Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
19 maart 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de wijziging van een overeenkomst betreffende kinderalimentatie tussen de man en de vrouw, ouders van twee minderjarige kinderen. Na het beëindigen van hun relatie maakten partijen afspraken over kinderalimentatie, die schriftelijk werden vastgelegd in 2016. De vrouw verzocht een verhoging van de alimentatie, welke door de rechtbank werd afgewezen, maar het hof vernietigde dit oordeel en stelde de alimentatie hoger vast.
De Hoge Raad toetste de vraag of artikel 1:401 lid 5 BW Pro, dat wijziging of intrekking van een overeenkomst mogelijk maakt bij grove miskenning van wettelijke maatstaven, ook geldt als partijen bewust van deze maatstaven zijn afgeweken bij kinderalimentatie. De Raad bevestigde dat de contractsvrijheid van ouders wordt begrensd door dwingendrechtelijke regels, waardoor niet ten nadele van minderjarige kinderen kan worden afgeweken, ook niet bewust.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de man, omdat het hof terecht oordeelde dat bewuste afwijking van wettelijke maatstaven niet uitsluit dat de rechter zelfstandig kan ingrijpen. Wel werd opgemerkt dat afwijking ten gunste van het kind mogelijk is en dat wijziging dan in beginsel niet aan de orde is, tenzij bijzondere omstandigheden zoals onderhoudsverplichtingen jegens andere kinderen spelen.
De Hoge Raad bevestigt hiermee de bescherming van minderjarige kinderen tegen afspraken die niet voldoen aan de wettelijke maatstaven voor kinderalimentatie en benadrukt de zelfstandige toetsingsbevoegdheid van de rechter.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de rechter zelfstandig kan oordelen over wijziging van kinderalimentatie bij grove miskenning van wettelijke maatstaven, ongeacht bewuste afwijking door ouders.