2.2.In het tussenvonnis van 20 december 2017 is de heer [naam] , manager/adviseur bij Tree-o-logic boomtechnisch onderzoek & advies te Harskamp, tot deskundige benoemd. Na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld te reageren op het conceptrapport heeft de deskundige op 11 april 2018 een definitief rapport opgesteld. Hieruit wordt geciteerd:
“3. Beantwoording vragen
(…)
1. Kunt u op basis van het voorhanden (beeld)materiaal aangeven of er in de zomer van 2015 bij de bovengrondse controle van de bomen aanwijzingen waarneembaar waren dat de bewuste zomereik verminderd stabiel en breukvast was?
Op basis van een visuele boomveiligheidscontrole volgens de gangbare VTA-methodiek (Visual Tree Assessment) waren aanwijzingen waarneembaar die zouden kunnen duiden op een verminderde stabiliteit en breukvastheid.
2. Zo ja, om welke waarneembare aanwijzingen gaat het?
Het gaat om de volgende visueel waarneembare aanwijzingen:
Holte en rotting in de stamvoet, zichtbaar boven maaiveld (zie bijlage foto 1)
Ingevallen zone aan de stamvoet aan de trekzijde van de boom (dit in tegenstelling tot de naast staande bomen die dit gebrek niet vertonen). Gezien de groei- en standplaats zouden juist aan deze zijde van de boom duidelijk zichtbare wortelaanzetten aanwezig moeten zijn, zoals zichtbaar bij de naast staande bomen (zie bijlage, foto 2)
Een boven maaiveld zichtbare zone van door en ingevallen bas[t]weefsel (zie bijlage, foto 3)
Een vezelknik, grenzend aan de zone dood en ingevallen bastweefsel (zie bijlage, foto 3). Een vezelknik kan duiden op een inwendig defect.
3. Duiden deze aanwijzingen op een noodzaak om over te gaan tot het direct verwijderen van de bewuste zomereik of op een noodzaak tot onderhoud?
Deze aanwijzingen hoeven niet gelijk te duiden op een noodzaak tot het direct verwijderen van de zomereik. Vanuit de systematiek die bij de visuele boomveiligheidscontrole wordt toegepast en aan een gecertificeerde boomveiligheidscontroleur wordt geleerd, dient bij het constateren van de gebreken genoemd onder vraag 2, een nader onderzoek uitgevoerd te worden naar het mogelijke risico van instabiliteit en/of breuk.
De gebruikelijke urgentie die wordt gehanteerd bij het uitvoeren van nader onderzoek is een termijn van 3 maanden. Pas na uitvoering van dit nader onderzoek kan een uitspraak worden gedaan over welke maatregelen noodzakelijk zouden zijn. Genoemde stappen sluiten ook aan bij de omschrijving van de zorgplicht.
Samenvattend had bij de omgewaaide eik, op basis van de visueel waarneembare aanwijzingen, tenminste een nader onderzoek uitgevoerd dienen te worden.
4. In het laatste geval, waaruit zou dat onderhoud hebben moeten bestaan? Zou dat onderhoud ook kunnen hebben bestaan uit frequentere controle en, zo ja, in welke frequentie?
Wanneer het nader onderzoek, genoemd bij vraag 3, zou zijn uitgevoerd had dit geleid tot 2 soorten maatregelen, namelijk:
Óf het zodanig innemen van de kroon dat de (wind)belasting gereduceerd wordt, waardoor het risico op instabiliteit of breuk verwaarloosbaar wordt. Daarbij dient de boom aangemerkt te worden als attentieboom met een frequentere (jaarlijkse) controle, om de voortgang van het rottingsproces in de stamvoet te blijven monitoren;
Óf het verwijderen van de boom als dit vanuit het nader onderzoek noodzakelijk bleek te zijn.
5. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn?
Niet alle achteraf geconstateerde gebreken waren vooraf visueel waarneembaar of zouden duiden op verminderde stabiliteit of breukvastheid. Dit geldt bijv. voor het asymmetrische patroon van de jaarringen en het afwijkende bastpatroon. Het asymmetrische patroon van de jaarringen kan ook positief uitgelegd worden, omdat achteraf zichtbaar is dat de boom het meeste hout ontwikkeld heeft aan de trekzijde van de boom, en daarmee geprobeerd heeft zolang mogelijk stabiel te blijven staan. Dit geld ook voor het waarnemen van een afwijkend bastpatroon, wat er ook op kan duiden dat de boom zich door aanmaak van reactiehout aanpast aan de groeiplaatsomstandigheden, of afbraak van hout compenseert door aanmaak van nieuw hout.
Achteraf blijkt, en dat zou ook gebleken zijn uit een uitgevoerd nader onderzoek, dat deze gebreken echter wel hebben bijgedragen aan een verminderde stabiliteit/breukvastheid en daarom maatregelen vereist waren om dit risico op te heffen.
De zomereik vertoonde een goede conditie (zichtbaar aan de dichte bladbezetting en niet afwijkend van naast staande bomen), waardoor bij een visuele boomveiligheidscontrole gedacht kan worden dat het met de zichtbare gebreken meevalt. Een goede conditie (biologisch aspect) hoeft echter niets te zeggen over de stabiliteit en breukvastheid van de boom (mechanische aspecten).
Onderstaand wordt afzonderlijk ingegaan op de vijf punten vanuit de reactie van Van Veen Advocaten (de advocaat van de [naam gedaagde] ,
toevoeging rechtbank) op de conceptrapportage.
1. De holte zou zijn ’uitgekrabd’, waardoor deze meer zou opvallen dan in de zomer van 2015.
Het mogelijk ‘uitkrabben’ van de holte heeft vrijwel geen invloed op de zichtbaarheid. Ook al zou de holte zijn ‘uitgekrabd’, dan was deze nog boven maaiveld zichtbaar. Er loopt ook een duidelijke ‘scheurlijn’ in de bast naar de holte toe (zie foto 2). Wanneer deze bij een visuele controle was ‘gevolgd’ naar beneden toe, was de holte niet te missen geweest.
2. De stamvoet zou zijn schoongespoeld door neerslag, waardoor het mogelijk lijkt dat de holte in de zomer van 2015 boven maaiveld zichtbaar was.
Bij het bezoek aan de locatie was de stam inmiddels begroeid met gras, bramen, mos, etc. Schoonspoelen is daarom niet aan de orde.
3. Er zouden bij een aantal andere bomen een zelfde mate van inzinking aanwezig zijn, waarvan evenmin nader onderzoek zou zijn geïndiceerd.
De genoemde inzinking bij de andere bomen is een normaal patroon tussen twee wortelaanzetten van stabiliteitswortels. De dode en ingevallen bastzone bij de omgewaaide boom is echter van een ander orde, welke bij geen van de andere bomen gesignaleerd is.
Een deskundig controleur wordt geacht deze verschillende gebreken te kunnen herkennen en daaraan de juiste conclusie te verbinden.
(…)
4. De omgewaaide boom zou aan twee zijden van de inzinking sterke ‘benen’ (trekwortels) hebben gehad, waarvan één (zichtbaar op foto 1) nog recht omhoog steekt.
Dit is onjuist. Vanaf de holte tot en met de ingevallen en dode bastzone zijn geen trekwortels aanwezig. Dit is duidelijk zichtbaar op foto 1. De enige intacte trekwortel steekt omhoog, deze is tijdens de val van de boom ‘meegetrokken’. Indien nader onderzoek zou zijn uitgevoerd, zou dit ook naar voren zijn gekomen.
5. De interpretatie met betrekking tot de constatering ‘wijsheid achteraf’.
(…) Wanneer door een deskundige (…) een controle uitgevoerd was, had tenminste één van de maatregelen genoemd onder vraag 4 (pagina 7) uitgevoerd moeten worden.
(…)”