ECLI:NL:HR:2007:BA3535

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R07/059HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet BopzArt. 21 lid 1 Wet BopzArt. 27 Wet BopzArt. 30 Wet BopzArt. 31 lid 2 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg en tijdige indiening van verzoek tot verlenging voorlopige machtiging in psychiatrisch ziekenhuis

De zaak betreft de interpretatie van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) met betrekking tot de verlenging van een voorlopige machtiging tot voortzetting van een inbewaringstelling. De burgemeester gaf op 10 december 2006 een last tot inbewaringstelling van betrokkene, waarna de officier van justitie op 11 december 2006 een verzoek indiende tot voortzetting van deze inbewaringstelling. De rechtbank verleende op 12 december 2006 een machtiging tot voortzetting voor drie weken.

Op 2 januari 2007 vroeg de officier van justitie een voorlopige machtiging aan voor voortzetting van het verblijf van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene stelde dat dit verzoek te laat was ingediend omdat de eerdere machtiging op 1 januari 2007 zou zijn verlopen. De rechtbank wees dit verweer af en verleende op 16 januari 2007 de voorlopige machtiging voor zes maanden.

De Hoge Raad bevestigde dat de termijn van drie weken na dagtekening van de machtiging niet de dag van dagtekening zelf omvat, waardoor het verzoek van 2 januari 2007 tijdig was. De uitleg van de rechtbank dat de machtiging terstond rechtskracht heeft maar de dag van dagtekening niet wordt meegerekend bij de berekening van de geldigheidsduur, is correct. Het beroep van betrokkene werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat het verzoek tot verlenging van de voorlopige machtiging tijdig is ingediend.

Uitspraak

8 juni 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R07/059HR
MK
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Betrokkene],
wonende te [woonplaats], thans verblijvende te Amsterdam in Verpleeghuis Tabitha,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt,
t e g e n
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. D. Stoutjesdijk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.
1. Het geding in feitelijke instanties
Op 10 december 2006 heeft de burgemeester van de gemeente Amsterdam ten aanzien van betrokkene een last tot inbewaringstelling op grond van art. 20 Wet Pro Bopz gegeven.
De officier van justitie heeft op 11 december 2006 onder overlegging van de beschikking tot inbewaringstelling en de geneeskundige verklaring als bedoeld in art. 21 lid 1 Wet Pro Bopz een verzoek ingediend bij de rechtbank Amsterdam tot het verlenen van een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling.
Nadat de rechtbank betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en de behandelend arts had gehoord, heeft zij bij beschikking van 12 december 2006 de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling voor de duur van drie weken verleend.
Bij verzoekschrift van 2 januari 2007 heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht, onder overlegging van een geneeskundige verklaring, een behandelplan en de aantekeningen als bedoeld in art. 37a Wet Bopz, een voorlopige machtiging te verlenen tot het doen voortduren van het verblijf van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis.
De rechtbank heeft, na betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en de behandelend psychiater te hebben gehoord, bij beschikking van 16 januari 2007 de voorlopige machtiging voor de duur van zes maanden verleend.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft een verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij beschikking van 10 december 2006 heeft de burgemeester, om 14.22 uur, op de voet van art. 20 leden Pro 1 en 2 Wet Bopz last gegeven tot inbewaringstelling van betrokkene die zich toen bevond in Onderzoeksruimte Spoedeisende Psychiatrie van Mentrum te Amsterdam.
(ii) Betrokkene is diezelfde dag, om 18.35 uur, ingevolge deze last opgenomen in Mentrum, locatie TOA te Amsterdam.
(iii) De officier van justitie heeft op 11 december 2006 de rechtbank verzocht om voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene, die toen verbleef in Mentrum, Ouderenkliniek, locatie Robert Kochplantsoen 19 te Amsterdam.
(iv) Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 12 december 2006 heeft de rechtbank op de voet van art. 27 Wet Pro Bopz machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van drie weken.
(v) De officier van justitie heeft op 2 januari 2007 bij dit geding inleidende verzoekschrift de rechtbank verzocht voorlopige machtiging te verlenen tot het doen voortduren van het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis; hij verbleef op dat moment in het AMC de Meren, locatie Ouderenkliniek te Amsterdam.
(vi) Bij de mondelinge behandeling ter zitting van de rechtbank op 16 januari 2007 heeft de advocaat van betrokkene - voorzover in cassatie van belang - subsidiair, bij toewijzing van het inleidende verzoek, gevraagd de duur van de machtiging te beperken omdat de termijn van de, hiervoor onder (iv) vermelde, machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene op 1 januari 2007 was verlopen zodat het verzoek van de officier van justitie op 2 januari 2007 te laat was ingediend en dit diende te worden gecompenseerd.
3.2 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking op de voet van art. 2 in Pro verbinding met art. 31 Wet Pro Bopz voorlopige machtiging verleend tot het doen voortduren van het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van zes maanden. Het hiervoor genoemde subsidiaire verweer van betrokkene heeft zij als volgt verworpen:
"Gelet op artikel 30 van Pro de Wet BOPZ waarin staat vermeld dat de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling een geldigheidsduur heeft van drie weken na haar dagtekening en dat de termijn van de voorafgaande machtiging in de onderhavige zaak is geëxpireerd op 2 januari 2007 overweegt de rechtbank dat het onderhavige verzoek tijdig is ingediend."
3.3.1 Het middel komt hiertegen op met het betoog dat de wijze waarop de rechtbank de woorden "drie weken na haar dagtekening" uitlegt, onjuist is, omdat de beschikking houdende machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling terstond rechtskracht krijgt en de uitleg van de rechtbank in strijd met het systeem van de wet een verlenging van de duur van de door de rechter bepaalde vrijheidsbeneming meebrengt, namelijk tot 22 dagen.
3.3.2 Dit betoog is onjuist. Ingevolge art. 30 heeft Pro een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van de betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis waarin deze verblijft, een geldigheidsduur van drie weken na haar dagtekening. Bij de uitleg hiervan moet worden aangesloten bij hetgeen onder deze zinsnede elders in de wet wordt verstaan (bijv. art. 10 lid 4 bij Pro de voorlopige machtiging; art. 14c lid 1 bij de voorwaardelijke machtiging en art. 17 lid 3 bij Pro de machtiging tot voortgezet verblijf). Evenals ten aanzien van die bepalingen het geval is, moet "na haar dagtekening" in art. 30 zo Pro worden verstaan, dat een machtiging weliswaar terstond na de uitspraak van de rechter van kracht wordt, en dus voor tenuitvoerlegging vatbaar, maar dat voor de berekening van de einddatum van de machtiging de dag waarop de beschikking is gedagtekend niet wordt meegeteld.
3.4 Een en ander betekent in het onderhavige geval dat de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis weliswaar op 12 december 2007 van kracht werd, maar dat de geldigheidsduur van deze machtiging op grond van art. 30 Wet Pro Bopz eindigde op 2 januari 2007 en dat het verzoek van de officier van justitie tot verlening van een voorlopige machtiging overeenkomstig het voorschrift van art. 31 lid 2 Wet Pro Bopz dus tijdig is ingediend, te weten: vóór het einde van de geldigheidsduur van de lopende machtiging.
Onder deze omstandigheden kan, anders dan het middel doet, niet worden gesproken van een vrijwillig verblijf van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis over de periode van 2 tot en met 16 januari 2007, de datum van de dagtekening van de bestreden beschikking.
Het voorgaande brengt mee dat het middel faalt.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 8 juni 2007.