Uitspraak
[woonplaats], en
[woonplaats],
Internationale Nederlanden Groep N.V., gevestigd te
’s-Gravenhage,
11 september 1996.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de uitkoopregeling van aandelen van Internationale Nederlanden Verzekeringen N.V. (INV) door de naamloze vennootschap Internationale Nederlanden Groep N.V. (ING). ING had aandeelhouders, waaronder eisers, gedagvaard om hun aandelen over te dragen tegen een door de Ondernemingskamer vastgestelde prijs. Van de gedaagden was slechts één eiser verschenen; tegen de anderen, waaronder eiser 2, was verstek verleend.
De Ondernemingskamer stelde de prijs van de aandelen vast op ƒ 98,32 per aandeel per 1 december 1994, waarbij zij aansluiting zocht bij de beurskoers en het omwisselingsbod van januari 1991. Eisers stelden dat de prijs op de werkelijke waarde moest worden gebaseerd, die hoger zou liggen dan de beurskoers. De Hoge Raad oordeelde dat de Ondernemingskamer niet uitsluitend aan de intrinsieke waarde gebonden was en dat de beurskoers een objectieve waarderingsmethode is.
Voorts werd geoordeeld dat de niet-verschenen eiser 2 samen met de verschenen eiser beroep in cassatie kan instellen, waarbij het rechtsmiddel van verzet voor hem vervalt. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde eisers tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eisers wordt verworpen en zij worden veroordeeld in de proceskosten.