Uitspraak
26 maart 1999.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Partijen zijn in 1978 gehuwd en in 1994 gescheiden met een echtscheidingsconvenant waarin kinderalimentatie werd vastgesteld op ƒ 850 per maand per kind, inclusief een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. Het convenant bevatte een niet-wijzigingsbeding.
De man verzocht in 1996 de kinderalimentatie met ingang van 1 juli 1996 nihil te verklaren, stellende dat zijn draagkracht was verminderd doordat zijn tandartsenmaatschap was ontbonden en hij de praktijk niet meer uitoefende. De rechtbank en het hof wezen dit verzoek af na onderzoek naar de behoeften van de kinderen en de draagkracht van de man.
Het hof oordeelde dat partijen bewust waren afgeweken van de wettelijke maatstaven en dat het niet-wijzigingsbeding wijziging van de alimentatie in de weg stond, ook niet op grond van de stelling dat de alimentatie van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven voldeed. Het hof voerde een zelfstandig onderzoek naar de draagkracht van de man uit en concludeerde dat deze voldoende was om de alimentatie te voldoen, mede gelet op een pensioenvennootschap waarvan de man inkomsten kon trekken.
De Hoge Raad bevestigt dat het niet-wijzigingsbeding en de gekozen constructie in het convenant wijziging van de alimentatie verhinderen, en dat het hof terecht de draagkracht van de man heeft onderzocht en voldoende draagkracht heeft vastgesteld. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het beroep van de man wordt verworpen en de alimentatie blijft ongewijzigd.