Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
NJ2020/32 uit de visie van de Hoge Raad af dat de beperking van de wijzigingsmogelijkheid van de onderling overeengekomen kinderalimentaties waarbij partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, niet in overeenstemming is met het uitgangspunt dat ouders naar draagkracht moeten bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen voor zover – kort gezegd – zo’n beperking nadelig zou uitpakken voor de kinderalimentatie, maar wel als deze verdere beperking betekent dat aan een omvangrijkere alimentatie dan draagkracht en behoefte meebrengen, kan worden vastgehouden. Echter, Wortmann bepleit in de GS dat de hoogte van de kinderalimentatie niet ter volledige bepaling staat, wat meebrengt dat de vaststelling dat sprake is van een duidelijke wanverhouding tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen, voldoende is om aan te nemen dat de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven en aldus voor wijziging vatbaar is (zij verwijst daarbij naar hof Arnhem-Leeuwarden 5 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1973 en rechtbank Den Haag 11 februari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:1157). [22]
Onderdeel 2 slaagt dan ook niet.
€ 13.375,- , zoals bij partijen, gelijk zou zijn aan de behoefte bij het hoogste in de tabel voorkomende netto maandinkomen van € 6.000,-. Onder verwijzing naar HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3479 acht het hof het in dit geval niet aannemelijk dat het hoogste tabelbedrag representatief is en acht het aannemelijk dat het welvaartsniveau van partijen ten tijde van de samenleving een rol speelt. Van uit die achtergrond heeft het hof (kennelijk) geoordeeld dat de vrouw met haar behoeftelijst, ook gezien de betwisting van de man, voldoende de behoefte van de kinderen heeft onderbouwd. Een dergelijk oordeel kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst en daaraan worden geen hoge motiveringseisen gesteld. Daar komt bij dat het niet noodzakelijk was voor het hof om op alle stellingen (en dus ook verweren van de man) in te gaan. Het oordeel van het hof geeft voldoende inzicht in de gedachtegang die aan zijn beslissing ten grondslag ligt.
onbewustis afgeweken van de wettelijke maatstaven. Art. 1:401 lid 5 BW Pro is immers ook van toepassing indien er bewust is afgeweken van de wettelijke maatstaven in het nadeel van de kinderen.