ECLI:NL:HR:1959:AI1600
Hoge Raad
- Cassatie
- D. Donner
- Boltjes
- de Jong
- Dubbink
- Petit
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking zonder wettelijke grondslag
In deze zaak vorderde de vennootschap onder firma Bouwbedrijf J.V. Quint en J. de Poel betaling van een geldsom van Heinrich te Poel wegens vermeende ongerechtvaardigde verrijking door natrekking van gebouwen op diens perceel. Quint stelde dat Heinrich te Poel ten onrechte eigenaar was geworden van de gebouwen die zij had gebouwd en daardoor onrechtmatig was verrijkt.
De rechtbank had de vordering nog toegewezen op grond van een verbintenis uit ongerechtvaardigde verrijking, waarbij zij oordeelde dat Heinrich te Poel zonder rechtsgrond was verrijkt ten koste van Quint. Het hof vernietigde dit vonnis en verklaarde Quint niet-ontvankelijk, stellende dat het Burgerlijk Wetboek geen zelfstandige rechtsgrond voor een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking kent buiten de uitdrukkelijke wettelijke bepalingen.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat het Nederlandse recht geen algemene verbintenis kent die ontstaat uit ongerechtvaardigde verrijking zonder wettelijke grondslag. De Hoge Raad oordeelde dat de wet uitputtend voorschrijft op welke wijze verbintenissen kunnen ontstaan en dat redelijkheid en billijkheid geen zelfstandige grondslag voor een verbintenis kunnen vormen. Daarmee werd het beroep van Quint verworpen en bleef het arrest van het hof in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het Nederlandse recht geen zelfstandige vordering uit ongerechtvaardigde verrijking kent zonder wettelijke grondslag en verklaart Quint niet-ontvankelijk.