Conclusie
OK) heeft overwogen dat het gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, erop neerkomend dat de meerderheidsaandeelhouder tevens bestuurder van de B.V. handelingen heeft verricht waarmee hij zichzelf heeft bevoordeeld en waarmee hij de vennootschap en de minderheidsaandeelhouder heeft benadeeld, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, indien de minderheidsaandeelhouder zou worden veroordeeld tot levering van de aandelen tegen een prijs die uitgaat van een waardering die in sterke mate is beïnvloed door de benadelende handelingen van de meerderheidsaandeelhouder. De OK heeft een deskundige benoemd die de waarde van de over te dragen aandelen dient te berekenen met inachtneming van deze bijzondere omstandigheden. De deskundige waardeert de aandelen in zijn deskundigenbericht op € 157,94 per aandeel. De OK stelt de prijs uiteindelijk vast op € 142,10 per aandeel.
at arm’s length) aangegane transacties van de vennootschap waarmee de meerderheidsaandeelhouder(/bestuurder) direct of indirect (via met hem verbonden vennootschappen) waarde aan de vennootschap heeft onttrokken ten nadele van de vennootschap en de andere aandeelhouder (zogeheten ‘tunneltjes graven’) laten de wet, wetsgeschiedenis en rechtspraak met betrekking tot de wettelijke uitkoopregeling de OK in het kader van de waardering bij het vaststellen van de prijs van de over te dragen aandelen op de voet van art. 2:201a lid 5 BW ruimte voor, kort gezegd, een op de redelijkheid gestoeld correctiemechanisme over de band van “normalisering” van de op de vennootschap (onderneming) van toepassing zijnde omstandigheden. Dat is de benadering die de OK in deze zaak in essentie en als zelfstandig dragend heeft gevolgd binnen de kaders van de uitkoopregeling, zonder daarbij blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting of een ontoereikende motivering. Toepassing al dan niet naar analogie van (elementen uit) de wettelijke geschillenregeling, waarvan de billijke verhoging-faciliteit in art. 2:343 lid 4 BW Pro deel uitmaakt, is daarbij niet aan de orde.
1.De feiten
tussenarrest). [1]
[A]) bedraagt € 5.013.600,-- en is verdeeld in 240.000 gewone aandelen op naam met een nominale waarde van € 20,89 per aandeel. Per de datum van de dagvaarding (zie ook onder 2.1) bedraagt het geplaatste aandelenkapitaal van [A] € 1.002.720,--. In totaal zijn 48.000 aandelen in het kapitaal van [A] geplaatst. [eiser] (hierna:
[eiser]) en [verweerder] (hierna:
[verweerder]) houden respectievelijk 95% (te weten 45.600) en 5% (te weten 2.400) van de aandelen in het geplaatste kapitaal van [A] .
Interest Expenses” onder meer het volgende:
short-term loan to a third party” opgenomen van € 2.195.228,--. Over deze lening aan Meriton LLC is de facto geen rente betaald. Het afgesproken rentepercentage bedroeg 0,25%. Op 13 juni 2007 heeft Marketing Services LLC N.V. de schuld van Meriton LLC overgenomen. De jaarrekening 2005 vermeldt op dit punt: “
Bad debt reserve has been set up for the unpaid interest.” In de jaarrekening 2007 staat onder het kopje “
Other accounts receivable” het nominale bedrag van de lening van € 2.195.228,-- openomen. Op 31 december 2013 stond er blijkens de jaarrekening 2013 nog een bedrag open van € 2.078.282.--. De helft van dit bedrag (€ 1.039.141,--) is als “
bad debt” afgeboekt.
letter of intent) op 29 november 2003 betreffende de verkoop van de door [verweerder] in [A] gehouden aandelen aan [eiser] voor een bedrag van € 320.000,--. Een daartoe strekkende vordering van [verweerder] heeft de Rigas apgabaltiesas Civilietu tiesu kolegija (de rechtbank van Riga) in eerste aanleg op 15 maart 2013 afgewezen. Van deze uitspraak heeft [verweerder] genoemd hoger beroep ingesteld, dat thans (dat wil zeggen: op de datum van het tussenarrest) loopt.
2.Procesverloop
In feitelijke instantie
letter of intentstaat genoemd, wordt door de OK afgewezen (rov. 3.6). Vervolgens overweegt de OK (rov. 3.7-3.14):
- het verstrekken door [A] van een persoonlijke lening aan [eiser] van € 740.000 waarvoor geen zekerheid is gevraagd en waarover geen rente is betaald;
On January 13, 2004 a loan of Euro 2.197.000 is supplied to Meriton LLC. USA without any determined term nor pay back installments. On June 13, 2007 this loan has been assigned to Marketing Services LLC N.V. (...). In article 3 of this Agreement is enacted that Marketing Services LLC. N.V. as per date of the Agreement will pay the full amount of Euro 2.193.227,70 to [A] . At that date the loan has not been paid back to [A] , but remained unpaid. Since then only three installments are paid (...). In June 2013 Marketing Services LLC has sent a message, that no installment will be paid during 2013. We do wonder when new installments of the loan will be paid in the near future. Based upon past experience we have great doubts if the loan will be paid off at all. Therefore we consider a provision necessary for at least 30% (...) of the still pending installments of Euro 2.078.282. This will result in a forecast loss for 2013 of Euro 1.037.000.”
deskundige) aangewezen als deskundige als bedoeld in het tussenarrest.
3.2Valuation methodology
3.De bespreking van het cassatiemiddel
‘Tunneltjes graven’
tunneling’, [9] in Nederlandse ondernemingsrechtelijke literatuur vertaald als ‘tunneltjes graven’. [10] De tunneltjes die [eiser] heeft gegraven worden door de OK opgesomd in rov. 3.7 tussenarrest (gevolgd door rov. 3.8-3.13 tussenarrest) en corresponderen met de feiten onder 1.4-1.9. Het Nederlandse vennootschapsrecht wordt in toenemende mate geconfronteerd met transacties tussen de vennootschap en haar controlerende aandeelhouder(/bestuurder) en mogelijke benadeling van de vennootschap en minderheidsaandeelhouder(s) dientengevolge. [11] De onderhavige zaak illustreert dat ‘
tunneling’ niet alleen bij beursvennootschappen (open verhoudingen) kan spelen, maar ook bij niet-beursvennootschappen (besloten verhoudingen). [12]
Daarnaast kent de wet in art. 2:359c BW een specifieke uitkoopfaciliteit voor hij die een openbaar bod heeft uitgebracht. Deze bepaling is ingevoerd ter implementatie van Richtlijn 2004/25/EG betreffende het openbaar overnamebod. [17] Deze bepaling laat ik hier verder eveneens buiten beschouwing, omdat deze specifieke uitkoopfaciliteit na een openbaar bod niet aan de orde is in de onderhavige zaak (vgl. over art. 2:359c BW wel rov. 2.16 eindarrest). Rechtspraak over uitkoopprocedures op de voet van art. 2:92a BW of art. 2:359c BW komt in het vervolg wel aan de orde.
Xeikon-uitkooparrest van 18 december 2018 overweegt de OK (rov. 2.19-2.22):
Xeikon-zaak was sprake van samenloop met een enquêteprocedure. Op grond van overwegingen uit de wanbeleidbeschikking in de enquêteprocedure, [19] die overigens in cassatie op procesrechtelijke gronden gedeeltelijk is vernietigd, [20] staat volgens de OK in de uitkoopprocedure in voldoende mate vast dat Xeikon als gevolg van het geconstateerde wanbeleid schade heeft geleden. Het wanbeleid bij Xeikon hield ook verband met ‘tunneltjes graven’. [21] In de
Xeikon-zaak was uitkoper XBC B.V. (een toen door ‘Bencis’ gecontroleerde vennootschap) echter niet verantwoordelijk voor het door de OK geconstateerde wanbeleid. [22] De uitkoper bevond zich in die zaak dus, anders dan in de onderhavige zaak, niet aan het andere eind van de tunnel (zie onder 3.2). De OK houdt in de
Xeikon-uitkoopprocedure wel rekening met de omstandigheid dat sprake was van ‘tunneltjes graven’, maar een op een andere manier dan in de onderhavige zaak, namelijk door vorderingen op diegenen die daarvoor verantwoordelijk worden gehouden ((voormalige) bestuurders en commissarissen) als een actief van de vennootschap bij de waardering te betrekken.
Xeikon-uitkoopprocedure voor de waarde van de vorderingen mede op het wanbeleidoordeel en aanwijzing van degenen die voor dat wanbeleid verantwoordelijk zijn in de enquêteprocedure. Hoewel de OK in rov. 2.24 van dat uitkooparrest overweegt dat met de vaststelling van wanbeleid en de aanwijzing van degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn de civielrechtelijke aansprakelijkheid van betrokkenen weliswaar niet vast staat, prejudicieert de OK hiermee wel op een eventueel aansprakelijkheidsoordeel. [23] Ik laat dat punt hier verder rusten, omdat in de onderhavige zaak geen sprake is van samenloop van de uitkoopprocedure met een enquêteprocedure. In de onderhavige uitkoopprocedure heeft de OK het handelen van [eiser] als onrechtmatig jegens de vennootschap en jegens [verweerder] gekwalificeerd (rov. 3.14 tussenarrest). Dat oordeel betekent m.i. niet dat de civiele rechter in een afzonderlijke procedure van [verweerder] op de voet van art. 6:162 BW Pro per se aan die kwalificatie (in termen van art. 236 Rv Pro) gebonden zou zijn (vgl. ook rov. 2.19 eindarrest). Dat de OK de term “onrechtmatig” gebruikt in het kader van de benadelende handelingen van de meerderheidsaandeelhouder staat haar evenzeer vrij als het de onderzoeker in de enquêteprocedure vrijstaat om te spreken van ‘wanbeleid’. [24] Een oordeel over civielrechtelijke aansprakelijkheid is aan de civiele rechter (niet aan de OK), evenzeer als in een enquêteprocedure het oordeel over wanbeleid aan de OK is (niet aan de onderzoeker).
Xeikon-uitkoopprocedure is volgens de OK voldoende aannemelijk dat op de peildatum (voor de waardering van uit te kopen aandelen, zie ook onder 3.24) tot het vermogen van Xeikon vorderingen behoorden op derden, onder wie (voormalige) bestuurders, tot vergoeding van die schade. (rov. 2.24) Het zou volgens de OK naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn die vorderingen niet bij de waardering te betrekken om de enkele reden dat Xeikon (vooralsnog) heeft nagelaten de desbetreffende vorderingen daadwerkelijk in te stellen tegen haar (voormalige) bestuurders of anderen. (rov. 2.25) De OK houdt er rekening mee dat de waarde van die vorderingen van Xeikon op derden in de uitkoopprocedure niet nauwkeurig kan worden vastgesteld en dat het niet juist zou zijn de te benoemen waarderingsdeskundige daarmee te belasten. De OK maakt daarom zelf een behoudende schatting. (rov. 2.26) De OK houdt bij die schatting rekening met de vastgestelde feiten in de wanbeleidbeschikking, de kosten die gemoeid zouden zijn met het verhaal van de schade door Xeikon, het procesrisico en onzekerheden met betrekking tot de verhaalbaarheid van schade nadat aansprakelijkheid daarvoor in rechte zou zijn vastgesteld. (rov. 2.27) Alles afwegende, schat de OK op de peildatum de waarde van de vordering van Xeikon op derden tot vergoeding van door Xeikon geleden schade op (ten minste) € 30 miljoen en wordt de deskundige opgedragen daarmee rekening te houden bij de waardering van de uit te kopen aandelen. (rov. 2.28)
Xeikon-uitkoopprocedure dateert van vóór het eindarrest in de onderhavige zaak. Met de parallel die in de onderhavige zaak in rov. 2.17 eindarrest wordt getrokken met de ratio van de billijke verhoging als bedoeld in art. 2:343 lid 4 BW Pro lijkt de OK (ten dele) voort te bouwen op rov. 2.22 van het hiervoor weergegeven
Xeikon-uitkooparrest. In de
Xeikon-uitkoopzaak is overigens ook reeds op 28 juni 2016 (dus vóór het tussenarrest in de onderhavige zaak op 5 juli 2016) een tussenarrest gewezen waarin de OK onder meer heeft overwogen: “Bij de waardering van de over te dragen aandelen dient (…) te worden uitgegaan van alle feiten en omstandigheden die de waarde bepalen, waaronder ook (mogelijke) vorderingen van de vennootschap op bestuurders, commissarissen en/of aandeelhouders. Daarbij verdient reeds opmerking dat er situaties denkbaar zijn waarin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht dat een vordering van een vennootschap uit hoofde van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad op bestuurders, commissarissen en/of aandeelhouders niet bij de waardering van de aandelen wordt betrokken om de enkele reden dat de vennootschap – zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat – niet bereid zal zijn een dergelijke vordering in te stellen.” [25]
Xeikon-zaak tot vertraging in de uitkoopprocedure geleid. [26] De inleidende dagvaarding in de zaak dateert van 6 juni 2014, [27] waarna de OK in verschillende tussenarresten de uitkoopprocedure heeft aangehouden in afwachting van de voortgang in de enquêteprocedure. [28] Voor zover bekend, is nog geen eindarrest gewezen in de
Xeikon-uitkoopprocedure. De voorzitter van de OK heeft de onderzoeker in de enquêteprocedure laatstelijk gemachtigd om de deskundige bepaalde stukken te verstrekken in het kader van diens deskundigenonderzoek in de uitkoopprocedure. [29]
Xeikon-uitkoopprocedure niet voor het eerst geconfronteerd met de vraag in hoeverre vorderingen van de vennootschap op derden bij de waardering van uit te kopen aandelen kunnen worden betrokken. [30] In 2014 speelde die vraag in twee uitkoopprocedures op de voet van art. 2:92a BW inzake Koninklijke Wegener N.V. [31] en DIM Vastgoed N.V. [32] In eerstgenoemde zaak overwoog de OK dat in de uitkoopprocedure “niet van belang is of de aandelen een hogere waarde zouden hebben gehad indien Wegener en/of Mecom een ander beleid zouden hebben gevoerd” (rov. 3.15). In laatstgenoemde zaak achtte de OK het “terecht” dat de deskundigen “de mogelijke vordering van DIM op haar bestuurders en commissarissen en op Equity One (…) in hun waardering [hebben betrokken]” en werd overwogen dat “[d]e aard van die mogelijke vordering mee[brengt] dat de invloed daarvan op de waarde van de aandelen afhankelijk is van de waardering van onzekere factoren, zoals de kans dat de vordering zal worden ingesteld (in of buiten rechte) en, zo ja, of de vordering daadwerkelijk kan worden verhaald” (rov. 2.21). [33] De beschouwingen van de deskundigen over de waardering mondden uit in de conclusie dat de waarde van de aandelen “ook met inachtneming van de mogelijke vordering” (behalve in een scenario dat de deskundigen “minder realistisch” achtten), beneden de gevorderde uitkoopprijs lag. De OK kon zich met deze beschouwingen verenigen en de stellingen waren voor het overige “onvoldoende concreet, althans onvoldoende toegelicht, om in onderhavige procedure in een waardebepaling van de aandelen te kunnen worden meegewogen” (rov. 2.21). De OK achtte het in 2014 dus onder omstandigheden mogelijk dat een vordering van de vennootschap op derden uit hoofde van bijvoorbeeld onrechtmatige daad en de mogelijke invloed daarvan op de prijs van de uit te kopen aandelen wordt betrokken in het eventuele deskundigenbericht en de uiteindelijke bepaling van de prijs van de betrokken aandelen door de OK per de peildatum. De “boekhoudkundige waarheid” (dat uit de jaarrekening van de vennootschap niet blijkt van dergelijke vorderingen van de vennootschap op haar functionarissen) staat er volgens de OK in de
DIM Vastgoed-uitkoopprocedure niet aan in de weg dat die vorderingen worden betrokken bij het bepalen van de uitkoopprijs (rov. 2.18 en 2.21). [34]
Xeikon-uitkoopprocedure) als “tamelijk spectaculair”, noemt de toepassing van het leerstuk van de billijke verhoging in de uitkoopprocedures “nieuw en creatief”, en kenschetst de oplossing van de OK als “praktisch”. [35] Naar aanleiding van het tussenarrest in de onderhavige zaak had Salemink zich ook reeds op het standpunt gesteld dat “[h]et oordeel van de OK om bij de prijsbepaling onder omstandigheden rekening te houden met afgeleide schade, pragmatisch en uit proceseconomisch oogpunt verdedigbaar [is]”. [36] Josephus Jitta is eveneens de mening toegedaan dat de benadering van de OK “praktisch [is] en getuigt van moed.” [37] Schreurs schrijft over het tussenarrest in de onderhavige zaak: “Een uittreedvordering met toewijzing van een connexe vordering [hij doelt op art. 2:343 lid 4 BW Pro, A-G] zou zuiverder geweest zijn, maar ik juich de welwillendheid van de Ondernemingskamer toe.” [38] Ook Storm kan zich in de benadering van de OK vinden:
All in allben ik toch kritisch over de parallelle toepassing van de billijke verhoging in een uitkoopprocedure omdat de wet hier geen aanknopingspunt voor biedt. De schade wordt of door de OK (Xeikon) of door een deskundige ( [A] ) geschat terwijl het maar zeer de vraag is of die aansprakelijkheid en schade daadwerkelijk vastgesteld zou kunnen worden in een civiele procedure (denk aan significante hobbels als verjaring, causaliteit en afgeleide schade). Dit in samenhang met de nadelen voor de uitkoper, zou ik het ook billijk vinden om de uitkoopprocedure te doorlopen zonder het meenemen van vorderingen op derden, zodat de uitkoopprocedure sneller doorlopen kan worden, de uitkoper spoediger 100% van de aandelen heeft en “door” kan met de vennootschap. De minderheidsaandeelhouder kan dan separaat procederen over de mogelijk geleden schade en dan kan dat in twee feitelijke instanties met alle waarborgen civielrechtelijk worden uitgeprocedeerd.” [curs. in origineel, A-G]
Xeikonhaar beslissing baseert, naar hun aard niet geschikt zijn om tot een oordeel omtrent mogelijke onrechtmatigheid, aansprakelijkheid en schadeplichtigheid van derden jegens de vennootschap en het (nog) bestaan van vorderingen van de vennootschap op die derden te komen. De Ondernemingskamer zet hiermee in
Xeikonin feite een stap die een belangrijke overeenkomst vertoont met het verbod op grond van vaststellingen in de tweede fase van de enquêteprocedure door daaraan zonder meer in een nadere procedure de conclusie van aansprakelijkheid te verbinden. Daarbij komt dat uit het tussenarrest in
Xeikonwel blijkt dat tussen partijen is gedebatteerd over de vraag of bij de waardebepaling van de uit te kopen aandelen rekening gehouden zou mogen worden met de schade die de vennootschap als gevolg van het wanbeleid had geleden, maar niet dat ook over de omvang van die schade en de vraag in hoeverre die op bestuurders, commissarissen of aandeelhouders verhaalbaar zou kunnen zijn, debat heeft plaatsgevonden. Temeer omdat de uitkoopprocedure, anders dan de geschillenregeling, maar één feitelijke instantie kent, vind ik dat een groot bezwaar.
Dat neemt niet weg dat ik het makkelijker vind de uitspraak in
[A]te accepteren dan die in
Xeikon. Bij
[A]ging het tenslotte maar om de uitkoop van één aandeelhouder waarvan duidelijk was dat die al aandeelhouder was toen de benadelende handelingen plaatsvonden. Mijn bezwaar tegen het in de uitkoopprocedure als onrechtmatig kwalificeren van de betrokken handelingen blijft echter bestaan.” [curs. in origineel, A-G]
eersteplaats is in de literatuur gewezen op de mogelijkheid van een minderheidsaandeelhouder om een afzonderlijke procedure tot schadevergoeding in te stellen tegen de meerderheidsaandeelhouder (uitkoper) op grond van ongerechtvaardigde verrijking (naar Nederlands recht: art. 6:212 BW Pro). [44] De redenering is dat de uitkoper is verrijkt, omdat hij de aandelen in de uitkoopprocedure verkrijgt tegen een te laag bedrag als bij de bepaling van de uitkoopprijs geen rekening is gehouden met door hem aan de vennootschap toegebrachte schade. Voorts kan in dit verband ook de mogelijkheid van een vordering uit onrechtmatige daad (naar Nederlands recht: art. 6:162 BW Pro) tegen de uitkoper worden genoemd, indien het handelen van de uitkoper niet alleen tegenover de vennootschap, maar ook tegenover de minderheidsaandeelhouder onrechtmatig is. [45] In rov. 3.14 tussenarrest heeft de OK geoordeeld dat het handelen van [eiser] onrechtmatig was jegens zowel de vennootschap als [verweerder] . Deze benadering sluit aan bij hetgeen door Kroeze in zijn proefschrift is verdedigd: [46]
buitende uitkoopregeling gezocht. Een nadeel van deze benadering (voor de minderheidsaandeelhouder) is dat deze zijn positie als aandeelhouder van de vennootschap verliest zonder dat (al) duidelijk is dat in een aparte procedure een vordering op de voet van art. 6:212 BW Pro (althans ongerechtvaardigde verrijking) of art. 6:162 BW Pro (althans onrechtmatige daad) kan worden toegewezen.
DIM Vastgoed-uitkoopprocedure en is gebeurd in de
Xeikon-uitkoopprocedure (zie onder 3.3-3.4). Met betrekking tot de (oude) [50] wettelijke geschillenregeling heeft Kroeze verdedigd dat:
tweedemogelijke benadering. Deze benadering kan in beginsel een afzonderlijke actie van de minderheidsaandeelhouder uit hoofde van art. 6:212 BW Pro of art. 6:162 BW Pro voorkomen. De oplossing wordt hier dus, in tegenstelling tot de eerstgenoemde mogelijkheid,
binnenhet verband van de uitkoopregeling gevonden. Dat lijkt voor de OK in de onderhavige zaak een belangrijk argument, al laat de OK in rov. 2.19 eindarrest de mogelijkheid van een afzonderlijke actie van [verweerder] open (de uitkoopprijs “strekt niet tot (volledige) vergoeding van mogelijk door [verweerder] geleden schade als gevolg van de benadelende handelingen”).
DIM Vastgoed-uitkoopprocedure heeft de OK oog voor die “onzekere factoren” (rov. 2.21). [52] Naar aanleiding van die overweging in de
DIM Vastgoed-uitkoopprocedure, in het bijzonder dat “de kans dat de vordering zal worden ingesteld” dient te worden meegewogen bij de invloed van de vordering op de waardering van de uit te kopen aandelen, is in de literatuur het volgende verdedigd: [53]
ingesteldin ieder geval geen (doorslaggevende) factor mag zijn bij de waardering van de vordering. Een andere uitkomst zou bijzonder onbillijk zijn en een ongewenste rechtseconomische prikkel geven. Feitelijk kan de bestuurder/aandeelhouder profiteren van zijn laakbare gedragingen door zo de waarde van de aandelen te sturen. (…).” [curs. in origineel, A-G]
Xeikon-uitkoopprocedure, waarin de OK ervoor heeft gekozen om bij het bepalen van die uitkoopprijs rekening te houden met vorderingen van de vennootschap op voormalige bestuurders en anderen, heeft de OK in overeenstemming met dit betoog overwogen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn die vorderingen niet bij de waardering te betrekken om de enkele reden dat de vennootschap (vooralsnog) heeft nagelaten de vorderingen daadwerkelijk in te stellen (rov. 2.25 van het tussenarrest van 18 december 2018, in lijn met rov. 2.7 van het tussenarrest van 28 juni 2016, weergegeven onder 3.3). In het tussenarrest in de onderhavige zaak (rov. 3.16, laatste gedachtestreepje) heeft de OK ook overwogen dat “de deskundige dient te abstraheren van de verwachting dat de vennootschap ( [eiser] ) er niet toe zal overgaan om een vordering uit onrechtmatige daad jegens [eiser] in te stellen.”
derdemogelijke benadering, door de peildatum vóór het waarderen van de aandelen op een eerder moment te leggen. Josephus Jitta schrijft: [54]
binnenhet verband van de uitkoopregeling gevonden. [61] Een ander voordeel (ten opzichte van de tweede mogelijke benadering) van een ‘vroege’ peildatum, voordat de benadelende handelingen plaatsvonden, is dat vragen die verband houden met de vordering van de vennootschap (zoals verjaring, causaliteit, verhaalbaarheid, etc.) niet spelen, omdat er op die vroege peildatum nog geen schade (en een daarmee verband houdende vordering van de vennootschap) is. Een potentieel nadeel van de flexibele peildatum ontstaat als in deze benadering geen rekening wordt gehouden met omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de waardering van de uit te kopen aandelen, maar die zich hebben voorgedaan in de periode tussen de peildatum en het moment van de overdracht van de aandelen. [62] Voor de gevolgen van de benadelende handelingen is dat in deze benadering juist de bedoeling, maar voor overige (positieve en negatieve) waardeontwikkelingen hoeft dat uiteraard niet altijd het geval te zijn. Naarmate de periode tussen de (vroege) peildatum en het moment van de overdracht van de aandelen langer is, zal normaliter de kans toenemen dat dergelijke relevante overige waardeontwikkelingen zich hebben voorgedaan. In de geschillenregeling wordt voor dat probleem een mogelijke oplossing geboden door de Hoge Raad: [63]
vierdemogelijke benadering is voor een geval als het onderhavige, waarop in de literatuur ook is gewezen. Hiermee wordt de oplossing dus
buitende uitkoopregeling gevonden. Rechtstreekse toepassing van de geschillenregeling, en daarmee mogelijk ook van art. 2:343 lid 4 BW Pro, was m.i. in de verhouding tussen [eiser] en [verweerder] als aandeelhouders van [A] niet op voorhand onmogelijk geweest. In de wetsgeschiedenis van de uitkoopprocedure is gewezen op de mogelijkheid van de minderheidsaandeelhouder “indien onderdrukt”, [66] althans indien de minderheidsaandeelhouder “door zijn medeaandeelhouders(s) in zijn belangen wordt geschaad”, [67] de uittredingsvordering in de zin van art. 2:343 BW Pro (toen overigens nog zonder de mogelijkheid van een billijke verhoging) in te stellen. [68] De wetgever heeft er, mede vanwege het bestaan van de uittredingsvordering in de geschillenregeling, van afgezien voor de minderheidsaandeelhouder een met art. 2:201a BW corresponderend recht om “op afroep” (dus zonder de voorwaarden en omstandigheden in de zin van art. 2:343 BW Pro) te worden uitgekocht, in te voeren. [69]
vijfdemogelijke benadering, is toepassing naar analogie van art. 2:343 lid 4 BW Pro in de uitkoopprocedure. Het verschil met de vorige benadering is dat het antwoord op de onder 3.2 geformuleerde vraag hier
binnenhet verband van de uitkoopregeling wordt gevonden. In de literatuur is wel gepleit voor “(analoge) toepassing van de compensatiemogelijkheid uit de geschillenregeling” [bedoeld is: art. 2:343 lid 4 BW Pro, A-G]: [75]
governance, (b) dit heeft geleid tot schade bij de vennootschap en (c) de overnemende aandeelhouder de vennootschap ervan kan weerhouden en/of weerhoudt om een schadevergoedingsactie jegens hemzelf in te stellen. Het risico dat de uitkopende aandeelhouder twee keer schade zal moeten betalen, is in een dergelijke situatie zeer gering. Bovendien geldt dat als dit risico zich verwezenlijkt, de aandeelhouder er kennelijk voor heeft gekozen dat risico te lopen. Hij heeft immers ten nadele van de vennootschap (en daarmee) de uittredende aandeelhouder ten faveure van zichzelf het instellen van een achteraf gebleken deugdelijke vordering tegengehouden.” [curs. in origineel, voetnoten niet overgenomen, A-G]
zesdeen laatste mogelijke benadering die ik hier onderscheid, in navolging van de literatuur, is dat bij het bepalen van de uitkoopprijs rekening wordt gehouden met het mogelijke effect van nadelige, want onzakelijke transacties van de vennootschap met aan de uitkoper verbonden entiteiten (en/of derden). [77] Deze benadering blijft ook
binnenhet verband van de uitkoopregeling. In de memorie van toelichting bij de uitkoopregeling wordt ervan uitgegaan dat de uitkoopprocedure vooral in concernverhoudingen nuttig zal zijn, omdat “het voortdurende aandeelhouderschap van kleine minderheden – hoe klein die ook samen zijn – voor de moedervennootschap grote kosten en bezwaren met zich brengt die zonder een gedwongen uitkoop niet kunnen worden verholpen”. [78] Als voorbeeld van een dergelijk bezwaar wordt genoemd dat de belangen van de minderheidsaandeelhouders moeten worden ontzien, waarbij “de dochtermaatschappij op de voet van buitenstaander [moet] worden behandeld bij het sluiten van overeenkomsten.” [79] Daarmee wordt bedoeld dat de 95%-moedermaatschappij transacties met verbonden entiteiten op, kort gezegd, zakelijke condities –
at arm’s length– moet aangaan. [80]
at arm’s length– zijn aangegaan, kan daarmee bij de waardebepaling rekening worden gehouden. [82] Uit de rechtspraak van de OK inzake uitkoopprocedures zijn ook verschillende voorbeelden bekend van, wat in de literatuur wordt genoemd, “normalisering van de op de onderneming van toepassing zijnde omstandigheden” in diverse gevallen. [83]
Based upon past experience we have great doubts if the loan will be paid off at all” (rov. 3.10 tussenarrest), en in 2013 voor de helft als
bad debtafgeboekt (zie ook onder 1.5). [90]
binnenhet verband van de uitkoopregeling blijft. Afzonderlijke vorderingen van de minderheidsaandeelhouder op de voet van art. 6:212 BW Pro of art. 6:162 BW Pro dan wel op de voet van art. 2:343 BW Pro kunnen achterwege blijven. In deze benadering lost het vraagstuk genoemd onder 3.2 zich bovendien op in de waardering van de uit te kopen aandelen, zonder dat daarvoor gewerkt hoeft te worden met waardering van een schadevergoedingsvordering van de vennootschap op de meerderheidsaandeelhouder per de peildatum (de tweede mogelijke benadering), geschoven hoeft te worden met de peildatum naar voren in de tijd (de derde mogelijke benadering), of toevlucht hoeft te worden gezocht in een toepassing naar analogie van de billijke verhoging-faciliteit uit de geschillenregeling (de vijfde mogelijke benadering). Het in het geding gevoerde debat tussen partijen in het kader van waardering van de uit te kopen aandelen over de vraag in hoeverre bij het bepalen van de uitkoopprijs moet worden gecorrigeerd voor, kort gezegd, transacties met verbonden partijen die niet at
arm’s lengthhebben plaatsgevonden (‘gegraven tunneltjes’), sluit m.i. ook goed aan bij de aard en strekking van de uitkoopregeling (vgl. rov. 2.17 eindarrest), waarbij ook zij opgemerkt dat de uitkoper per definitie verschenen is in de uitkoopprocedure en ter zake het debat kan aangaan. De wet, de wetsgeschiedenis en de rechtspraak van de Hoge Raad laten de OK ook ruimte om in een geval als het onderhavige, van door de uitkoper ‘gegraven tunneltjes’ voorafgaand aan de uitkoopvordering, met die omstandigheid rekening te houden bij het vaststellen van de uitkoopprijs op de voet van art. 2:201a lid 5 BW. De uitkoopprocedure is er immers mede op gericht te waarborgen dat de minderheidsaandeelhouders “een juiste prijs voor hun aandelen krijgen” die hen niet benadeelt (zie onder 3.24). Dit komt volgens de Hoge Raad neer op het bieden van een “reële en redelijke vergoeding” (zie ook onder 3.24). Op grond van de wetsgeschiedenis moet voorts rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de onderneming (zie ook onder 3.24). Dat de vennootschap voorafgaand aan de uitkoopvordering betrokken is geweest bij voor haar schadelijke transacties van enige betekenis tegen onzakelijke condities (niet
at arm’s length) met de uitkoper of aan hem gelieerde entiteiten, waardoor de uitkoper is bevoordeeld en de vennootschap en overige (minderheids)aandeelhouders zijn benadeeld, is zo’n bijzondere omstandigheid waarmee de OK bij het bepalen van de uitkoopprijs rekening kan en mag houden, zoals ook reeds blijkt uit de hiervoor aangehaalde, ook op die wetsgeschiedenis geënte rechtspraak van de OK vanaf begin jaren ’90 van de vorige eeuw.
zesde, onder 3.13 genoemde, mogelijke benadering heeft toegepast, en wel als zelfstandig dragende benadering. Illustratief is rov. 2.16 (waarop rov. 2.17-2.19 voortbouwen) jo. rov. 2.20-2.38 eindarrest, welke overwegingen weer voortbouwen op het tussenarrest en evenzeer doortrokken zijn van de gedachte dat de OK, binnen de kaders van de uitkoopregeling van art. 2:201a BW [93] en de gegeven omstandigheden, rekening houdt met de door [eiser] ‘gegraven tunneltjes’ bij de vaststelling van de uitkoopprijs ex art. 2:201a lid 5 BW door zodanige normalisering van de op de vennootschap (onderneming) van toepassing zijnde omstandigheden per de peildatum (dat tussenarrest van 5 juli 2016) dat de door [verweerder] te ontvangen uitkoopprijs redelijk is. Voor zover de OK mede verwijst naar elementen uit andere benaderingen, geldt (dus) dat die
zesdemogelijke benadering, als gevolgd door de OK in het onderhavige geval, het oordeel van de OK hoe dan ook zelfstandig draagt.
binnenhet verband van de uitkoopregeling.
eerste, onder 3.8 genoemde, mogelijke benadering is daarmee niet aan de orde. Die benadering zou inhouden dat de OK het ‘tunneltjes graven‘ van [eiser] in de uitkoopprocedure buiten beschouwing had gelaten, dat zij de uitkoopvordering van [eiser] voor het lage bedrag had toegewezen, en dat [verweerder] een afzonderlijke vordering op de voet van ongerechtvaardigde verrijking of onrechtmatige daad had moeten instellen. Uit rov. 3.3 onder b en rov. 3.16 tussenarrest blijkt dat de OK bij de vaststelling van de uitkoopprijs nadrukkelijk rekening houdt met de onderkende, benadelende handelingen van [eiser] . De mogelijkheid van een separate vordering van [verweerder] wordt in rov. 2.19 eindarrest overigens nog wel opengehouden (“[d]e wijze waar op de [OK] bij de vaststelling van de billijke uitkoopprijs rekening houdt met de benadelende handelingen [niet] strekt tot (volledige) vergoeding van mogelijk door [verweerder] geleden schade als gevolg van de benadelende handelingen”).
vierde, onder 3.11 genoemde, mogelijke benadering van rechtstreekse toepassing van de geschillenregeling is evenmin aan de orde. Uit rov. 3.1 tussenarrest blijkt dat de OK art. 2:201a BW toepast en uit rov. 3.3 onder b tussenarrest blijkt dat de door [verweerder] gestelde feiten en omstandigheden “niet kunnen leiden tot een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden [bedoeld zal zijn: bevoegdheid, A-G] of tot het niet toepassen van artikel 2:201a BW op grond van strijd met redelijkheid en billijkheid.” [verweerder] heeft ook geen beroep op art. 2:343 BW Pro gedaan.
binnenhet verband van de uitkoopregeling is duidelijk dat de OK niet een flexibele peildatum heeft toegepast. De
derde, onder 3.10 genoemde, mogelijke benadering is dus niet gevolgd. Dat zou betekenen dat de peildatum was gesteld op het tijdstip vlak vóór de onderkende, benadelende handelingen van [eiser] . Zowel uit het tussenarrest (rov. 4) als uit het eindarrest (rov. 3) blijkt dat de peildatum de datum van het tussenarrest (5 juli 2016) is, wat strookt met het sinds 2015 geldende standaardbeleid van de OK (zie onder 3.26). Dat de deskundige de waardering dient vast te stellen op de waarde zoals die zou zijn vastgesteld als de benadelende handelingen van [eiser] niet hadden plaatsgevonden (rov. 3.16 tussenarrest, zie ook rov. 2.2 eindarrest: “per 5 juli 2016 alsof de benadelende handelingen niet hadden plaatsgevonden”), is niet het hanteren van een flexibele peildatum (maar kan leiden tot een vergelijkbare uitkomst).
tweede, onder 3.9 genoemde, mogelijke benadering. In deze benadering wordt, kort gezegd, aangenomen dat de vennootschap per de peildatum een schadevergoedingsvordering op de meerderheidsaandeelhouder heeft in verband met diens benadelende handelingen. Door die vordering als een actief van de vennootschap te beschouwen en daaraan een waarde toe te kennen, kan die vordering de uitkoopprijs beïnvloeden, in lijn met de
DIM Vastgoed-en
Xeikon-uitkoopprocedures (zie onder 3.3 en 3.4). In rov. 3.14 tussenarrest heeft de OK het handelen van [eiser] als onrechtmatig gekwalificeerd jegens de vennootschap ( [A] ) en jegens [verweerder] . In rov. 3.16 tussenarrest voegt de OK daaraan toe dat de deskundige dient te abstraheren van de verwachting dat de vennootschap ( [eiser] ) er niet toe zal overgaan een vordering uit onrechtmatige daad jegens [eiser] in te stellen. Uit het deskundigenbericht en uit het eindarrest blijkt echter niet dat voor de benadering van het waarderen van een schadevergoedingsvordering van de vennootschap op [eiser] is gekozen.
Xeikon-uitkoopprocedure), maar had wel kenbaar rekening gehouden moeten worden met onder meer onzekere factoren bij het waarderen van de vordering, waaronder ook risico’s en kosten van verhaal vallen. Daarvan blijkt m.i. niet (duidelijk) in de onderhavige zaak, anders dan in bijvoorbeeld de
Xeikon-uitkoopprocedure. [94]
Xeikon-uitkooparrest van 18 december 2018 overwoog de OK in rov. 2.22 ook dat in die zaak “vorderingen van Xeikon op derden tot vergoeding van de door deze derden toegebrachte schade bij de vaststelling van de uitkoopprijs betrokken dienen te worden voor zover dat verenigbaar is met de aard en strekking van de uitkoopprocedure”. Dergelijke passages zijn in arresten van de OK in de onderhavige zaak niet te vinden, daarin verwijst de OK onder meer ernaar: dat zij het in de onderhavige zaak “passend [acht] om bij het bepalen van de uitkoopprijs te voorkomen dat de prijs waartegen [verweerder] gehouden is zijn aandelen over te dragen in overwegende mate wordt bepaald door de genoemde handelingen van [eiser] die hemzelf hebben bevoordeeld en [verweerder] als minderheidsaandeelhouder hebben benadeeld” (rov. 2.18 eindarrest); dat daaruit volgt dat de stelling van [eiser] dat een vordering tot schadevergoeding van [A] of [verweerder] op [eiser] inmiddels is verjaard, niet ter zake dienend is, [95] nog daargelaten dat de OK in het tussenarrest (van 5 juli 2016) reeds overwoog dat de deskundige dient te abstraheren van de omstandigheid dat [A] geen vorderingen tegen [eiser] heeft ingesteld of zal instellen (rov. 2.18 eindarrest); dat de wijze waarop de OK bij de vaststelling van de billijke koopprijs rekening houdt met de benadelende handelingen, niet strekt tot (volledige) vergoeding van mogelijk door [verweerder] geleden schade als gevolg van de benadelende handelingen (rov. 2.19 eindarrest); dat de OK slechts beoogt bij de vaststelling van de koopprijs de benadelende handelingen in zodanige mate te betrekken dat de uitkoopprijs redelijk is (rov. 2.19 eindarrest); en dat de OK, tegen de achtergrond van rov. 2.15-2.19 eindarrest, in rov. 2.21-2.38 eindarrest de door de deskundige in aanmerking genomen correcties op de intrinsieke waarde en de daartegen door partijen geuite bezwaren bespreekt (rov. 2.20 eindarrest). Dit mondt uit in de conclusie in rov. 2.38 dat uit “[h]et bovenstaande” volgt dat de OK een uitkoopprijs van € 142,10 per 5 juli 2016 juist acht: van een schadevergoedingsvordering van [A] op [eiser] per de peildatum van een bepaalde omvang rept de OK ook daarin niet.
vijfde,onder 3.12 genoemde, mogelijke benadering: toepassing naar analogie van (elementen uit) de geschillenregeling. Wel heeft de OK in zekere zin ook aandacht voor (elementen uit) de geschillenregeling. In rov. 2.17 eindarrest wordt immers overwogen dat het, in een geval als het onderhavige, “voor de hand [ligt] een parallel te trekken met de ratio van de billijke verhoging als bedoeld in art. 2:343 lid 4 BW Pro”. De OK betrekt daarbij, in lijn met de literatuur op dit punt, [96] mede “het feit dat [A] thans slechts twee aandeelhouders heeft en ten tijde van de benadelende handelingen een beperkte kring van aandeelhouders, terwijl [eiser] steeds meerderheidsaandeelhouder was”. Op de vraag hoe deze overweging moet worden begrepen, kom ik onder 3.35 terug. Ik merk hier wel vast op dat de OK bepaald omzichtig formuleert, dat zij duidelijk niet spreekt in termen van ‘toepassing naar analogie’ van (dit element uit) de geschillenregeling, en dat zij daarop m.i. (dus) ook niet het oog heeft. In een andere lijn in de rechtspraak heeft de OK toepassing naar analogie van de geschillenregeling op grond van de redelijkheid en billijkheid trouwens ook op principiële gronden van de hand gewezen. [97]
primairOrthocenter te veroordelen om zijn aandelen in Orthocenter op de voet van art. 2:343 BW Pro over te nemen tegen betaling van een door de OK na deskundigenbericht vast te stellen koopprijs en met toepassing van een zodanige billijke verhoging als de OK gerechtvaardigd acht en
subsidiaireen verklaring voor recht dat de uitgifte van (certificaten van) aandelen door Orthocenter (als gevolg waarvan zijn belang was verwaterd) jegens hem onrechtmatig is en Orthocenter aansprakelijk is voor alle als gevolg hiervan door haar geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat. Orthocenter had niet een ‘besloten karakter’, omdat certificaten als bedoeld in art. 2:335 lid 2 onder Pro c BW waren uitgegeven, waarmee het geschil niet onder de reikwijdte van art. 2:335 lid 2 BW Pro van de geschillenregeling viel. (rov. 3.4) De OK onderkent vervolgens dat het geschil dat in de
Orthocenter-zaak aan de orde was zich materieel gezien voor toepassing van de geschillenregeling zou lenen (rov. 3.5) maar overweegt vervolgens (rov. 3.6):
pro rata parte(zie voor dat begrip onder 3.25) te worden gewaardeerd. Er is volgens de OK onvoldoende aanleiding om af te wijken van de vaste jurisprudentie van de OK in zaken betreffende de geschillenregeling, waarbij de OK betrekt dat het onderhavige geval zich materieel gezien voor toepassing van de geschillenregeling leent (rov. 3.19). [102]
Widdershoven Holding-zaak [103] , overweegt de OK “[d]at verschillende appelinstanties aldus over in eerste aanleg gezamenlijk ingestelde vorderingen oordelen, inherent [is] aan het wettelijk systeem. Van misbruik van procesrecht is geen sprake” (rov. 3.6). In de
Widdershoven Holding-zaak zag de OK, in een op dat geval toegespitste overweging waarbij “[i]n het midden kan blijven hoe hierover [over toepassing van art. 2:343 BW Pro op certificaathouders, A-G] in algemene zin dient te worden geoordeeld”, wel aanleiding voor toepassing naar analogie van art. 2:343 BW Pro, omdat “de zeggenschap van de certificaathouders/economisch gerechtigden binnen (de algemene vergadering van) de vennootschap niet anders [is] dan wanneer zij aandeelhouders zijn”, waardoor “de positie van de certificaathouders in de onderhavige zaak zozeer vergelijkbaar is met een aandeelhouderspositie dat het bepaalde in art. 2:343 BW Pro hier naar analogie dient te worden toegepast.” (rov. 3.7) In de
Widdershoven Holding-zaak, die ging over een B.V., vormde het toepassingsbereik van art. 2:335 lid 1 BW Pro geen beletsel, waar dat bij de
Orthocenter-zaak, met het vereiste van art. 2:335 lid 2 onder Pro c BW, wel het geval was.
zesde,onder 3.13 genoemde, mogelijke benadering, waarin de OK bij het bepalen van de uitkoopprijs in de waardering, kort gezegd, rekening houdt met het mogelijke effect van voor de vennootschap (en [verweerder] ) nadelige transacties met [eiser] op basis van door hem ‘gegraven tunneltjes’. Deze benadering sluit ook aan bij het door partijen gevoerde debat in de uitkoopprocedure. [eiser] heeft in zijn inleidende dagvaarding gevorderd primair de prijs van de over te dragen aandelen per datum van het toewijzende arrest vast te stellen op € 21,15 per aandeel, dan wel subsidiair op een zodanig bedrag en per zodanige datum als door de OK in goede justitie te bepalen. Na het bevoegdheidsincident heeft [verweerder] in zijn conclusie van antwoord gesteld dat [eiser] (de financiële positie van) [A] heeft uitgehold, althans benadeeld, waarvan hij ook bewijs heeft aangeboden en in verband waarmee hij de OK meer subsidiair heeft verzocht om rekening te houden bij het vaststellen van een redelijke prijs voor zijn aandelen. [eiser] is bij gelegenheid van zijn conclusie van repliek in de gelegenheid gesteld het door [verweerder] gestelde ‘tunneltjes graven’ te ontzenuwen. Hij stelt in dat verband onder meer dat de overeengekomen koopprijs voor de dochtervennootschappen aan een met hem verbonden entiteit wel marktconform was, hetgeen ook zou blijken uit een (overigens bij die gelegenheid niet overgelegde) beoordeling en goedkeuring van BDO (onder 2.12), en dat hij in verband met de lening door [A] van bijna € 2,2 miljoen niet in enig opzicht betrokken is geweest bij Meriton LLC, U.S.A. en/of Marketing Services LLC N.V. (onder 2.21), welke stellingen door [verweerder] in zijn conclusie van dupliek weer zijn weersproken (zie met name onder 3-11). Nadat de OK in het tussenarrest heeft geoordeeld dat de deskundige de feiten en omstandigheden die duiden op door [eiser] ‘gegraven tunneltjes’ bij de waardering van de uit te kopen aandelen dient te betrekken, is aanvullende informatie boven tafel gekomen. Op verzoek van de deskundige is het zogenoemde ‘BDO appraisal report’ met betrekking tot de waardering van de drie verkochte dochtervennootschappen door [eiser] aan de deskundige overhandigd. [104] Beide partijen hebben bij memorie na deskundigenbericht op het deskundigenbericht gereageerd. In rov. 2.22 eindarrest overweegt de OK dat de deskundige “toereikend heeft toegelicht dat en waarom de dochtervennootschappen voor een te laag bedrag zijn verkocht en waarom het rapport van BDO niet tot een ander oordeel leidt.” Voorts heeft [verweerder] bij antwoordakte van 9 januari 2018 als productie 20 een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Nijverheid van Curaçao in het geding gebracht, waaruit blijkt dat [eiser] sinds 15 juli 2000 staat ingeschreven als bestuurder van Marketing Services LLC N.V. Ten overvloede overweegt de OK in rov. 2.27 eindarrest dat [eiser] bij pleidooi de juistheid van dit uittreksel niet heeft bestreden en heeft gezwegen over zijn eerdere standpunt dat hij niet gelieerd is aan Marketing Services LLC N.V.
heeft in de uitkoopprocedure voldoende gelegenheid gehad (bij conclusie van repliek, bij memorie na deskundigenbericht en bij pleidooi) [105] om aan te tonen dat de “niet normaal aandoende omstandigheden toch voor de vennootschap en haar onderneming gewoon zijn”. [106] Indien in de loop van de procedure was gebleken dat met betrekking tot één of meer van de vermeende ‘gegraven tunneltjes’ toch sprake was van transacties die door de beugel konden, zou voor de OK geen reden bestaan om de desbetreffende door de deskundige voorgestelde ‘normalisering’ over te nemen. [107] Het is immers de rechter die de uitkoopprijs op een door hem te bepalen datum vaststelt (art. 2:201a lid 5, derde zin BW). Dat de rechter hierbij kan afwijken van het deskundigenbericht, blijkt in de onderhavige zaak ook uit rov. 2.36 eindarrest.
8. (…)”
peildatum). In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel heeft de minister opgemerkt dat “[e]en regeling in de wet die waarborgt dat [minderheidsaandeelhouders] een juiste prijs voor hun aandelen krijgen, hen niet [benadeelt].” [137] In de toelichting bij lid 5 voegt de minister daaraan toe: [138]
the taking of property without payment of an amount reasonably related to its value will normally constitute a disproportionate interference(cf. Former King of Greece and Others v. Greece [GC], no. 25701/94 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), 23.11.2000, § 89).
It cannot be said in these circumstances that the price paid to the applicants for their shares was not reasonably related to their value as required for the purposes of Article 1 of Protocol No. 1.” [curs., A-G]
reasonably related” is tot de waarde van de aandelen”, omdat de OK komt tot een vaststelling van de prijs op basis van een situatie die zich in werkelijkheid niet voordoet (ook weergegeven onder 3.6). [144] M.i. wordt in deze redenering miskend dat art. 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM in de eerste plaats dient ter bescherming van de minderheidsaandeelhouder die wordt uitgekocht, en dat in de door de OK in de onderhavige uitkoopprocedure gevolgde benadering wel degelijk wordt uitgegaan van de werkelijke feiten, waarbij een passende normalisering van de op de vennootschap (onderneming) van toepassing zijnde omstandigheden plaatsvindt (zie onder 3.13, 3.15 en 3.17). De “reasonably related”-ondergrens die in verband met art. 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM geldt, komt eerder in beeld als de minderheidsaandeelhouder zou worden uitgekocht voor een te lage uitkoopprijs waarbij geen rekening is gehouden met ‘tunneltjes graven’, zonder dat voldoende duidelijk is of hem andere rechtsmaatregelen ten dienste staan – bij de Nederlandse rechter of een buitenlandse rechter – om schade als gevolg van benadelende handelingen vergoed te krijgen.
pro rata parte’ wordt vastgesteld. [145] In de literatuur wordt in dat kader wel gesproken van een driestaps-,
top down-methode. [146] Dat wil zeggen dat eerst –
stap 1– de waarde van het gehele aandelenkapitaal wordt vastgesteld op basis van de waarde van de met de vennootschap verbonden onderneming. Vervolgens wordt in een eenvoudige deelsom –
stap 2– de evenredige portie per aandeel berekend, dat is de zogenoemde
pro rata parte-waarde. [147] Deze waarde is vervolgens –
stap 3– vatbaar voor correcties, althans in theorie. [148] Ik ga kort in op de stappen 1 en 3; stap 2 spreekt voor zich.
discounted cash flow(DCF)-methode beschouwd als de meest geschikte waarderingsmethode voor stap 1. [149] De OK laat zich in uitkoopprocedures meestal niet uit over de te hanteren waarderingsmethode. [150] De OK heeft in algemene zin wel overwogen dat moet worden uitgegaan van de werkelijke feiten (weergegeven onder 3.13). [151] Hieruit volgt dat een waardeberekening van de aandelen uitsluitend op grondslag van de intrinsieke waarde niet zonder meer kan worden aanvaard. [152] In enkele uit de rechtspraak van de OK bekende uitkoopprocedures is een waardeberekening op basis van intrinsieke waarde wel toegelaten. [153] De onderhavige zaak biedt daarvan ook een voorbeeld (zie onder 2.11). In de intrinsieke waarde-methode wordt de waarde van het eigen vermogen, zoals dat uit de jaarrekening blijkt, tot uitgangspunt genomen; op die uit de jaarrekening blijkende waarde kunnen wel correcties worden aangebracht, waarvan de onderhavige zaak ook een voorbeeld biedt (zie onder 2.11). [154]
pro rata parte-uitgangspunt. Enerzijds zou in stap 3 een
kortingmogelijk zijn op grond van het waardedrukkende effect van een minderheidsbelang. [155] Anderzijds zou een
premievoor de minderheidsaandeelhouder denkbaar kunnen zijn, gelet op de voordelen voor de meerderheidsaandeelhouder op het verkrijgen van alle aandelen in de vennootschap. [156] Het is vaste rechtspraak dat de OK noch een korting, noch een premie op de uitkoopprijs toepast; zij houdt in stap 3 in beginsel vast aan de
pro rata parte-waarde zoals die in stappen 1 en 2 is berekend. [157] Door vast te houden aan het
pro rata parte-uitgangspunt, wordt tot op zekere hoogte geabstraheerd van de werkelijke feiten (vgl. onder 3.13). Het
pro rata parte-uitgangspunt wordt in de literatuur vrij algemeen aanvaard. [158] Dit uitgangspunt is m.i. ook in lijn met de bedoeling van de wetgever (zie onder 3.24).
pro rata parte-uitgangspunt staat in cassatie ook niet ter discussie. Waardering op basis van de intrinsieke waarde als zodanig wordt in cassatie ook niet bestreden. De deskundige heeft bij de keuze voor waardering op basis van intrinsieke waarde tot uitgangspunt genomen dat [A] “an inactive holding company” is, waarvan [i]n the past years the subsidiaries have been sold” en de DCF-methode “[i]n the absence of expected future activities (…) not meaningful or feasible [is]” (rov. 2.3 eindarrest). De OK heeft zich in rov. 2.20 eindarrest bij het standpunt van de deskundige aangesloten “dat daarmee strookt dat de aandelen worden gewaardeerd op basis van hun intrinsieke waarde.”
kanals peildatum worden gekozen” – biedt overigens nog ruimte voor uitzonderingen. Zo blijkt uit de rechtspraak dat in afwijking van “de vaste jurisprudentie” in gevallen waarin aan de uitkoopprocedure geen openbaar bod is voorafgegaan ook gekozen wordt voor een andere peildatum dan de datum van het tussenarrest, zoals de datum van afsluiting van het boekjaar waarover de meest recente (concept)jaarrekening beschikbaar was. [164]
reële prijsvoor hun aandelen. Uit voornoemde bepaling is niet af te leiden dat die prijs een andere dan deze prijs zou moeten zijn, en met name niet dat steeds de prijs in aanmerking zou moeten worden genomen, die volgens (theoretische) berekeningen het hoogste resultaat oplevert. Noch de wettelijke regeling van het uitkooprecht, noch in het onderhavige geval in feite de Ondernemingskamer beoogt iets anders te doen vergoeden dan
de 'werkelijke' waardevan de aandelen. Strijd met art. 1 van Pro het Eerste Protocol doet zich op dit punt niet voor, zodat het middel ook in zoverre faalt.”
Xeikon-uitkoopprocedure (zie onder 3.3), door de OK een parallel is getrokken met de geschillenregeling komt niet geheel uit de lucht vallen. De geschillenregeling is tegelijkertijd met de uitkoopregeling tot stand gekomen. [170] In de literatuur wordt wel aangenomen dat de desbetreffende parlementaire stukken in onderling verband kunnen worden gelezen. [171] Bij zowel de uitkoopregeling als de geschillenregeling is sprake van een procedure tussen aandeelhouders gericht op gedwongen overdracht van aandelen tegen een door de rechter vast te stellen prijs. [172] Ondanks de overeenkomsten bestaan ook belangrijke verschillen tussen beide regelingen, waarvan ik er enkele schets.
appelrechter in het kader van de
geschillenregeling. [176] De wettelijke mogelijkheid om samenhangende vorderingen in te kunnen stellen is niet opgenomen in de uitkoopregeling, die is bedoeld als een “eenvoudige procedure” (zie onder 3.20).
de factoworden gewaardeerd op het moment net voordat de schadelijke gedragingen begonnen. Zij is daarom met betrekking tot de geschillenregeling voorstander van een expliciete flexibele peildatum (zie ook onder 3.10). Daartegenover staat bijvoorbeeld Timmerman, die een lans voor art. 2:343 lid 4 BW Pro heeft gebroken. [184] Hij erkent dat weliswaar de wetgever zich met de invoering van die bepaling, die ziet op vergoeding van waardeverminderingsschade aan aandelen, “op glad ijs” begeeft, maar betoogt niettemin dat de benadering van art. 2:343 lid 4 BW Pro voor een uitgebreidere toepassing vatbaar is (zie ook onder 3.12). [185] Het verschil van opvatting tussen Bulten en Timmerman lijkt dus niet zozeer te liggen in de ratio van de billijke verhoging-faciliteit, die door beiden wordt onderkend, als wel in de juridische techniek van die faciliteit (de benadering om te bereiken dat schadetoebrengende gedragingen op een deugdelijke wijze in de prijs kunnen worden verdisconteerd). Timmerman ziet de billijke verhoging als een (van de) manier(en) die uitkomst kan bieden bij waardeverminderingsschade aan de aandelen van een minderheidsaandeelhouder, zonder andere manieren, zoals de flexibele peildatum, af te wijzen (zie ook onder 3.10). Bulten kiest expliciet voor de flexibele peildatum als dé manier om het probleem, althans voor de geschillenregeling, te benaderen. [186]
WVV). [188] In België is van meet af aan gekozen voor een speciale rechter; in de huidige wettelijke terminologie is dat “de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van de zetel van de vennootschap, zitting houdend zoals in kort geding.” [189] Dit laatste (“zoals in kort geding”) betekent dat de voorzitter van de ondernemingsrechtbank uitspraak ten gronde doet, maar volgens de (versnelde) procedure van het kort geding. Volgens het Belgische procesrecht mag deze procedure in korting geding niet gebruikt worden voor samenhangende vorderingen. [190] De Wulf merkt hierover op: [191]
ratiodie klaarblijkelijk aan deze billijke verhoging-faciliteit in de geschillenregeling ten grondslag ligt (zie onder 3.32), louter voor de geschillenregeling en in een uittredingsprocedure betekenis kan hebben. Een wezenskenmerk van de reeds sinds 1988 bestaande uitkoopregeling als bedoeld door de wetgever is dat aan de minderheidsaandeelhouder in een uitkoopprocedure “een reële en redelijke vergoeding” voor de uit te kopen aandelen wordt toegekend, waarbij voor de in het licht van de gegeven omstandigheden te bereiken vaststelling van de waarde van aandelen in een uitkoopprocedure niet een bepaald waardebegrip of een bepaalde wijze van waardevaststelling op voorhand gegeven is (zie onder 3.24). Bij dit laatste valt bijvoorbeeld te wijzen, in het kader van de vraag naar het betrekken van benadelende handelingen bij de vaststelling van de prijs voor de uit te kopen aandelen, op de contextafhankelijke mogelijkheid van het aanmerken van een schadevergoedingsvordering van de vennootschap op derden als actief van de vennootschap per de peildatum (zie onder 3.9), het hanteren van een flexibele peildatum (zie onder 3.10), of het normaliseren van de op de vennootschap (onderneming) van toepassing zijnde omstandigheden per de peildatum (zie onder 3.13), een en ander op een wijze die verenigbaar is met de aard en strekking van de uitkoopregeling. Met het trekken van die parallel in rov. 2.17 eindarrest zegt de OK m.i. niet dat zij de billijke verhoging-faciliteit van art. 2:343 lid 4 BW Pro rechtstreeks of naar analogie toepast in de onderhavige uitkoopprocedure (dus als basis), maar eenvoudigweg en hoogstens dat in een geval als het onderhavige, [197] waarin voornoemde vraag speelt (vanwege de door [eiser] ‘gegraven tunneltjes’) en de OK daarmee (binnen de kaders van de uitkoopregeling van art. 2:201a BW [198] en de gegeven omstandigheden) rekening houdt bij de vaststelling van de uitkoopprijs ex art. 2:201a lid 5 BW door zodanige normalisering van de op de vennootschap (onderneming) van toepassing zijnde omstandigheden per de peildatum dat de door [verweerder] te ontvangen uitkoopprijs redelijk is (zie onder 3.15 en 3.17), logischerwijs en overigens ook een dwarsverband te leggen valt met de eveneens op redelijkheidsnoties gestoelde ratio van die faciliteit. [199]
zesdemogelijke benadering heeft gevolgd (zie onder 3.13, 3.15 en 3.17). Voor zover onderdeel 1 uitgaat van een andere lezing en klaagt over elementen in het oordeel van de OK die thuishoren in een van de andere mogelijke benaderingen (zie onder 3.8-3.12, 3.17 en 3.35), kan het reeds daarom niet tot cassatie leiden.
Het subonderdeel stelt niet ten onrechte voorop dat de uitkoopregeling van art. 2:201a BW voorziet in een eenvoudige procedure die primair het belang van de meerderheidsaandeelhouder dient, maar ter bescherming van de minderheidsaandeelhouder ook met bepaalde wettelijke waarborgen is omkleed. Het subonderdeel wijst erop dat een minderheidsaandeelhouder de uitkoop met een beroep op art. 2:201a lid 4 BW kan tegenhouden. Dat is echter niet de enige waarborg voor een minderheidsaandeelhouder. De uitkoopregeling waarborgt ook dat de minderheidsaandeelhouder een ‘juiste prijs’ voor zijn aandelen krijgt en daarmee niet wordt benadeeld (zie onder 3.24). Bij het bepalen van die prijs moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, om zo goed mogelijk te waarborgen dat de prijs ook “redelijk is” (zie ook onder 3.24). De Hoge Raad heeft uit de wetsgeschiedenis afgeleid dat sprake moet zijn van een “reële en redelijke vergoeding” (zie ook onder 3.24). Dat de prijs “reasonably related to its value” moet zijn, wordt voorts gewaarborgd door art. 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM (zie ook onder 3.24). De OK heeft de (in de 1e alinea van het subonderdeel genoemde) uitgangspunten van de wetgever, door bij het bepalen van de uitkoopprijs rekening te houden met de door [eiser] ‘gegraven tunneltjes’, niet miskend. Ik wijs met name op rov. 2.15-2.16 (waarop rov. 2.17-2.19 voortbouwen) jo. rov. 2.20-2.38 eindarrest, waaruit volgt dat de OK de juiste maatstaf heeft vooropgesteld en toegepast.
at arm’s length-basis zijn aangegaan, is immers in overeenstemming met de aard en strekking van de uitkoopregeling (zie onder 3.13 en 3.35). Anders dan het subonderdeel klaagt, wordt in deze benadering de uitkoopprocedure dus ook niet “naar doel en strekking althans procedureel, dus ten onrechte – rechtens en feitelijk – gelijk” gesteld aan de uittredingsprocedure als bedoeld in art. 2:343 BW Pro. In zoverre mist de klacht tevens feitelijke grondslag.
Het subonderdeel beroept zich ten slotte nog mede op de
Orthocenter-zaak (zie onder 3.17), in het kader van de klacht dat [eiser] niet hoefde te verwachten dat in het kader van de vaststelling van een uitkoopprijs in deze uitkoopprocedure een voldragen inhoudelijk partijdebat (kon en) moest worden gevoerd over de aansprakelijkheid van [eiser] jegens [A] en [verweerder] . Ook deze klacht gaat uit van een verkeerde lezing van de bestreden arresten. De door de OK gevolgde benadering (zie onder 3.13, 3.15 en 3.17) is niet een toepassing naar analogie van de geschillenregeling (zie ook onder 3.17 en 3.35), waarvan de OK in de
Orthocenter-zaak heeft geoordeeld dat dat te ver gaand is. [eiser] hoefde in de door de OK gevolgde benadering ook niet bedacht te zijn op een voldragen inhoudelijk partijdebat over aansprakelijkheid van [eiser] . [eiser] moest, mede gelet op de conclusie van antwoord van [verweerder] , wél bedacht zijn op een partijdebat over de vraag in hoeverre in het kader van de waardering voor het bepalen van de uitkoopprijs de op de vennootschap (onderneming) van toepassing zijnde omstandigheden ‘genormaliseerd’ zouden moeten worden als gevolg van door [eiser] ‘gegraven tunneltjes’, in welk verband de onrechtmatigheids- en onaanvaardbaarheidsoverwegingen van de OK ook geplaatst en begrepen moeten worden (zie onder 3.13, 3.15 en 3.17). [eiser] heeft voldoende gelegenheid gehad (bij conclusie van repliek, bij memorie na deskundigenbericht, en bij pleidooi) om aan te tonen dat toch sprake zou zijn van transacties van de vennootschap op zakelijke condities (
at arm’s length) met niet gelieerde partijen. Dat [eiser] daarin niet is geslaagd, wil niet zeggen dat hij daarvoor in de onderhavige uitkoopprocedure onvoldoende gelegenheid zou hebben gehad.
Het subonderdeel klaagt verder (in de 3e alinea) dat het enkele feit dat [verweerder] zich nadrukkelijk niet, met zoveel woorden, heeft beroepen op de afwijzingsgrond van “ernstige stoffelijke schade” als bedoeld in art. 2:201a lid 4 BW niet meebrengt, anders dan de OK in rov. 3.1 tussenarrest kennelijk van oordeel was, dat de uitkoopvordering reeds als zodanig en zonder meer toewijsbaar was, omdat de OK ook dan, onder ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden, “die verweren van [verweerder] ” had moeten aanmerken als een beroep op de desbetreffende afwijzingsgrond van art. 2:201a lid 4 BW.
als rechtstreeks gevolgvan de overdracht van aandelen, bijvoorbeeld indien de overdracht zou leiden tot een onevenredige heffing van inkomstenbelastingen en/of de vennootschap dankzij de overdracht met die aandeelhouder zou kunnen gaan concurreren als gevolg van het verstrijken van een aan de vennootschap opgelegd concurrentiebeding na de aandelenoverdracht (MvT, Kamerstukken II 18 904, nr. 3, p. 8). Dat is hier duidelijk niet aan de orde.” [curs in origineel, A-G]
Voor zover het subonderdeel stelt dat [verweerder] met een zelfstandige vordering (in reconventie) een (al dan niet indirect) beroep heeft gedaan op de regeling in art. 2:343 lid 4 BW Pro, mist het feitelijke grondslag. [verweerder] heeft geen uittredingsvordering als bedoeld in art. 2:343 BW Pro met de mogelijkheid van een billijke verhoging ingesteld. De OK heeft de billijke verhoging-faciliteit als bedoeld in art. 2:343 lid 4 BW Pro ook niet rechtstreeks dan wel naar analogie toegepast in de uitkoopprocedure. De OK overweegt in rov. 2.17 eindarrest slechts dat het in een geval als het onderhavige “voor de hand [ligt] een parallel te trekken met de ratio van de billijke verhoging als bedoeld in art. 2:343 lid 4 BW Pro”, waarop ik hiervoor ben ingegaan (zie onder 3.17 en 3.35).
Poot/ABP-arrest.
Het subonderdeel klaagt ten slotte dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is op grond van welke normschending de in rov. 3.9-3.13 tussenarrest vermelde handelingen van [eiser] naar het oordeel van de OK specifiek tegenover [verweerder] onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig zijn geweest. In zoverre is de gegeven motivering ontoereikend. Dit geldt te meer nu deze oordelen ook onbegrijpelijk zijn in het licht van de stelling van [eiser] , kort gezegd, dat [verweerder] bekend was met de transacties waar hij als medebestuurder aan de besluitvorming deelnam en tien jaar niets deed.
Ik merkte onder 3.17 al op dat het oordeel van de OK in het tussenarrest (rov. 3.14) over “onrechtmatig” handelen van [eiser] jegens [A] en [verweerder] zich m.i. zo laat verstaan, dat de OK daarmee, kort gezegd, de ontoelaatbaarheid onderstreept van de door [eiser] ‘gegraven tunneltjes’, waarmee rekening gehouden dient te worden bij de vaststelling van de uitkoopprijs ex art. 2:201a lid 5 BW door zodanige normalisering van de op de vennootschap (onderneming) van toepassing zijnde omstandigheden per de peildatum (het tussenarrest van 5 juli 2016) dat de door [verweerder] te ontvangen uitkoopprijs redelijk is. Daarmee strookt “dat de uitkopende aandeelhouder als (mede)bestuurder van de vennootschap handelingen heeft verricht waarmee hij zichzelf heeft bevoordeeld en waarmee hij de vennootschap en de andere aandeelhouder heeft geschaad” (rov. 3.16 tussenarrest). Uit deze oordelen, die, gelet ook op hetgeen de OK vaststelt in de onderhavige uitkoopprocedure omtrent de door [eiser] ‘gegraven tunneltjes’ (zie onder 3.1) en de sterk besloten verhoudingen waarin dit zich heeft afgespeeld (zie onder 3.17), geenszins onbegrijpelijk zijn, vloeit logisch voort dat die benadelende handelingen van [eiser] niet alleen de vennootschap ( [A] ) nadelig raken, maar ook zijn mede-aandeelhouder in die vennootschap ( [verweerder] ). Ik merkte hiervoor onder 3.3 al op dat de civiele rechter in een afzonderlijke aansprakelijkheids- en schadevergoedingsprocedure van [verweerder] op de voet van art. 6:162 BW Pro, althans onrechtmatige daad, aan die kwalificatie “onrechtmatig” (in termen van art. 236 Rv Pro) ook niet per se gebonden zou zijn (vgl. ook rov. 2.19 eindarrest). Ook dit subonderdeel loopt verder stuk op de vooropstelling onder 3.38 en hetgeen ik overigens opmerkte onder 3.44 over de maatstaf als daadwerkelijk door de OK vooropgesteld en toegepast, hetgeen in een geval als het onderhavige geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, noch van een ontoereikende motivering. De
Poot/ABP-rechtspraak wordt in de door de OK in het onderhavige geval klaarblijkelijk (en als zelfstandig dragend) gevolgde zesde mogelijke benadering (zie onder 3.13, 3.15 en 3.17) m.i. ook niet ontoelaatbaar doorkruist, [209] net zo min overigens als dat het geval zou zijn bij toepassing van de tweede mogelijke benadering (zie onder 3.9) of de derde mogelijke benadering (zie onder 3.10). Met betrekking tot de stelling dat [verweerder] bekend was met de transacties waar hij als medebestuurder aan de besluitvorming deelnam en tien jaar niets deed, merk ik nog op dat er in cassatie van moet worden uitgegaan dat [verweerder] nimmer bestuurder van [A] is geweest (rov. 2.3 tussenarrest; zie ook onder 1.3, in het bijzonder noot 2). In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Dat [verweerder] tien jaar ‘niets zou hebben gedaan’ mist eveneens feitelijke grondslag. Zo heeft [verweerder] bij de Letse rechter de onder 1.11 bedoelde procedure tegen [eiser] aanhangig gemaakt. Dat [verweerder] geen vordering op grond van art. 6:162 BW Pro of art. 2:343 BW Pro heeft ingesteld, doet er ook niet aan af dat zodra een uitkoopvordering tegen hem is ingesteld, hetgeen [eiser] op de voet van art. 2:201a BW heeft gedaan, [verweerder] – bij wege van gemotiveerd verweer – kan eisen dat bij het bepalen van de uitkoopprijs ex art. 2:201a lid 5 BW rekening wordt gehouden met door [eiser] ‘gegraven tunneltjes’ die de vennootschap en hem hebben benadeeld, hetgeen hij in zijn conclusie van antwoord (en nadien) ook heeft gedaan. Van een ontoereikend gemotiveerd oordeel is, mede in het licht van de stellingen van [eiser] en [verweerder] , ook hier geen sprake.
De premisse van het subonderdeel is dat de OK de bestaande regeling van art. 2:201a BW niet (onverkort) heeft toegepast. [210] Dit gaat uit van een verkeerde lezing van het oordeel van de OK en mist dus feitelijke grondslag. De OK is met zijn oordeel klaarblijkelijk (en als zelfstandig dragend) uitgegaan van de
zesdemogelijke benadering (zie onder 3.13, 3.15 en 3.17) en heeft daarmee, in het onderhavige geval, als gezegd art. 2:201a BW niet op onjuiste wijze toegepast (zie ook onder 3.44). Het oordeel van de OK (o.a. in rov. 3.14 en 3.16 tussenarrest en rov. 2.16-2.8 eindarrest) laat zich m.i. niet zo lezen dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de weg stond aan (onverkorte) toepassing van art. 2:201a BW en een toepassing naar analogie van de in art. 2:343 lid 4 BW Pro neergelegde (billijkheids)maatstaf in het onderhavige geval “voor de hand” lag en “passend” was. Met betrekking tot art. 2:343 lid 4 BW Pro heeft de OK (rov. 2.17 eindarrest) niet meer overwogen dan dat het, in de gegeven omstandigheden (waarop zij daar ook ingaat), “voor de hand [ligt] een parallel te trekken met de ratio van de billijke verhoging als bedoeld in artikel 2:343 lid 4 BW Pro”. Er staat wat er staat: op de betekenis daarvan ben ik hiervoor ingegaan (zie onder 3.17 en 3.35). Van schending door de OK van haar rechtsprekende taak ingevolge art. 11 Wet Pro AB kan reeds daarom geen sprake zijn, nog daargelaten dat ook niet op voorhand duidelijk is wat in deze civielrechtelijke procedure in de verhouding tussen [eiser] en [verweerder] het belang is bij een klacht over schending van deze staatsrechtelijke bepaling door de OK. Het oordeel van de OK geeft daarmee ook geen blijk van ontoelaatbare doorkruising van het wetgevingsproces. Dat de wetgever met betrekking tot de geschillenprocedure de mogelijkheid van een procedure in één feitelijke instantie onderzoekt (zie ook onder 3.21), doet voor de onderhavige zaak, waarbij de OK binnen de kaders van de uitkoopregeling van art. 2:201a BW blijft, niet ter zake. Wetswijziging van art. 2:201a BW staat niet op stapel.
Op het voorgaande stuit het subonderdeel af.
regtsweigeringvervolgd worden.” [212] De gebondenheid van de rechter aan de wet staat dus voorop. In gevallen die bij de totstandkoming van de wet niet door de wetgever zijn voorzien, is de rechter genoodzaakt het recht verder te ontwikkelen en aan te vullen, waarbij de rechter gebonden blijft aan de grenzen van de rechtsstrijd in het aan hem voorgelegde geval. Het is vaste rechtspraak dat de rechter, in gevallen waarin bestaande wetgeving onvoldoende uitsluitsel geeft of anderszins aanvulling behoeft, pleegt te zoeken naar een oplossing die past in het stelsel van de wet en aansluit bij de wél in de wet geregelde gevallen. [213] Kans op botsingen binnen de
trias politicais dan gering. [214] Bij de rechtsvormende taak van de rechter is terughoudendheid in beginsel geboden. Dat geldt temeer indien de wetgever al bezig is met het tot stand brengen van een regeling. [215]
trias politica? De waarde van die gedachte is vooral gelegen in het institutionele element. In het operationele vlak moeten noodzakelijk grensoverschrijdingen plaatsvinden. Een verwijzing naar een of meer van de in art. 3:12 genoemde Pro gezichtspunten kan de daarbij gemaakte keuzes verduidelijken.” [curs. in origineel, voetnoten niet overgenomen in citaat, A-G]
zesdemogelijke benadering volgend (zie onder 3.13, 3.15 en 3.17), de uitkomsten van de wetshistorische interpretatiemethode te hebben veronachtzaamd.
zesdemogelijke benadering volgend (zie onder 3.13, 3.15 en 3.17), in het onderhavige geval binnen de kaders van de uitkoopregeling van art. 2:201a BW gebleven (zie ook onder 3.44). De procedure waarin art. 2:201a BW voorziet, is, ook bezien in het licht van het EVRM, een met voldoende processuele waarborgen omklede procedure (zie ook onder 3.21).
zesdemogelijke benadering volgend (zie onder 3.13, 3.15 en 3.17), in het onderhavige geval gebleven binnen de kaders van de uitkoopregeling van art. 2:201a BW en heeft aldus geoordeeld en beslist “as prescribed by the law” in de zin van art. 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM. Dat [verweerder] ook een procedure tegen [eiser] had kunnen starten op de voet van art. 6:162 BW Pro of art. 6:212 BW Pro (de
eerstemogelijke benadering, onder 3.8), of een procedure had kunnen starten op de voet van art. 2:343 BW Pro (de
vierdemogelijke benadering, onder 3.11), doet er niet aan af dat zodra door [eiser] een uitkoopvordering op de voet van art. 2:201a BW is gestart, wat is gebeurd, [verweerder] – bij wege van gemotiveerd verweer – heeft kunnen eisen dat bij het vaststellen van de uitkoopprijs op de voet van art. 2:201a lid 5 BW rekening wordt gehouden met de door [eiser] ‘gegraven tunneltjes’.
tweedemogelijke benadering ten aanzien van [A] (zie onder 3.9). Voor de
zesdemogelijke benadering, die de OK klaarblijkelijk (en als zelfstandig dragend) heeft gevolgd in het onderhavige geval (zie onder 3.13, 3.15 en 3.17), doet dat evenwel niet ter zake. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt evenmin in te zien dat en waarom de in de onderhavige zaak gehanteerde waarderingsmethode, die mede naar voren komt in rov. 2.20-2.38 eindarrest waarin de OK mede blijk geeft van een kritische opstelling, een rechtens ontoelaatbaar, speculatief karakter heeft.
zesdemogelijke benadering bij het normaliseren van de op de vennootschap (onderneming) van toepassing zijnde omstandigheden nog steeds wordt uitgegaan van de werkelijke feiten. De ondergrens dat de vast te stellen uitkoopprijs “reasonably related to its value” moet zijn, komt eerder in zicht bij het vaststellen van de uitkoopprijs zonder dat, kort gezegd, rekening wordt gehouden met normalisering van de op de vennootschap (onderneming) van toepassing zijnde omstandigheden als gevolg van ‘tunneltjes graven’ door de uitkoper (zie onder 3.24). Met de OK meen ik dat de formulering “reasonably related to its value” in de eerste plaats strekt ter bescherming van het eigendomsrecht van de uit te kopen minderheidsaandeelhouder ( [verweerder] ), niet ter voorkoming dat de uitkoper ( [eiser] ) “te veel” zou moeten betalen (rov. 2.16 eindarrest). Volgens de Hoge Raad stond de wetgever een reële en redelijke vergoeding voor de minderheidsaandeelhouder voor ogen, maar niet een bepaald waardebegrip of een bepaalde wijze van waardevaststelling (zie onder 3.24). Dat de OK niet de prijs heeft vastgesteld op de waarde die de aandelen hebben in het economische verkeer, of de waarde die door de meestbiedende gegadigde zou worden betaald bij verkoop van de aandelen op de daarvoor meest geschikte wijze na de beste voorbereiding, kan dus niet tot cassatie leiden. De OK heeft m.i. in de onderhavige zaak op grond van de
zesdemogelijke benadering (zie onder 3.13, 3.15 en 3.17) een “reële en redelijke vergoeding” bepaald, waarbij de OK mede heeft betrokken dat [eiser] aan de andere kant van de ‘tunnels’ zat die hij zelf heeft ‘gegraven’ (zie o.a. rov. 3.16 tussenarrest over de handelingen van [eiser] “waarmee hij zichzelf heeft bevoordeeld en waarmee hij de vennootschap en de andere aandeelhouder heeft geschaad” en rov. 2.18 eindarrest over “de genoemde handelingen van [eiser] die hemzelf hebben bevoordeeld en [verweerder] als minderheidsaandeelhouder hebben benadeeld”).
tweede, onder 3.9 genoemde, mogelijke benadering, die draait om de waardering van een schadevergoedingsvordering van de vennootschap per de peildatum. In de
zesde, onder 3.13 genoemde, mogelijke benadering die de OK in het onderhavige geval klaarblijkelijk (en als zelfstandig dragend) heeft gevolgd (zie onder 3.15 en 3.17), is deze omstandigheid niet per definitie op gelijke wijze van betekenis. Met betrekking tot de gerelateerde stelling in het kader van het door [eiser] te voeren verjaringsverweer als bedoeld in het subonderdeel, erop neerkomend dat [verweerder] “als medebestuurder van [A] ” bekend was met zowel de schade als de gepretendeerd aansprakelijke persoon (waarop dat verweer leunt), breng ik bovendien in herinnering dat er in cassatie van moet worden uitgegaan dat [verweerder] “nimmer bestuurder van [A] [is] geweest”, naar de OK in cassatie onbestreden heeft vastgesteld (rov. 2.3 tussenarrest; zie ook onder 1.3, in het bijzonder noot 2). In zoverre mist de klacht ook feitelijke grondslag. Overigens wijs ik op de eveneens in cassatie onbestreden vaststelling van de OK (rov. 2.3 en 2.10 tussenarrest; zie ook onder 1.3 en 1.10) dat [eiser] (sinds 1998 bestuurder van [A] ) sinds 4 november 2008 enig bestuurder van [A] is, en op noot 95 (inzake art. 3:321 lid 1 aanhef Pro en onder d BW). Uit een en ander volgt dat een dergelijk verjaringsverweer, naar ten tijde van het eindarrest kenbaar voor de OK, ook geen goede papieren zou hebben. Dat de OK in rov. 2.18 eindarrest heeft geoordeeld dat “de stelling” van [eiser] dat een vordering tot schadevergoeding van [A] of [verweerder] op [eiser] inmiddels is verjaard, “niet ter zake dienend” is, kan worden begrepen in het licht van deze zesde mogelijke benadering als gevolgd door de OK (zie onder 3.13, 3.15 en 3.17), waarbij ook relevant is:
Poot/ABP-rechtspraak en stelt dat de rechter op grond daarvan zou hebben geoordeeld tot afwijzing van de schadevergoedingsvorderingen van [verweerder] als medeaandeelhouder en tot matiging van de schadevergoedingsplicht op grond van eigen schuld van [verweerder] die ten tijde van de besluitvorming over gewraakte transacties medebestuurder was.
tweede, onder 3.9 genoemde, mogelijke benadering zou hebben gevolgd. In die benadering dient bij de waardering van de vordering van de vennootschap inderdaad ook rekening gehouden te worden met, wat het subonderdeel noemt, de ‘slagingsgrondslag’ (zie ook de rechtspraak genoemd onder 3.3-3.4). In de
zesde, onder 3.13 genoemde, mogelijke benadering die de OK klaarblijkelijk (en als zelfstandig dragend) heeft gevolgd in het onderhavige geval (zie onder 3.15 en 3.17), zijn dergelijke ‘onzekere factoren’ evenals het verjaringsverweer niet per definitie op gelijke wijze van betekenis. Nu het oordeel van de OK in de sleutel van die
zesdemogelijke benadering verstaan moet worden en gebaseerd is op de door [eiser] ‘gegraven tunneltjes’ als hiervoor uiteengezet (zie onder 3.1), was de OK, zonder méér, niet gehouden nader in te gaan op de in het subonderdeel genoemde elementen van de ‘slagingsgrondslag’ van een civiele aansprakelijkheidsprocedure, nog daargelaten dat in de uitkoopregeling van art. 2:201a BW bij toepassing van art. 2:201a lid 5 BW de waarde van [A] centraal staat, hoe dan ook niet het waarderen van een schadevergoedingsvordering van [verweerder] op [eiser] , wat de OK ook niet heeft miskend (zie onder 3.17). Een en ander geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering. In lijn met het voorgaande getuigt het oordeel ook niet van een onjuiste rechtsopvatting over art. 2:343 lid 4 BW Pro, welke bepaling door de OK in die
zesdebenadering immers niet, ook niet naar analogie, werd toegepast (zie onder 3.17 en 3.35).
=…=”, nog een veegklacht is opgenomen, nu deze deelt in het lot van onderdelen 1 t/m 3.