Uitspraak
- medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich en een ander trachten te bewegen daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen en door voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd (feit 1);
- medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich en een ander trachten te bewegen daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen en door voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd (feit 2);
- (ten aanzien van ZD [adres 6] , [adres 7] , [adres 12] en [adres 8] )medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door voorwerpen en vervoermiddelen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
(ten aanzien van ZD [adres 9] en [adres 10] )medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd (feit 3); - deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (feit 4),
1.ZD Azië
2.ZD [bedrijf 3]
3.ZD [adres 6]
hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2015 tot en met 12 juli 2016 te Rotterdam, Spijkenisse, Schiedam, en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van verdachte en medeverdachte(n),
1.ZD Azië
[bedrijf 2]hoeveelheden (van een mengsel van)
17.3kg) paracetamol, en
9.15kg) cafeïne (anhydrous), en
250kg) fenacetine,
eenandere opslagbox gehuurd en daarvan de huursom(men) voldaan, en
2.ZD [bedrijf 3]
enstoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemd feit,
encafeïne (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) vervoerd en overgedragen, en voorhanden gehad en opgeslagen, en bewerkt/verwerkt/geproduceerd, verpakt en verdeeld, en
3.ZD [adres 6]
enstoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemd feit,
enstoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemd feit,
enstoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemd feit,
enstoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemd feit,
hij in de periode van 29 juli 2015 tot en met 12 juli 2016 te Rotterdam, Spijkenisse, Schiedam, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van verdachte en medeverdachten,
ofbevorderen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een of meer hoeveelheden heroïne en/of cocaïne, althans (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
- Uit bewijsmiddel 13 bij feit 2 (p. 34 van het vonnis), zijnde een verklaring van verdachte [medeverdachte Y] , schrapt het hof de navolgende passage:
- In bewijsmiddel 14 bij feit 2 (p. 34 van het vonnis), zijnde een verklaring van verdachte [medeverdachte D] , vervangt het hof de passage: “
- De twee bedrijfspanden van [bedrijf 3] : een pand aan de [adres 4] en een pand aan de [adres 5] , beide in Schiedam;
- Een woning aan de [adres 12] in Rotterdam, een woning aan de [adres 6] in Rotterdam en een bedrijfspand aan de [adres 7] in Nieuwerkerk aan den IJssel.
- Uit camerabeelden van de Shurgard Box 103 te Spijkenisse blijkt dat [medeverdachte D] op 15, 16 en 20 april 2016 ter plaatse komt (op 15 april 2016 in gezelschap van [verdachte] ) en dat [medeverdachte D] een aantal malen meerdere drums uit de box in zijn auto heeft ingeladen (p. 13-411 e.v.). Voorts blijkt uit getapte telecommunicatie dat [verdachte] met [medeverdachte D] via SMS-berichten op 20 en 21 april 2016 contact heeft waarin gesproken wordt over kookpannen, over het malen, over dat het net deeg is en gaat glimmen, dat [medeverdachte E] de donkere wel erg dik heeft gegoten en dat het niet te malen is, het malen/trekken van melk, lichtkleurige en over een ontmoeting (p. 13-278 e.v.).
- Op 21 april 2016 wordt vervolgens waargenomen dat [medeverdachte D] met zijn Caddy met kenteken [kenteken 1] achteruit het pand bij de [adres 5] inrijdt. Korte tijd later rijdt hij het pand weer uit en waargenomen wordt dat hij voor het pand een ontmoeting heeft met [verdachte] . Niet lang daarna rijdt [medeverdachte D] naar een ondergrondse vuilniscontainer aan de Spaansebocht en gooit hij 5 gevulde vuilniszakken weg.
- Rechts achter op de vloer van de grote ruimte op de eerste etage is een peuk met daarop DNA van [medeverdachte R] aangetroffen;
- Op een Coca Cola fles in de koelkast is een dactyloscopisch spoor van [medeverdachte R] aangetroffen;
- Op een leeg blikje Red Bull, dat is aangetroffen in een vuilnisbak nabij de ingang van het pand (in het pand), zat speeksel van [verdachte] .
- i) sprake is geweest van een organisatie;
- ii) deze organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 140, eerste lid, Sr, dan wel het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11b, eerste lid, (oud) van de Opiumwet en
- iii) het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie.
een organisatieals bedoeld in artikel 140, eerste lid, Sr en artikel 11b, eerste lid, (oud) van de Opiumwet moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere (rechts)persoon. Een dergelijk samenwerkingsverband kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Er is reeds sprake van een dergelijke organisatie wanneer één persoon met minimaal één of meer anderen voor een door hen gesteld doel samenwerken. [73] Het optreden als eenheid is geen absolute voorwaarde, terwijl de juridische status van het samenwerkingsverband niet relevant is. Ook hoeft er geen sprake te zijn van formeel afgebakende taken, maar het samenwerkingsverband moet wel meer dan een incidenteel karakter hebben. Dat voor het bestaan van een ‘organisatie’ in de zin van artikel 140, eerste lid, Sr of 11b, eerste lid, (oud) van de Opiumwet een vorm van ‘hiërarchie’ of ‘geledingen’ vereist is, vindt geen steun in het recht. Het moet in ieder geval gaan om een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband, dat als eenheid kan opereren – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. [74]
oogmerk heeft het plegen van misdrijven (artikel 140, eerste lid, Sr)of
van een bepaald misdrijf (artikel 11b, eerste lid, Opiumwet). Het oogmerk betreft het naaste doel van de organisatie en niet dat van de verdachte/deelnemer aan de organisatie. [76] Niet is vereist dat het plegen van de misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht of de Opiumwet de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is of dat de organisatie de uitsluitende bedoeling heeft misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht of de Opiumwet te plegen. [77] Het oogmerk kan daarbij gericht zijn op een enkel, specifiek genoemd delict of meerdere delicten uit het Wetboek van Strafrecht of de Opiumwet. Ten aanzien van artikel 140 Sr Pro is een pluraliteit daarvan noodzakelijk. [78] Het oogmerk impliceert dat de desbetreffende misdrijven – of pogingen of voorbereidingen daartoe – nog niet hoeven te hebben plaatsgevonden en behoeven in de tenlastelegging niet nader omschreven te zijn, maar zullen wel uit de bewijsmiddelen moeten blijken. [79] Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten die met dit doel worden verricht. [80]
deelneming aan de organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. [81] Beide vereisten zijn te beschouwen als nevengeschikt, maar zijn tevens onderling nadrukkelijk samenhangend. Uit de bewijsmiddelen moet derhalve duidelijk worden dat de verdachte behoort tot de organisatie en niet enkel is te beschouwen als een sympathisant. Daarnaast moet sprake zijn van enige, naar buiten gerichte activiteit die in nauw verband staat met het misdrijf of de misdrijven die de organisatie nastreeft. Deze activiteit kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar kan ook bestaan uit het feitelijk verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet zo zeer zijn te kwalificeren als een strafbare vorm van daderschap, maar wel zijn aan te merken als bovenbedoeld ‘een aandeel hebben in of ondersteuning van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie’. Van het ‘ondersteunen’ in de hiervoor bedoelde zin is sprake als de betrokkene met zijn handelen de gedragingen bevordert of makkelijker maakt. Dit handelen van de betrokkene moet niet in een te ver verwijderd verband staan tot de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Of daarvan sprake is vergt een beoordeling van het concrete geval. [82] Niet is vereist derhalve dat de verdachte aan enig concreet misdrijf van de organisatie heeft deelgenomen.
3. Betrouwbaarheid verklaring [medeverdachte D]
niet-ontvankelijkin het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde met betrekking tot de zaaksdossiers [adres 15] , [adres 13] en [adres 16] .
gevangenisstrafvoor de duur van
36 (zesendertig) maanden.