Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Inleidende beschouwingen
bepaaldetijd. Er bestond toen al een vorm van nawerking. [2] De Krankzinnigenwet kende geen beslistermijn voor de rechtbank wanneer een rechterlijke machtiging werd gevorderd. [3] Deze wet bevatte wel bepalingen over het tijdstip van indiening van een vordering tot het verlenen van een aansluitende machtiging tot voortgezet verblijf in een gesticht. [4] Niet alleen de Krankzinnigenwet, maar ook het bepaalde in art. 5, lid 1, aanhef en onder e, EVRM bracht mee dat ook de voortzetting van een rechtmatig aangevangen vrijheidsbeneming op grond van geestesstoornis periodiek moet kunnen worden getoetst. [5]
vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtigingdoor de officier van justitie een vordering (later: een verzoekschrift [7] ) is ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis. In dat geval bleef de rechtmatige vrijheidsbeneming (het onvrijwillig verblijf van de patiënt in het ziekenhuis) voortduren. De geneesheer-directeur verleende alsnog ontslag uit het ziekenhuis (i) indien de rechter de vordering van de officier van justitie afwijst of (ii) indien de voor de rechtbank geldende beslistermijn is overschreden. Op het laatstgenoemde voorschrift werd in het tweede lid van art. 48 Wet Pro Bopz een uitzondering gemaakt voor die gevallen waarin de rechtbank de beslistermijn heeft overschreden als gevolg van het horen van een deskundige
op verzoek van de patiënt.
nadatde geldigheidsduur van de vorige machtiging was verstreken, niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van die vordering. [11] De kernoverweging luidde als volgt:
voordatde geldigheidsduur van de bestaande machtiging is verstreken. Ik citeer:
schemazetten als volgt:
aanvankelijkop de grondslag van de bestaande machtiging kon worden voortgezet (omdat de OvJ zijn vordering heeft ingediend vóórdat de bestaande machtiging was verstreken), maar na het overschrijden van de beslistermijn door de rechtbank
alsnogeen verplichting voor de geneesheer-directeur ontstond om ontslag uit het ziekenhuis te verlenen. Art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz beschrijft immers in één artikelonderdeel twéé peildata waarop de geneesheer-directeur het verlenen van ontslag in overweging moet nemen. Dit wettelijk voorschrift vergt een zeer alerte patiëntenadministratie en een actieve opstelling van de geneesheer-directeur.
nadatde looptijd van de bestaande machtiging is verstreken, roept conceptueel de vraag op, hoelang dit nog mogelijk blijft: slechts bij overschrijding van de indieningstermijn met enkele dagen of ook in het geval dat de OvJ pas maanden later een machtiging tot voortgezet verblijf vordert?
nadatde geldigheidsduur van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is verstreken, wordt de voorlopige machtiging niet verleend voor een tijdvak dat langer is dan ten hoogste zes maanden na de dag waarop de voortgezette inbewaringstelling eindigde. [16] Het stelsel van de Wet Bopz voorziet niet in de mogelijkheid dat de rechter een voorlopige machtiging laat ingaan op een datum die is gelegen voor die van de beschikking waarbij die machtiging wordt verleend. [17]
zes maanden, indien het doel van verplichte zorg de gronden, bedoeld in artikel 3:4, onderdelen b, c, d en e, betreft;
twaalf maanden, indien het een zorgmachtiging betreft die aansluit op een zorgmachtiging als bedoeld in onderdeel a.
nietworden voortgezet op de grondslag van de vervallen machtiging. [27] Let wel: niet alleen de vrijheidsbeneming, maar bijvoorbeeld ook de gedwongen toediening van medicatie op de grondslag van de alsdan vervallen machtiging moet dan onmiddellijk worden gestaakt. Vanzelfsprekend kan de zorgverlening (in een accommodatie of ambulant) wel worden voortgezet op vrijwillige basis: dan is geen sprake meer van ‘verplichte’ zorg. Aan ‘nawerking’ van de bestaande zorgmachtiging komt men in het huidige wettelijke stelsel dus niet toe.
schemazetten als volgt:
definitief(onherroepelijk) heeft beslist op het verzoek om een nieuwe, aansluitende zorgmachtiging: een onderscheid dat van belang is indien tegen de beslissing op dat verzoek met succes cassatieberoep wordt ingesteld en, na vernietiging en verwijzing, een andere rechter opnieuw over hetzelfde verzoek van de officier van justitie een beslissing neemt? [28]
sowieso. Wel rijst dan nog de curieuze vraag of de bestaande zorgmachtiging mag worden ‘opgebruikt’ totdat de looptijd daarvan is verstreken, dan wel de regel van art. 6:6 onder Pro a Wvggz prevaleert die inhoudt dat de bestaande machtiging van rechtswege vervalt zodra de rechtbank op het verzoek van de officier van justitie een beslissing heeft genomen.
machtiging tot voortzetting van de crisismaatregelheeft een geldigheidsduur van drie weken na de dagtekening daarvan (zie art. 7:9 Wvggz Pro). Art. 7:10, aanhef en onder a, Wvggz bepaalt dat de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel vervalt indien de geldigheidsduur is verstreken, tenzij de officier van justitie
voordat de geldigheidsduur is verstrekeneen verzoekschrift voor een zorgmachtiging als bedoeld in art. 7:11 Wvggz Pro bij de rechter heeft ingediend. In dat geval vervalt de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel zodra de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of door het verstrijken van de (beslis-)termijn, bedoeld in art. 6:2, eerste lid onder b.
Machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel: geldigheidsduur
onderscheidenlijk, zodra de rechter onder toepassing van artikel 6:2, vijfde lid, op het verzoekschrift heeft beslist.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
achtdagen heeft bekort (rov. 2.7).
envóórdat de looptijd van de bestaande zorgmachtiging is verstreken, is ‘nawerking’ van de eerder verleende zorgmachtiging niet aan de orde. In die situatie kan mijns inziens een aansluitende zorgmachtiging worden verleend met een geldigheidsduur van 12 maanden.
quasi-terugwerkende wijze van berekening is dat de rechter, door de ‘onderbreking’ in mindering te brengen op de maximum-geldigheidsduur, hiermee kan bewerkstelligen dat de door de wetgever beoogde frequentie van een rechterlijke toetsing van de noodzaak van het voortzetten van de verplichte zorg enigszins wordt hersteld. Als de rechter twijfelt of de patiënt tijdens die onderbreking zich echt niet heeft verzet tegen de zorg die hem is aangeboden, zou daarvoor aanleiding kunnen bestaan. Ik ga niet zover dat de Hoge Raad dit standaard zou moeten voorschrijven, ook met het oog op het aanhangige wetsvoorstel waarin de vaste beslistermijn voor sommige situaties zal worden veranderd in ‘zo spoedig mogelijk’. [37]