Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
[naam (jong)meerderjarige], de jongmeerderjarige, thans meerderjarige,
1..De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 28 augustus 2019;
- de brief met bijlagen van de man van 11 september 2019;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op
- de brief met bijlagen van de man van 2 oktober 2019;
- de pleitnotities met bijlagen van de man, ingekomen op 10 oktober 2019;
- het proces-verbaal van de zitting van 11 oktober 2019;
- de pleitnotities van de vrouw en [naam (jong)meerderjarige] van 15 oktober 2019;
- de brieven met bijlagen van de man van 8 maart 2020 en 26 mei 2020;
- de brief met bijlagen van de vrouw en [naam (jong)meerderjarige] van 27 mei 2020;
- de pleitnotities van de man van 4 juni 2020.
- de man met zijn advocaat;
- de vrouw en [naam (jong)meerderjarige] met hun advocaat.
2..De vaststaande feiten
3..De beoordeling
€ 200,- per maand, omdat de man heeft verklaard dat het aangaan van deze schuld rechtstreeks samenhangt met de zakelijke schulden van zijn echtgenote. Dit betekent dat als met deze creditcardschuld rekening wordt gehouden, de zakelijke schulden van de echtgenote van de man toch (deels) ten laste van zijn draagkracht zouden worden gebracht, terwijl de door de man overgelegde stukken dit niet rechtvaardigen. De rechtbank zal wel rekening houden de persoonlijke lening van de man, te weten het overbruggingskrediet van € 6.000,- waarop de man aflost met een bedrag van € 127,- per maand tot en met mei 2020, omdat vaststaat dat de man deze schuld heeft en deze niet verwijtbaar en/of vermijdbaar is.
€ 2.139,- aan schoolkosten toewijzen, omdat deze kosten deugdelijk zijn onderbouwd en vast staat dat de ouders zijn overeengekomen dat de man dit zou betalen. De rechtbank verwerpt het ontvankelijkheidsverweer van de man dat deze vordering via een dagvaarding zou moeten worden ingeleid, omdat de grondslag van het zelfstandig verzoek het verstrekken van een bijdrage in het levensonderhoud is.
- Het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag, inclusief vakantiegeld, voor een alleenstaande van € 1.030,-;
- De ziektekosten van € 117,-, bestaande uit de premie voor een zorgverzekering, inclusief aanvullende verzekeringen, van € 120,-, verminderd met het al in de bijstandsnorm begrepen deel van de ziektekosten van € 35,- en vermeerderd met het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden van € 32,-;
- De aflossing van het overbruggingskrediet van € 6.000,-, waarop de man aflost met een bedrag van € 127,- per maand tot en met mei 2020.
€ 1.621,- per maand bedraagt, zodat een draagkrachtruimte van € 3.095,- per maand resteert, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening. Van deze draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor de kinder- en partnerbijdrage, zijnde een bedrag van € 1.857,- per maand.
€ 536,- (€ 268,- per maand per kind) resteert een bedrag van € 1.321,- netto per maand, ofwel € 2.662,- bruto per maand, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening. Vanaf 17 maart 2020 is de man niet langer onderhoudsplichtig voor [naam (jong)meerderjarige] , zodat vanaf dat moment resteert een bedrag van € 1.589,- netto per maand.