Uitspraak
verblijvende te [plaats],
zetelende te Arnhem,
1.Het geding tot dusverre
2.Het tweede geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
10 april 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake de toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de beslistermijn voor een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz).
De rechtbank had de machtiging verleend met vertraging, waarna betrokkene hoger beroep instelde tegen de afwijzing van zijn schadevergoedingsverzoek. Het hof oordeelde dat de overschrijding niet leidde tot toekenning van schadevergoeding omdat betrokkene onvoldoende nadeel had aangetoond. De Hoge Raad stelt dat bij overschrijding van de beslistermijn sprake is van immaterieel nadeel door onzekerheid over de rechtmatigheid van het verblijf, waardoor betrokkene aanspraak kan maken op vergoeding.
Verder bevestigt de Hoge Raad dat de Algemene termijnenwet (ATW) van toepassing is op de beslistermijn, ondanks dat het om een termijn van vrijheidsbeneming gaat. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling en beslissing over schadevergoeding wegens overschrijding van de beslistermijn.