ECLI:NL:HR:2011:BP2314
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Voorwaardelijke machtiging en vrijwillig verblijf in psychiatrisch ziekenhuis in afwachting van woonruimte
Betrokkene werd op grond van een voorlopige machtiging onvrijwillig opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis tot 23 september 2010. Op 15 september 2010 verzocht de officier van justitie de rechtbank om een voorwaardelijke machtiging toe te kennen. De rechtbank behandelde dit verzoek op 30 september 2010 en hoorde daarbij betrokkene, zijn advocaat en de behandelend arts. De advocaat voerde aan dat betrokkene voorlopig in het ziekenhuis moest verblijven omdat hij geen eigen woonruimte had en dat de machtiging niet in het ziekenhuis kon worden uitgevoerd.
De rechtbank wees het verzoek niet af en verleende de voorwaardelijke machtiging tot uiterlijk 18 maart 2011. Zij overwoog dat een voorwaardelijke machtiging ook in het ziekenhuis ten uitvoer kan worden gebracht wanneer betrokkene op grond van artikel 14d Wet BOPZ vrijwillig in het ziekenhuis verblijft in afwachting van woonruimte. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat het vrijwillig verblijf in het ziekenhuis in afwachting van woonruimte geen belemmering vormt voor de toewijzing van een voorwaardelijke machtiging, mits aan de wettelijke eisen is voldaan.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de voorlopige machtiging eindigde op 23 september 2010, waarna de voorwaardelijke machtiging van toepassing werd. Het oordeel van de rechtbank dat betrokkene op 30 september 2010 vrijwillig in het ziekenhuis verbleef, was niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde de rechtmatigheid van de voorwaardelijke machtiging.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat vrijwillig verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis in afwachting van woonruimte de toewijzing van een voorwaardelijke machtiging niet verhindert.