Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
nietvan overeenkomstige toepassing wordt verklaard op vertegenwoordiging krachtens (onder meer) Boek 2 BW. Ik zeg: minder belangrijk, omdat ook zonder schakelbepaling aanleiding zou kúnnen bestaan voor analoge toepassing van de leer van het grootste aandeel op vertegenwoordiging in het rechtspersonenrecht. Schakelbepalingen mogen immers, zo min als andere wettelijke bepalingen, niet zonder meer a contrario worden gelezen. Het meest wezenlijk is dus dat de vordering van HDI niet berust op een rechtshandeling.
louterdoor aan deze rechtshandelingen medewerking te verlenen; het hof heeft ook geoordeeld dat Treston onrechtmatig jegens HDI heeft gehandeld door zich niet bij (niet geconflicteerde bestuurders van) HDI te vergewissen of HDI met de gekozen constructie instemde, alsook doordat Treston van het onbehoorlijk bestuur van de drie HDI-functionarissen heeft geprofiteerd. Als al juist zou zijn dat uit de leer van het grootste aandeel volgt dat wetenschap van een gevolmachtigde bij het verrichten van een rechtshandeling ook dan aan de vertegenwoordigde moet worden toegerekend als deze zich beroept op onrechtmatig handelen dat enkel erin bestaat dat aan de rechtshandeling medewerking is verleend – ik betwijfel het [8] – geldt dit daarmee nog niet voor het onderhavige geval. In de eerste plaats niet omdat het onrechtmatig handelen hier in meer bestaat dan in die medewerking (namelijk ook in het profiteren van het onbehoorlijk bestuur). In de tweede plaats niet omdat de schakelbepaling van art. 3:78 BW Pro niet ook op art. 3:66 lid 2 BW Pro ziet. Voor
analogetoepassing van de leer van het grootste aandeel zie ik in een geval als het onderhavige geen enkele aanleiding.
omdatdie toerekening plaatsvindt, is de verlengingsgrond noodzakelijk. [10]
ders’).
er van uitgegaan dat CFT op het moment dat zij door V-S in rechte werd betrokken reeds daadwerkelijk bekend was met de feiten waaruit de schade voor haar voortvloeide(te weten haar (mede)aansprakelijkheid vanwege het zaken doen met [voormalige klant van V-S] in weerwil van een tussen V-S en [Bestuurder] gesloten concurrentie- en geheimhoudingsbeding), ook al was toen nog onzeker of de rechter de vordering van V-S zou toewijzen. Dit is voor de aanvang van de verjaringstermijn voldoende, omdat daarvoor niet is vereist dat de benadeelde daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden waaruit voor hem de schade voortvloeit. Daarom was CFT op dat moment daadwerkelijk in staat een rechtsvordering tot verhaal van die schade tegen [Bestuurder] — al of niet in vrijwaring — in te stellen, ook al had die schade zich voor CFT nog niet gemanifesteerd in een toewijzend vonnis. In een zodanig geval kon CFT immers van [Bestuurder] in elk geval vergoeding vorderen van de schade waartoe zij in de door V-S aangevangen procedure mocht worden veroordeeld (zie het hiervoor vermelde arrest HR 9 juli 2010). Het hof hoefde zich van zijn oordeel dat van een zodanige situatie sprake was niet te laten weerhouden door de positie van [Bestuurder] als bestuurder van CFT, nu art. 3:321 lid Pro 1, aanhef en onder d, in verbinding met art. 3:320 BW Pro voor deze omstandigheid een regeling geeft die toepasselijkheid van de in het algemeen geldende verjaringsregels veronderstelt. Verder berust het oordeel van het hof dat CFT daadwerkelijk bekend was met de feiten waaruit de schade voor haar voortvloeide op een aan het hof voorbehouden waardering van de omstandigheden van het geval, die in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden onderzocht. De in het middel genoemde omstandigheid dat CFT en [Bestuurder] meenden dat zij niet jegens V-S aansprakelijk waren, maakt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, nu deze omstandigheid niet meebrengt dat CFT onbekend was met de feiten waaruit de (mogelijke) schade voor haar voortvloeide en haar evenmin belette om rekening te houden met de mogelijkheid van een veroordeling op grond van een andere juridische beoordeling door de rechter. Andere omstandigheden die voor (de aan- of afwezigheid van) de in dit verband relevante wetenschap van CFT van belang zijn, zijn in de feitelijke instanties niet aangevoerd, zodat het hof niet kan worden verweten daaraan geen aandacht te hebben geschonken.
uitgaande van daadwerkelijke bekendheid bij de rechtspersoon,de omstandigheid dat de wederpartij een bestuurder is er niet aan in de weg staat dat de verjaring aanvangt, omdat dáárvoor de verlengingsgrond reeds een voorziening biedt. [15] Nu zou men kunnen menen dat voor de aanname dat daadwerkelijke bekendheid bij de rechtspersoon bestond, toerekening van de wetenschap wel de verklaring moet zijn geweest (ik veronderstel dat de stellers van het middel zo het arrest van uw Raad hebben gelezen). Wie echter voldoende nauwkeurig van het arrest en de conclusie van het Parket kennis neemt, ontdekt dat het anders is. De curator van de gefailleerde vennootschap CFT sprak de bestuurder aan in verband met het door deze gevoerde beleid. De bestuurder stelde zich op het standpunt dat de vennootschap in de relevante periode kennis had van zijn handelen. De curator
bestreed dit niet, maar voerde aan dat de verjaringstermijn eerst was gaan lopen nadat hij, curator, van dat handelen kennis kreeg. [16] Uiteraard gaat dit laatste niet op.