Conclusie
2.Bespreking van de prejudiciële vragen
echtgenoten onderlingbetreffen (zoals de partneralimentatie en het huwelijksvermogensrecht), en de afspraken (in een ouderschapsplan) die betrekking hebben op hun
minderjarige kinderen(zoals de kinderalimentatie).
nietbij rechterlijke uitspraak wegens verandering van de omstandigheden zal kunnen worden gewijzigd. Hierdoor voorkomt men dat, nadat de echtscheiding is uitgesproken en onherroepelijk is geworden, een van de partijen zich tot de rechter wendt ten einde een vóór de procedure gesloten alimentatie-overeenkomst gewijzigd te krijgen – waarbij dus òf de tot alimentatie gerechtigde partij verhoging, òf de tot alimentatie verplichte partij vermindering vraagt. Met name het laatste komt nogal eens voor: de man heeft zich verplicht tot het betalen van een bepaalde periodieke uitkering aan de vrouw; voor laatstgenoemde was de hoogte van dat bedrag essentieel; slechts op grond van de gesloten overeenkomst is zij bereid geweest de vordering tot echtscheiding in te stellen. Na de echtscheiding hertrouwt de man en vraagt vermindering van de uitkering op grond van zijn door zijn nieuwe huwelijk gestegen uitgaven. De voorgestelde regeling strekt vooral tot grotere bescherming van de economisch zwakste, tot alimentatie gerechtigde partij, maar zij voorkomt tevens dat de tot alimentatie verplichte partij slachtoffer wordt van het vermeerderen van de eisen van de wederpartij.” [7]
tussen henbestaande onderhoudsbetrekkingen. Art. 1:158 BW Pro en art. 1:159 BW Pro bieden het wettelijk kader. In het BW ontbreekt een soortgelijke bepaling betreffende de contractuele regeling van de kosten van verzorging en opvoeding. Art. 815 lid 3 Rv Pro bepaalt dat in een ouderschapsplan onder meer afspraken worden opgenomen over de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. [14]
afbreukmogen doen aan de wettelijke regeling; vgl. art. 1:400 lid 2 BW Pro. Men bedenke ook dat de kinderen geen partij zijn bij de overeenkomst. Aan hun rechten kan geen afbreuk worden gedaan. [15] Dat verklaart ook dat de rechter kan afwijken van in een echtscheidingsconvenant gemaakte afspraken zonder rekening te houden met de voorwaarden die art. 1:401 lid 1 en Pro 4 BW stelt, zoals wijziging van omstandigheden en grove miskenning van wettelijke maatstaven.
voor de daarbij betrokken minderjarige kinderenvan openbare orde zijn:
naar draagkrachtte voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding. Dit vloeit voort uit de plicht en het recht van ouders hun kinderen te verzorgen en op te voeden (art. 1:247 lid 1 BW Pro). In de praktijk blijkt echter, dat de rechter hun onderlinge afspraken ter zake niet of slechts marginaal toetst en zich dus meer door principiële lijdelijkheid laat leiden dan door het beginsel dat de ouderlijke onderhoudsbijdrage een zaak van openbare orde is en daarom nauwkeurig bekeken dient te worden. [27] ” [28]
afsprakenmoeten worden opgenomen over de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. Ouders moeten in hun ouderschapsplan opnemen hoe zij de bekostiging van de verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen na het huwelijk zullen vormgeven. Zij moeten dus in het ouderschapsplan
afsprakenvastleggen, waaraan de wet geen andere beperkingen heeft gesteld dan dat contractueel niet mag worden afgezien van het volgens de wet verschuldigde levensonderhoud (art. 1:400 lid 2 BW Pro). Welke zin zou het hebben ouders wettelijk te verplichten afspraken te maken over de verdeling van de kosten van de kinderen, als de rechter die afspraken zou kunnen wijzigen als het hem of haar goeddunkt? Dat is nou juist niet de bedoeling geweest van de wetgever. Met andere woorden: sedert 1 maart 2009 hebben kinderalimentatieafspraken een wettelijke basis gekregen.
wijzigingvan een eerder overeengekomen of in een beschikking vastgelegde kinderalimentatie dient eerst de drempel van art. 1:401 lid Pro 1, lid 4 of lid 5 BW genomen te worden, dat wil zeggen dat, in het geval van lid 1, sprake dient te zijn van een wijziging van omstandigheden waardoor de beschikking of het convenant betreffende de kinderalimentatie ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Deze wijziging van omstandigheden dient door (één van) partijen gesteld te worden. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW Pro is van belang of met die omstandigheden bij het sluiten van het convenant zodanig rekening is gehouden dat zij geacht moeten worden aan de vaststelling van de alimentatie ten grondslag te hebben gelegen. In het geval van lid 4 dient het te gaan om een kinderalimentatie die is vastgelegd in een
rechterlijke uitspraaken die van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. In het geval van lid 5 dient het te gaan om een kinderalimentatie die is opgenomen in een
overeenkomsttussen partijen die is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Zodra de hierboven beschreven ‘drempel’ (van art. 1:401 lid Pro 1, lid 4 of lid 5 BW) is genomen, beoordeelt de rechter de kinderalimentatie vervolgens zelfstandig en met inachtneming van de wettelijke maatstaven. De wettelijke maatstaven betreffen enerzijds de draagkracht van de ouders als bedoeld in art. 1:404 lid 1 BW Pro, en anderzijds de behoefte van het kind als bedoeld in art. 1: 392 lid 2 BW (waarbij ingeval van kinderalimentatie behoeftigheid geen rol speelt).
NJ1973, 288). De rechtbank begrijpt dat de vrouw hier ook op deze uitspraak doelt. In die uitspraak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechter die – op grond van artikel 1:406 BW Pro (voor het eerst) – kinderalimentatie vaststelt, daarover zelfstandig oordeelt met inachtneming van de wettelijke maatstaven zonder gebonden te zijn aan wat de ouders onderling over die alimentatie zijn overeengekomen.
niet(eenzijdig door een van de partijen of door de rechter) gewijzigd kan worden. Daar komt bij dat een bepaling zoals in art. 1:159 BW Pro, die is opgenomen in titel 9 van Boek 1 BW – welke titel de ontbinding van het huwelijk (waaronder ook de partneralimentatieovereenkomst valt) betreft – in titel 17 van boek 1 BW – die het levensonderhoud van bloedverwanten betreft – ontbreekt. Als een niet-wijzigingsbeding ook voor kinderalimentatie gemaakt zou kunnen worden, zou derhalve een uitdrukkelijke wettelijke regeling nodig zijn.
Voorts kan enerzijds gesteld worden dat een overeenkomst die in het belang van de kinderen is (een niet-wijzigingsbeding dat niet naar beneden kan worden bijgesteld) niet in strijd is met de openbare orde en dus niet nietig. Anderzijds kan gesteld worden dat er een fundamenteel belang bestaat bij de mogelijkheid van rechterlijke toetsing bij kinderalimentatie (bv. met het oog op de positie van (stief)kinderen in een eventueel al aanwezig of later gesticht nieuw gezin) en is een niet-wijzigingsbeding dus altijd in strijd met de openbare orde en daarmee nietig. Een niet-wijzigingsbeding is mijns inziens altijd in strijd met de openbare orde, omdat de rechter moet kunnen toetsen aan de wettelijke maatstaven en ook de rechten en belangen van andere (stief)kinderen van (een van de) partijen moet kunnen bewaken. Niets voor niets heeft Uw Raad beslist dat in het geval waarin iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit zijn eerste en uit zijn tweede huwelijk een redelijke wetstoepassing meebrengt dat het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen die kinderen wordt verdeeld in beginsel gelijkelijk tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte. Indien de rechter die over een wijzigingsverzoek heeft te oordelen niet in de gelegenheid is om in samenhang daarmee de bijdrage voor de andere kinderen van die onderhoudsplichtige bij te stellen, omdat een daartoe strekkend wijzigingsverzoek niet aan zijn oordeel is onderworpen, dient hij de bijdrage waarvan wijziging aan hem is verzocht, vast te stellen op het bedrag waarop hij haar met inachtneming van voormelde maatstaf zou hebben vastgesteld indien hij tegelijkertijd, eveneens met inachtneming van die maatstaf, over wijziging van de andere bijdragen te oordelen zou hebben gehad. [81] Slotsom is dat ouders op grond van art. 815 Rv Pro afspraken mogen en moeten maken over kinderalimentatie. Deze afspraken dienen echter getoetst te (kunnen) worden door de rechter, waarbij uitgangspunt is dat de rechter de kinderalimentatie zelfstandig toetst met inachtneming van de wettelijke maatstaven Een niet-wijzigingsbeding is in strijd met dit wettelijk uitgangspunt dat een fundamenteel beginsel van het wettelijk systeem van kinderalimentatie behelst en is derhalve nietig.