Uitspraak
verblijvende te [woonplaats],
gevestigd te Utrecht,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
9 oktober 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf op grond van artikel 24 Wzd Pro kan worden toegewezen indien het verzoek na het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging is ingediend. Tevens was de vraag aan de orde of de rechtbank mocht anticiperen op de voorgenomen wettelijke gelijkstelling van de ziekte van Huntington als gelijkgestelde aandoening.
De feiten betroffen een machtiging tot voortzetting van inbewaringstelling die op 17 februari 2020 verliep. Het CIZ diende het verzoek tot machtiging voortgezet verblijf pas op 12 maart 2020 in, dus na het verstrijken van de vorige machtiging. De rechtbank verleende desalniettemin een machtiging tot 1 oktober 2020. De Hoge Raad overwoog dat de termijnoverschrijding niet aan verlening in de weg staat, maar dat de periode waarin betrokkene zonder rechterlijke machtiging verbleef in mindering moet worden gebracht op de geldigheidsduur van de aansluitende machtiging.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de rechtbank mocht anticiperen op de aangekondigde gelijkstelling van de ziekte van Huntington in het Besluit zorg en dwang, aangezien betrokkene daadwerkelijk aan deze ziekte lijdt en de voorwaarden van artikel 1 lid 4 Wzd Pro waren vervuld.
De Hoge Raad vernietigde de beschikking van de rechtbank voor zover deze de geldigheidsduur van de machtiging tot voortgezet verblijf betrof en bepaalde dat de machtiging geldig was tot en met 17 augustus 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalde dat de machtiging tot voortgezet verblijf geldig is tot en met 17 augustus 2020, waarbij de periode van onrechtmatige opname in mindering is gebracht.