de voorwaarde verbonden dat de vrouw werd ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire leningen van de woning. Zonder toelichting, die de steller van het middel ons niet geeft, gelukt het mij niet in te zien waarom dit een stelling is waarop het hof had moeten ingaan.
onder 8 tot en met 12betreffen enkel herhalingen van zetten respectievelijk voortbouwklachten.
onder 2-Icrichten zich tegen rechtsoverwegingen 23 tot en met 25 van het arrest van het hof, volgens welke de man tijdig de financiering heeft geregeld van het geldbedrag dat hij uit hoofde van de opschortende voorwaarde moet betalen aan de vrouw wegens de toedeling van de woning aan hem:
onder 2-Id,
2-Ieen
2-IIbetreffen voortbouwklachten en behoeven geen bespreking.
bij afzonderlijke bepalingeen executoriale titel verschaft. Zie ik het goed, dan heeft de vrouw dus in het geheel geen grond voor haar betoog dat de door haar bedoelde spiegelbeeldige situatie niet zou worden bereikt.
onder 2-IIIricht zich tegen een onderdeel van de feitenvaststelling door het hof onder 1 van het arrest:
onder 3.1dat het hof de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend. Volgens de klacht is het hof in zijn arrest ten onrechte voorbijgegaan aan de voorwaardelijke vordering die de vrouw in eerste aanleg heeft ingesteld. Ik citeer de omschrijving van deze vordering:
onder voorwaarde dat het gevorderde verbod tot levering van de woning aan [de man][de man, AG]
en de voorwaardelijke vordering tot het ongedaan maken van de leveringshandeling worden afgewezen, bij wijze van
voorschotop hetgeen hij krachtens overbedeling en onverschuldigde betaling aan [de vrouw] [de vrouw, AG] verschuldigd is, te veroordelen tot
betalingvan een bedrag ad EUR 800.000 (zegge: achthonderdduizend euro), althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;’
onder 3.2heeft het hof onbesproken gelaten de eisvermeerdering van de vrouw onder 51 van de memorie van antwoord:
primairEUR 986.704,42, derhalve de posten 1, 2, 3 en 6 zoals onder randnummer 16 van deze memorie van antwoord gesteld,
subsidiairzou de vordering tot het verkrijgen van vervangende toestemming, mocht uw hof van oordeel zijn dat [de vrouw] gehouden is haar medewerking te verlenen, slechts kunnen worden toegewezen tegen betaling van een bedrag ad EUR 965.000 en derhalve de posten 1, 2 en 3 zoals onder randnummer 16 van deze memorie van antwoord gesteld,
meer subsidiairzou hebben te gelden dat de vordering tot het verkrijgen van vervangende toestemming, mocht uw hof van oordeel zijn dat [de vrouw] gehouden is haar medewerking te verlenen, slechts kunnen worden toegewezen tegen betaling van een door uw gerechtshof in goede justitie te bepalen bedrag.’
onder 4behoeven geen afzonderlijke bespreking.
4.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
Welk bedrag moet de man bij de levering van het aandeel van de vrouw in de woning aan hem voldoen?
onder 1.3voeg ik nog toe dat de omstandigheid dat de notaris meende dat de man had voldaan aan de voorwaarden zoals in het arrest van 7 december 2021 gesteld, voor de uitleg van die voorwaarden niet van essentiële betekenis is. Het hof behoefde op hetgeen de man in dat verband had aangevoerd, dus niet uitdrukkelijk te reageren. De steller van het middel lijkt te veronderstellen dat uitleg naar objectieve maatstaven twijfel over de juiste uitleg uitsluit, althans twijfel bij een onbevooroordeelde derde (zoals een notaris). Dit dunkt mij onjuist. Een rechterlijke uitspraak kan wezenlijke onduidelijkheden en zelfs tegenstrijdigheden bevatten, want rechtspraak is mensenwerk. De beste uitleg naar objectieve maatstaven kan dat niet verhelpen en al helemaal niet steeds. Indien partijen geen rechtsmiddel tegen zo’n lacuneuze of innerlijk tegenstrijdige uitspraak aanwenden, zullen zij, alsook de rechter in een executiegeschil, het met de uitspraak zoals die er ligt moeten doen. Daarmee is gegeven dat een uitleg van een zodanige uitspraak door de executierechter, voor partijen en voor derden (waaronder een bij de zaak betrokken notaris) onvermijdelijk niet-vanzelfsprekende elementen zal kunnen bevatten. De suggestie van de klacht dat de uitleg door het hof van het arrest van 7 december 2021 niet begrijpelijk is
omdatde notaris van een andere uitleg uitging, is ondeugdelijk.
onder 1.5:in hetgeen het hof heeft overwogen, ligt de voldoende gemotiveerde verwerping van de in de klachten opgesomde stellingen besloten.