Conclusie
1.Feiten
het gaat om een boom die er slecht aan toe is en[waarnaar]
wel nodig (…) gekeken moet worden.”[3] Diezelfde dag, zo volgt uit het meldingsrapport, heeft [betrokkene 1] gesproken met [betrokkene 2], Werkleider Groen bij de Gemeente (hierna: ‘[betrokkene 2]’).
Aanleiding en doel
Teruglopende conditie
2.Procesverloop
“Wat opvalt is dat de paardenkastanje tijdens de VTA-controle is aangemerkt als 'risicoboom ’ met als advies de boom te onderwerpen aan een nader onderzoek. Helaas is de tak voordat dit onderzoek heeft plaatsgevonden afgebroken.”
Gelet op de leeftijd van de boom, de standplaats en gebruik van de openbare ruimte rond de boom en onder de boomkroon, was hier sprake van een situatie met een verhoogd risico. Dit was door de gemeente Zutphen bekend waardoor de boom, in het kader van de ‘Wettelijke zorgplicht’ dan ook al een ruim aantal jaren werd geïnspecteerd/gecontroleerd (…).”
onwaarschijnlijk” achtte dat er in 2013 en 2014 geen inspectie zou hebben plaatsgevonden, staat inmiddels vast dat de boom in die jaren niet is gecontroleerd (zie de laatste zin van rechtsoverweging 2.3. van het vonnis van de rechtbank). De eerstvolgende controle vond pas plaats op 24 februari 2015 (ruim vijf maanden vóór het ongeval). [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6]) van boomtechnisch onderzoeks- en adviesbureau Tree-O-Logic heeft de boom toen geïnspecteerd conform de zogeheten VTA- methode. Deze methode behelst een visuele controle vanaf het maaiveld waarbij wordt gelet op mogelijke uiterlijke kenmerken van aantastingen, schades en/of zwakheden waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij een risico/gevaar opleveren voor de directe omgeving van de boom. De bij deze inspectie eventueel te gebruiken gereedschappen zijn een houten hamer en een prikstok om het stambreukrisico respectievelijk het wortelgestel te onderzoeken. In zijn verslag naar aanleiding van die inspectie (zie memorie van antwoord, productie 3) schrijft [betrokkene 6] onder meer het volgende:
Conditie: matig (verminderde groeikracht, (te) geringe scheutlengte ontwikkeling, knop- e/o bladbezetting)
Nader onderzoek; stambreuk risico.” Zo’n nader onderzoek wordt volgens directeur [betrokkene 7] (hierna: [betrokkene 7]) van Tree-O-Logic geadviseerd wanneer een visuele beoordeling alleen niet volstaat om aan te geven in hoeverre een boom verzwakt is en of daardoor bepaalde veiligheidsgrenzen zijn overschreden (zie inleidende dagvaarding, productie 6c).
“geen aanleiding om een kapvergunning aan te vragen” en waren er bovendien
“geen aanvullende maatregelen nodig om de veiligheid rond de boom te kunnen garanderen”(zie zijn verklaring van 17 april 2019, overgelegd bij memorie van grieven, productie 1, bijlage 3). De bevindingen van [betrokkene 2] zijn toen niet schriftelijk vastgelegd.
“in feite” hetzelfde heeft gedaan als [betrokkene 6] in februari 2015, zonder daarbij aan te geven in welke zin zijn onderzoek dan feitelijk eventueel méér behelsde dan de inspectie van [betrokkene 6]. [verweerster] stelt mede daarom dat de inspectie van [betrokkene 2] niet als een nader – dat wil zeggen: nauwer, uitvoeriger – onderzoek kan worden aangemerkt. In dit verband wijst zij ook op de volgende passage uit het rapport van [betrokkene 4] (p. 7):
“Wat opvalt is dat de paardenkastanje tijdens de VTA- controle is aangemerkt als 'risicoboom ’ met als advies de boom te onderwerpen aan een nader onderzoek. Helaas is de tak voordat dit onderzoek heeft plaatsgevonden afgebroken.” Hoewel de Gemeente bestrijdt dat [betrokkene 2] geen nader onderzoek heeft verricht, heeft zij in hoger beroep uiteindelijk onvoldoende aangegeven in welk(e) opzicht(en) het onderzoek van [betrokkene 2] nauwer/uitvoeriger was dan de door [betrokkene 6] van Tree-O-Logic verrichte inspectie. Ook de door haar overgelegde verklaring van [betrokkene 7] (memorie van grieven, productie 1) en het rapport van [betrokkene 8] (hierna: [betrokkene 8]) van Terra Nostra (memorie van grieven, productie 2) bevatten namelijk geen informatie waaruit kan worden afgeleid of en, zo ja, in hoeverre de inspectie van [betrokkene 2] (in april 2015) méér behelsde dan het onderzoek van [betrokkene 6] (in februari 2015).”
die er slecht aan toe is en [waar] wel nodig naar gekeken [moet] worden” (productie 10 van de Gemeente in eerste aanleg). Samen met een collega heeft [betrokkene 2] daarom nog diezelfde dag het onderzoek herhaald dat hij in april 2015 verrichtte. Op onderstaande foto – waarvan in hoger beroep niet langer is betwist dat zij op 29 mei 2015 is gemaakt – is te zien hoe de boom er op dat moment ongeveer moet hebben uitgezien (de meest rechtse hoofdtak is uiteindelijk afgebroken).
Kastanje is een boom die vroeg uitloopt (...), medio april, en met het uitlopen vrijwel direct de scheutlengte voor het betreffende groeiseizoen vormt. Het blad is met binnen enkele weken volgroeit. Op de datum van de foto, circa 6 weken na het uitlopen, is de bladgrootte en bladbezetting maximaal. De foto laat een overwegend klein blad zien, een hoog transparante kroon met in de bovenzijde van de kroon een lagere bladbezetting. Bij de afgebroken gesteltak warden de toppen bladloos (…).” Zijn conclusie luidt dat bij een nieuwe beoordeling de conditieklasse ‘matig’ (zoals in februari 2015 door [betrokkene 6] vastgesteld op basis van het winterbeeld) aan de positieve kant maar acceptabel is.
de kroon geel werd” en dat “
de conditie van de boom was verminderd ten opzichte van de bomen ernaast” (memorie van grieven, productie 1, bijlage 3). Die naastgelegen bomen – zo schrijft Cobra boomadviseurs in haar rapport van 13 augustus 2015 – vormden vanwege hun sterk verminderde conditie overigens zélf al een verhoogd risico voor de omgeving (reden waarom Cobra ten aanzien van deze bomen adviseerde om onmiddellijk maatregelen te nemen). Deze conclusie van Cobra wordt door de Gemeente niet of nauwelijks weersproken.”
onveilig is onveilig”, zo heeft [betrokkene 2] deze beslissing tegenover [betrokkene 1] van de fluisterboot gemotiveerd; zie p. 23 van het proces-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg), heeft de Gemeente vervolgens nagelaten aanvullende (veiligheids)maatregelen te treffen. In de gegeven omstandigheden had dat echter wel van haar mogen worden verwacht, omdat de boom was gelegen op een erg drukke publieke locatie: de opstapplaats voor de fluisterboot. Onder de boom verzamelden zich in de zomermaanden dagelijks (en op verschillende tijdstippen) tientallen mensen die zich onvoldoende bewust zullen zijn geweest van de zwakke fysieke gesteldheid van de boom en daarom ook niet bedacht zullen zijn geweest op het gevaar dat schuilde in hun aanwezigheid onder die boom. De Gemeente heeft ook nagelaten voor dit gevaar te waarschuwen. Realiseert dat gevaar zich vervolgens (de boom valt om, of een deel ervan breekt af), dan zijn de gevolgen bovendien aanzienlijk (zoals in dit geval: letselschade). De Gemeente had daarom op/na 26 mei 2015 doortastender moeten optreden: in plaats van te volstaan met' (wederom) een visuele inspectie, had zij diepgaander onderzoek moeten verrichten naar de concrete risico’s van de kenbare (verdere) algehele verzwakking van de boom en mede aan de hand daarvan passende (veiligheids)maatregelen moeten treffen. Zij had daarbij niet alleen kunnen kiezen voor noodkap, maar bijvoorbeeld ook voor een minder vergaande maatregel als het (tijdelijk) verplaatsen van de opstapplaats van de fluisterboot in combinatie met het afzetten van het gebied rondom de boom. De Gemeente heeft onvoldoende gemotiveerd uiteengezet waarom dat in de gegeven omstandigheden praktisch of financieel bezwaarlijk was.”
NJ1982/614).
Onrechtmatige gevaarzetting en aansprakelijkheid voor schade door een omgevallen boom of afgebroken tak
Koproten
JMV/Zurichnaast de bezwaarlijkheid van voorzorgsmaatregelen ook de gebruikelijkheid ervan genoemd.[29]
contexthet gaat. Deze context bepaalt of met méér of minder risico genoegen moet worden genomen en daarmee of het vertrekpunt van de weging streng of juist minder streng is voor de gevaarzetter.[34] De bekendste voorbeelden in dit verband zijn de sport- en spelsituaties [35] en de ongelukjes in de particuliere sfeer (ook wel huis-, tuin- en keukenongelukjes genoemd),[36] die beide worden gekenmerkt door terughoudendheid bij het aannemen van aansprakelijkheid. Bij sport en spel spreekt Uw Raad van een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid.[37] Feitelijk, ook al wordt in de rechtspraak niet expliciet van een verhoogde drempel gesproken, geldt, zo wordt wel gesteld, ook een zekere verhoogde drempel bij de ongelukjes in de particuliere sfeer.[38] Bij sport en spel gaat het in de kern om de inherente aan de sport of het spel verbonden risico’s die deelnemers nu eenmaal hebben geaccepteerd. Bij ongelukjes in de particuliere sfeer speelt een tot op zekere hoogte vergelijkbare gedachte. We moeten ons als normale mensen kunnen gedragen; aansprakelijkheid zou inhouden dat de aangesprokene zich eigenlijk geforceerd, abnormaal zou hebben moeten gedragen. De risico’s van normaal menselijk gedrag hebben we in deze context dus te dragen. Een voorbeeld van een context waarin juist streng(er) voor de gevaarzetter wordt geoordeeld, is die van de arbeidsongevallen. In de kern gaat het bij art. 7:658 BW Pro, hoewel dat geen grondslag voor buiten-contractuele aansprakelijkheid oplevert, om gevaarzetting in een contractuele ‘setting’. Daarbij geldt onder meer volgens vaste rechtspraak van Uw Raad dat de werkgever bij de vraag tot welke zorg hij is gehouden, min of meer structureel rekening moet houden met mogelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid bij de werknemer.[39]
aard van de gedragingals wegingsfactor aangeduid.[40] Ik neem aan dat daarmee in wezen op de zojuist genoemde context wordt gedoeld.[41]
Plakoksel-arrest,[57] waarin het ging om de vordering van een inzittende van een auto die letsel opliep nadat op 28 mei 2000 tijdens een stormdepressie een tak van een beukenboom langs de provinciale weg afbrak en op de auto terechtkwam. Het bleek te gaan om een zogenaamd ‘plakoksel’ waarbij de aanhechting van de tak aan de hoofdstam van de boom zwak is. De gelaedeerde sprak de provincie aan op basis van art. 6:162 BW Pro wegens schending van haar zorgplicht. In twee instanties kreeg hij echter nul op het rekest. Uit de motivering van het hof blijkt dat het hof de consequenties van aansprakelijkheid in het onderhavige geval (ook in veel andere gevallen zou dan vanwege een plakoksel ofwel kap danwel het aanbrengen van een kroonverankering noodzakelijk zijn) te ver vond gaan:
4.Bespreking van het cassatiemiddel
in de gegeven omstandigheden” kon worden verwacht dat zij aanvullende (veiligheids)maatregelen zou treffen, hetgeen zij heeft nagelaten. In rov. 5.14. heeft het hof daaraan de conclusie verbonden dat de Gemeente jegens [verweerster] heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt, omdat de Gemeente onvoldoende (veiligheids)maatregelen had genomen om [verweerster] (en anderen) te beschermen tegen de gevaren van de zichtbaar verzwakte boom.
in de gegeven omstandigheden” naar het oordeel van het hof wel van de Gemeente worden verwacht, want (rov. 5.13.):
onveilig is onveilig”). In werkelijkheid was daarvan geen sprake: de inspectie door [betrokkene 2] kon gegeven de aard ervan (slechts visueel) immers geen nadere informatie over de omvang van het stambreukrisico opleveren.
subonderdeel 1.1betoogt de Gemeente, naar de kern, dat het hof heeft miskend dat het ook in zijn beoordeling omtrent (schending van) de gevaarzettingsnorm had moeten betrekken wat de grootte van de kans was dat het aan de situatie verbonden gevaar (in dit geval: de boom valt om door stambreuk of een van de takken breekt af) zich zou realiseren en daaruit ongevallen zouden ontstaan. Niet iedere vorm van gevaarzetting is immers onrechtmatig en niet ieder risico hoeft te worden weggenomen, aldus de Gemeente.
subonderdeel 1.2betoogt de Gemeente dat, voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Het hof heeft immers niet onderzocht hoe groot de kans was dat zich een gevaar zou realiseren (en in het bijzonder of zich een stam- of takbreuk zou voordoen), althans het hof heeft niet onderzocht of die kans zodanig groot was dat in de gegeven omstandigheden met het oog daarop voorzorgsmaatregelen moesten worden getroffen.
de grenzen van de zorgvuldigheidsnorm te wijd[hebben]
uitgezet”. Het gevolg hiervan is, volgens de Gemeente, een onevenwichtige risicoverdeling en een ongewenste toename van veiligheidskap.[62]
in de gegeven omstandighedenredelijkerwijs niet verantwoord was dat de Gemeente het – in dit geval serieus te nemen – risico op een ongeval of een stambreuk of takbreuk aanvaardde. Die omstandigheden gaven wel degelijk aanleiding voor het treffen van aanvullende (veiligheids)maatregelen in aanvulling op plaatsing op de kaplijst voor het najaar van 2015, want: (i) de boom werd bij eerdere inspecties en door geraadpleegde deskundigen aangeduid als een risicoboom en een boom met een verhoogd risico, (ii) de Gemeente werd geadviseerd om nader onderzoek te verrichten naar de omvang van het risico op een stambreuk, welk nadere onderzoek de Gemeente niet heeft uitgevoerd, (iii) de boom was gelegen op een drukke publieke locatie, (iv) er schuilde een gevaar in de aanwezigheid van het publiek onder de boom, waarop het publiek (bij gebreke van een waarschuwing) niet bedacht zal zijn geweest, (v) als dat gevaar zich zou realiseren (de boom valt om of een tak breekt af) zouden de gevolgen daarvan voor het publiek aanzienlijk zijn en (vi) de boom was, zo bleek uit wél uitgevoerd (visueel) onderzoek, in korte tijd verder verslechterd. Bij deze stand van zaken – die in de verste verte niet doorsnee is of zich op elke hoek van de straat voordoet – valt moeilijk te begrijpen dat de Gemeente het hof verwijt dat het eigenlijk heeft geoordeeld dat iedere kans op schade, ieder gevaar, haar tot maatregelen zou verplichten.
subonderdeel 1.3voert de Gemeente aan dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd voor zover het hof op basis van (een of meer van) de in rov. 5.5.-5.13. genoemde gegevens en verklaringen heeft geoordeeld dat de boom een zodanig verhoogde kans op stambreuk- of takbreuk had dat het treffen van maatregelen in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van zorgvuldigheid vereist was. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, volgt dit volgens de Gemeente in elk geval niet uit de gegevens en verklaringen die zij in dit subonderdeel heeft opgesomd ((i) tot en met (vii)). De Gemeente betoogt dat uit deze gegevens en verklaringen noch op zichzelf noch in onderling verband beschouwd op begrijpelijke wijze volgt dat voorafgaand aan het ongeval daadwerkelijk een verhoogde kans bestond op (i) de realisatie van het gevaar in het algemeen en (ii) stam- of takbreuk in het bijzonder, althans dat daaruit niet op begrijpelijke wijze volgt wat de grootte van de kans daarop was, laat staan dat daaruit op begrijpelijke wijze volgt dat die kans zo groot was dat de Gemeente, mede in verband met de overige omstandigheden van het geval, naar maatstaven van zorgvuldigheid was gehouden veiligheidsmaatregelen te nemen. Daarvoor noemt de Gemeente een zevental redenen (die ook weer zijn aangeduid als (i) tot en met (vii)).
subonderdeel 1.4betoogt de Gemeente dat de motivering van het hof eveneens tekortschiet, omdat het hof niet (kenbaar) is ingegaan op haar essentiële betoog dat uit de bevindingen van de geraadpleegde deskundigen zou volgen dat hier geen sprake was van (i) een verhoogd stambreukrisico/takbreukrisico of (ii) een acuut risico en dat (iii) het treffen van (nadere) veiligheidsmaatregelen niet noodzakelijk was.[64]
gevaar” en omschreven als: “
de boom valt om, of een deel ervan breekt af”), waarvan de precieze omvang weliswaar bij gebreke van een onderzoek dat daarop zicht had kunnen geven onduidelijk was maar dat de Gemeente, gegeven de overige omstandigheden, wel degelijk aanleiding had moeten geven om aanvullende (veiligheids)maatregelen te treffen. Dat de exacte omvang van het risico op dat moment niet duidelijk was, vindt zijn verklaring in het feit dat de Gemeente geen nader onderzoek had verricht, maar bleef volharden in visuele inspecties.
verhoogdstambreukrisico/takbreukrisico of zelfs een acuut risico. In het onrechtmatigheidsoordeel van het hof ligt een verwerping van stellingen (i) en (ii) besloten, die geen nadere motivering vergde. Voor wat betreft stelling (iii) geldt dat in het onrechtmatigheidsoordeel van het hof ligt besloten dat de juistheid van die stelling niet is gebleken. Nogmaals, het hof neemt juist tot uitgangspunt dat de Gemeente in de gegeven omstandigheden op/na 26 mei 2015 zonder meer aanvullende (veiligheids)maatregelen had moeten treffen. Dat het hof verder geen (kenbare) aandacht heeft geschonken aan dat betoog van de Gemeente is dus evenmin onbegrijpelijk.
subonderdeel 2.1betoogt de Gemeente dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd heeft miskend met zijn overweging in rov. 5.13. dat de Gemeente had kunnen kiezen voor het (tijdelijk) verplaatsen van de opstapplaats van de fluisterboot in combinatie met het afzetten van het gebied rondom de boom. [verweerster] heeft de mogelijkheid van deze (gecombineerde) (veiligheids)maatregel namelijk niet aangevoerd [65] en daarmee is het geen onderdeel geweest van het partijdebat. Volgens de Gemeente is daarom sprake van een ongeoorloofde verrassingsbeslissing.
voorbeeldvan een minder ingrijpende (veiligheids)maatregel (dan noodkap) waarvoor de Gemeente had kunnen kiezen. Het onrechtmatigheidsoordeel van het hof is niet gebaseerd op het nalaten om deze specifieke (veiligheids)maatregel te treffen. Daarop stuit de klacht af.
subonderdeel 2.2heeft het hof zijn oordeel in rov. 5.13. onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, inhoudende dat de Gemeente had kunnen kiezen voor noodkap en de Gemeente onvoldoende gemotiveerd heeft uiteengezet waarom noodkap in de gegeven omstandigheden praktisch of financieel bezwaarlijk was. De Gemeente geeft hiervoor de volgende redenen: (i) geen van de in subonderdeel 1.3 opgesomde gegevens en verklaringen hield in dat sprake was van een onveilige situatie die tot noodkap aanleiding gaf, (ii) de conditie van de boom gaf daartoe naar het oordeel van zowel Tree-O-Logic ([betrokkene 6]) als de Gemeente ([betrokkene 2]) geen aanleiding [67] – [betrokkene 2] heeft zelfs uitdrukkelijk verklaard dat geen sprake was van “
noodkapurgentie” [68] – en (iii) de Gemeente heeft erop gewezen dat noodkap slechts in zeer bijzondere gevallen plaatsvindt, [69] omdat als ieder risico reeds tot noodkap zou moeten leiden een groot deel van het bomenbestand binnen de Gemeente (en de rest van Nederland) zou moeten worden verwijderd, hetgeen zou leiden tot een onwenselijke daling van de hoeveelheid groen en bovendien financieel onhaalbaar zou zijn.[70]
subonderdeel 3.1een korte inleiding geeft. Dit onderdeel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.13. dat de Gemeente op/na 26 mei 2015 doortastender had moeten optreden. In plaats van te volstaan met (wederom) een visuele inspectie had de Gemeente volgens het hof diepgaander onderzoek moeten verrichten naar de concrete risico’s van de kenbare (verdere) algehele verzwakking van de boom en mede aan de hand daarvan passende (veiligheids)maatregelen moeten treffen. Volgens de Gemeente heeft het hof hiermee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Deze rechtsklacht wordt in subonderdelen 3.2, 3.3 en 3.5 nader uitgewerkt. In subonderdelen 3.4, 3.6 en 3.7 zijn motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof geformuleerd.
subonderdeel 3.2betoogt de Gemeente dat het hof met zijn genoemde oordeel in rov. 5.13. eraan voorbij ziet dat de gevaarzettingsnorm niet, althans niet zonder meer, op de laedens een onderzoeksverplichting legt met betrekking tot de omvang van de mogelijke concrete risico’s.
subonderdeel 3.3voert de Gemeente aan dat het hof in ieder geval eraan voorbij ziet dat, ter beantwoording van de vraag of op de laedens een onderzoeksverplichting rust, de concrete risico’s op het intreden van het gevaar moeten worden beoordeeld aan de hand van de vraag (i) in hoeverre niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid waarschijnlijk was, (ii) in hoeverre aannemelijk was dat het nader onderzoek zou uitwijzen dat maatregelen noodzakelijk waren, (iii) hoe ernstig de gevolgen van het niet nemen van mogelijk noodzakelijke maatregelen kunnen zijn en (iv) in hoeverre het doen van nader onderzoek bezwaarlijk was.
subonderdeel 3.5betoogt de Gemeente dat het hof eraan voorbij ziet dat schending van de onderzoeksverplichting eerst kan bijdragen aan het oordeel dat sprake is van schending van de gevaarzettingsnorm, indien het hypothetische onderzoek daartoe aanleiding zou geven. Volgens de Gemeente kan pas dan van schending van de gevaarzettingsnorm wegens schending van de onderzoeksverplichting worden gesproken als dat onderzoek tot de conclusie zou hebben geleid dat sprake is van een zodanig gevaar dat van de laedens het treffen van veiligheidsmaatregelen had mogen worden verwacht.
subonderdeel 3.4stelt de Gemeente aan de orde dat het oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat het hof niet (kenbaar) aan de hand van de in subonderdeel 3.3 opgesomde gezichtspunten heeft onderzocht of van de Gemeente een nader onderzoek naar de concrete risico’s op het intreden van het gevaar mocht worden verlangd. Het oordeel is volgens de Gemeente in ieder geval/temeer onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd in het licht van de door het hof niet bij zijn beoordeling betrokken stelling van de Gemeente dat (uit de bevindingen van de deskundigen volgt dat) (i) van een verhoogd stambreukrisico/takbreukrisico geen sprake was,[71] (ii) er evenmin sprake was van een acuut risico,[72] (iii) (nadere) veiligheidsmaatregelen niet noodzakelijk werden geacht [73] en (iv) nader onderzoek niet zou hebben uitgewezen dat (veiligheids)maatregelen noodzakelijk waren.[74]
subonderdeel 3.7betoogt de Gemeente dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat een nader onderzoek zou hebben geleid tot vergelijkbare conclusies als het rapport van Boomtotaalzorg en het Cobra-rapport en daaruit een zodanig risico op stam- of takbreuk volgt dat de Gemeente tot voorzorgsmaatregelen had moeten overgaan, dat oordeel onbegrijpelijk is. Dit licht de Gemeente als volgt toe: (i) beide rapporten dateren van ná het intreden van het ongeval en (ii) het rapport van Boomtotaalzorg spreekt enkel in zijn algemeenheid van een ‘verhoogd risico’ (rov. 5.5.), terwijl het Cobra-rapport ziet op de staat van andere bomen dan de boom van het ongeval en eveneens enkel in zijn algemeenheid spreekt van een ‘verhoogd risico’ voor de omgeving (rov. 5.1.).[76]