ECLI:NL:HR:2026:1142

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
23/04981
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140a SrArt. 157 SrArt. 288a SrArt. 289 SrArt. 289a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt deelneming aan terroristische organisatie en vermindert straf wegens termijnoverschrijding

De verdachte reisde in 2013 samen met haar echtgenoot naar Syrië om de jihad te ondersteunen en stelde zich onder het gezag van de terroristische organisaties Jabhat al-Nusra en IS. Haar echtgenoot was actief lid van deze organisaties, onder meer als lid van de politie en religieuze politie. De verdachte en haar echtgenoot vormden een gezamenlijk huishouden, ontvingen loon van IS en beschikten over een vuurwapen.

De verdachte verspreidde actief de jihadistische ideologie, moedigde familie en vriendinnen aan om ook naar Syrië te komen en erkende het plichtsbesef om te strijden voor een islamitische staat. Het hof oordeelde dat zij deelnam aan de terroristische organisaties zoals bedoeld in artikel 140a Sr, hetgeen de Hoge Raad bevestigde.

De verdediging voerde aan dat de bewijsvoering onvoldoende was en dat de verdachte slechts burgerschap had, maar dit werd verworpen. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 45 maanden naar 33 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verwierp het beroep voor het overige. Hiermee blijft de bewezenverklaring van deelneming aan terroristische organisaties in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt deelneming aan terroristische organisaties en vermindert de straf tot 45 maanden gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04981
Datum7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 december 2023, nummer 22-001647-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat F.T.C. Dölle bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt in de kern dat de bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde deelneming door de verdachte aan de terroristische organisaties Islamitische Staat (hierna: IS) en Jabhat al Nusra (hierna: JaN) niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“zij in de periode van 29 september 2013 tot 29 augustus 2017 in Syrië,
tezamen en in vereniging met een ander heeft deelgenomen aan terroristische organisaties, te weten Islamitische Staat (IS), dan wel Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en Jabhat al Nusra (JaN), welke organisaties tot oogmerk hebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten,
A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek Pro van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of
B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of
C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289/289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of
D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of
E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en Pro/of lid 5 van de Wet wapens en munitie)”.
2.2.2
Het hof heeft over de bewijsvoering overwogen:
“Inleiding
De verdachte is op 29 september 2013 met haar (latere) echtgenoot [betrokkene 1] (hierna ook: [betrokkene 1] ) uitgereisd naar Syrië. Zij hebben in de jaren erna in Syrië op verschillende plekken verbleven.
[betrokkene 1] heeft zich in Syrië aangesloten bij achtereenvolgens Jahbat al Nusra en IS(IL). De verdachte en [betrokkene 1] zijn in augustus 2017 gevangengenomen door de SDF (de Hoge Raad begrijpt: Syrische Democratische Strijdkrachten). [betrokkene 1] is overgebracht naar een gevangenis in Irak en verblijft daar nog steeds. De verdachte heeft geruime tijd verbleven in Koerdische kampen en is in juni 2021 in Nederland aangekomen.
Het hof beoordeelt hierna de vragen of de verdachte heeft deelgenomen aan - kort gezegd - een (of meer) terroristische organisatie(s) en of zij voorbereidingshandelingen tot het plegen van terroristische misdrijven heeft gepleegd.
Feit 1
Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd - kort gezegd - dat zij, alleen dan wel in vereniging met een ander of anderen, heeft deelgenomen aan een of meer terroristische organisatie(s), te weten Jabhat al-Nusra en/of IS.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de door haar overgelegde pleitaantekeningen, bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.
De raadsvrouw heeft hiertoe - kort gezegd - aangevoerd dat het dossier geen enkel aanknopingspunt bevat dat de verdachte heeft deelgenomen aan de onder 1 tenlastegelegde terroristische organisaties, door voor hen een ondersteunende functie te vervullen. Het gedrag van de verdachte tussen 2014 en 2017 levert dan ook geen deelneming aan een terroristische organisatie op, maar hoogstens burgerschap. Voorts verzoekt de verdediging de verdachte vrij te spreken van deelneming tussen 2017 en 2021 omdat de verdachte in die tijd in detentiekampen verbleef.
(...)
Deelneming
Van deelneming aan een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr kan slechts dan sprake zijn als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.
Een dergelijk aandeel kan bestaan uit het (mede) plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar hoeven te zijn, maar wel strekken tot verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voldoende is dat betrokkene in zijn algemeenheid - in de zin van onvoorwaardelijk opzet - weet dat de organisatie het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat betrokkene enige vorm van opzet heeft op de door de terroristische organisatie beoogde concrete misdrijven. Evenmin is vereist dat betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan het plegen van misdrijven die door (leden van) de organisatie zijn of worden gepleegd.
Jabhat al-Nusra en IS
Het is een feit van algemene bekendheid dat in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet kwam tegen het regime van president Bashar al-Assad.
In de loop van 2012 wordt duidelijk dat jihadistische strijdgroepen, met zowel lokale als buitenlandse strijders in hun gelederen, in toenemende mate betrokken zijn geraakt bij de opstand in Syrië.
Het gerechtshof Den Haag heeft in eerdere uitspraken al geoordeeld dat Jabhat al-Nusra en IS het oogmerk hadden om de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen en de bevolking ernstige vrees aan te jagen en dat deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van Jabhat al-Nusra en IS met zich meebrengt het plegen van terroristische misdrijven.
Strijdgroepen als Jabhat al-Nusra en IS bereikten in de tenlastegelegde periode hun doelen, waaronder het vervangen van de bestaande politieke structuur door een structuur gebaseerd op de sharia, mede door dood en verderf te zaaien onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelde. Zij kunnen aldus worden aangemerkt als organisaties die tot oogmerk hebben het plegen van terroristische misdrijven, als bedoeld in artikel 140a Sr.
Beoordeling
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de wettige bewijsmiddelen stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte is zich in 2013 gaan verdiepen in de Islam, onder meer via internet. Tevens sprak zij met anderen in haar omgeving in [geboorteplaats] . De verdachte leerde de begrippen Jihadisme, Kalifaat en Islamitische staat kennen en nam kennis van de strijd in Syrië en van het feit dat in die periode regelmatig personen uit Nederland naar Syrië uitreisden. De verdachte is de jihadistische ideologie gaan aanhangen en - zo blijkt uit de in die periode verstuurde berichten via Twitter - actief gaan uitdragen. De verdachte is, gelet op haar uitlatingen tegenover de wijkagent, een voorstander geworden van de gewapende strijd in Syrië en zag het als een plicht voor iedere moslim om te strijden voor een kalifaat, een Islamitische staat. Eind augustus 2013 leerde de verdachte via Facebook [betrokkene 1] kennen, die ook bezig was met het geloof. Zij kenden beiden mensen die naar Syrië waren vertrokken en besloten dat ook te doen.
De verdachte is, zoals vermeld, op 29 september 2013 samen met [betrokkene 1] via Turkije uitgereisd naar Syrië. In Turkije gingen zij van [plaats] naar [plaats] waar zij door een smokkelaar werden opgehaald die hen in Syrië naar [plaats] bracht, een dorp in de provincie Aleppo. Eenmaal daar aangekomen, heeft [betrokkene 1] zich aangesloten bij Jabhat al-Nusra.
In november 2013 zijn de verdachte en [betrokkene 1] naar islamitisch recht getrouwd. Vanaf dat moment voerden zij daar gezamenlijk een huishouden. Diezelfde maand heeft de verdachte via een chatbericht aan haar in Nederland achtergebleven nicht en vriendinnen onder meer bericht dat hijrah (het verlaten van familie en land ten behoeve van de jihad) verplicht is, dat zij dat heeft gedaan, dat zij nu in Syrië is en gelukkig getrouwd met een broeder, dat zij en haar man nu leven onder de sharia, dat er jihad qital (gewapende strijd) is, dat de broeders strijden op het slagveld en dat de jihad er zal zijn tot het einde der tijden. In dit bericht zegt de verdachte dat zij haar vriendinnen hetzelfde gunt als zichzelf, te weten het paradijs, en maant zij hen dat ze niet alleen moeten lezen maar ook moeten praktiseren en gehoorzamen. In december 2013 zijn de verdachte en [betrokkene 1] verhuisd naar [plaats] , een stad in de provincie Idlib, waar zij tot april 2014 hebben verbleven. Vanwege een conflict tussen [betrokkene 1] en Jabhat al-Nusra verhuisden de verdachte en [betrokkene 1] in april 2014 naar [plaats] , waar IS de feitelijke macht had. Zij kregen daar van IS een huis toegewezen. Op 26 mei 2014 is [betrokkene 1] lid geworden van IS. Uit een registratieformulier van IS volgt dat hij zich toen als strijder heeft aangemeld en dat hij eerder had meegedaan aan de jihad bij Jabhat al-Nusra. [betrokkene 1] was in dienst bij de Shorta (de politie) van IS en ontving een salaris van 100 dollar per maand. De verdachte en [betrokkene 1] hadden een vuurwapen in huis, dat op verscheidene plaatsen (niet in een kluis) in huis lag en eigendom was van [betrokkene 1] , die het gebruikte voor zijn werk voor IS. Volgens opgave van de verdachte verhuisde het gezin in 2016 naar [plaats] vanwege de onrust en vele bombardementen in [plaats] . Vervolgens zijn ze naar [plaats] gegaan en in juni 2016 werd [betrokkene 1] door IS overgeplaatst naar [plaats] , gelegen in de provincie [plaats] . Op 22 juni 2016 werd [zoon verdachte] , de oudste zoon van de verdachte en [betrokkene 1] , geboren. Ook in [plaats] zat [betrokkene 1] bij de Shorta.
Op 16 juli 2016 ontving de verdachte een WhatsApp bericht van [betrokkene 2] met de inhoud: “Zuster, je bent geweer bij ons vergeten.”
In de winter van 2016 ging [betrokkene 1] in dienst bij de Hisba, de religieuze politie van IS.
Op 30 november 2016 heeft de verdachte via een spraakbericht aan haar zus onder meer bericht dat ze ervoor heeft gekozen de Jihad bij te staan, dat ze niet ongelukkig is omdat ze weet waarom ze is gekomen, dat het verplicht is, dat ze al zo vaak tegen haar zus heeft gezegd om hiernaartoe (het hof begrijpt: naar Syrië) te komen, dat de verdachte en haar man bereid waren om geld en een smokkelweg te regelen, maar dat haar zus haar telkens heeft genegeerd en dat het in het nadeel van haar zus is als ze daar (het hof begrijpt: in Nederland) blijft. Diezelfde dag heeft de verdachte via een spraakbericht aan haar tante onder meer bericht dat ‘je voelt we helpen de ummah (de moslimgemeenschap)’ en dat zij hoopt dat haar familie zal komen.
Op 14 januari 2017 heeft de verdachte in een groepsapp aan haar familie onder meer bericht dat zij en haar man onderdeel zijn van Dawla Islamia (het hof begrijpt: IS) en dat ze zich nog nooit zo gelukkig heeft gevoeld. In maart 2017 vestigde het gezin zich in [plaats] . In [plaats] zette [betrokkene 1] zijn werkzaamheden bij de Hisba voort. Medio 2017 verslechterde de situatie in [plaats] voor IS. De stad werd omsingeld door de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) en op 25 april 2017 ging de SDF [plaats] binnen. Op 10 mei 2017 meldde de SDF de volledige herovering van [plaats] en de [plaats] dam op IS. De verdachte en [betrokkene 1] hebben op 29 augustus 2017 [plaats] verlaten en zich overgegeven aan Koerdische troepen van de SDF, waarop zij door deze zijn gevangengenomen.
Tussenconclusie ten aanzien van [betrokkene 1]
heeft in Syrië in de tenlastegelegde periode deelgenomen aan de terroristische organisaties Jabhat al-Nusra en daarna IS. Hij was bij deze organisaties aangesloten en heeft gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van deze organisaties. Bij IS was [betrokkene 1] werkzaam bij de politie, en later bij de religieuze politie. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is het hof van oordeel dat [betrokkene 1] ook gedragingen heeft verricht ten behoeve van de jihad voor Jabhat al-Nusra; dit leidt het hof af uit het hiervoor genoemde registratieformulier van IS, waaruit volgt dat hij al eerder had meegedaan aan de jihad, en wel bij Jabhat al-Nusra.
Deelneming door de verdachte
Het hof is van oordeel dat ook de verdachte heeft deelgenomen aan deze organisaties, en zal hierna uiteenzetten waarom.
Uit de bewijsmiddelen valt op te maken dat de verdachte, terwijl zij kennis had van de jihadistische ideologie en voorstander was van de gewapende jihadstrijd, met die overtuiging samen met [betrokkene 1] is afgereisd naar Syrië en zich aldaar samen met hem onder het gezag - en de daaraan verbonden regels van de sharia - heeft gesteld van de terroristische organisaties Jabhat al-Nusra en (vervolgens) IS. De verdachte en [betrokkene 1] zijn daar gehuwd en hebben daar een gezamenlijk huishouden gevoerd, terwijl [betrokkene 1] actief heeft deelgenomen aan beide organisaties en met zijn verdiensten daaruit de kostwinner was. De verdachte heeft door haar handelen, ingegeven door haar bewuste keuze om - in haar eigen woorden - ‘de jihad bij te staan’, de invloedssfeer van deze organisaties telkens getalsmatig versterkt. Daarnaast heeft de verdachte samen met [betrokkene 1] een vuurwapen voorhanden gehad. Dat ook de verdachte over dat wapen kon beschikken valt af te leiden uit het feit dat zij op enig moment erop werd gewezen dat zij het wapen bij iemand had laten liggen. Ten slotte blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte de jihadistische ideologie van deze organisaties actief heeft uitgedragen en dat zij meermalen anderen heeft aangespoord ook naar Syrië te gaan. De verdachte heeft aldus gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van deze organisaties. Dit terwijl uit de bewijsmiddelen valt op te maken dat de verdachte van het terroristische oogmerk van deze organisaties in zijn algemeenheid op de hoogte was. Illustratief hiervoor zijn haar hiervoor weergegeven uitlatingen over de gewapende strijd tegenover de wijkagent, het chatbericht aan nicht en vriendinnen hierover en ook heeft zij ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij tijdens haar verblijf in Syrië op de hoogte was van de onthoofdingen die plaatsvonden. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aan deze terroristische organisaties heeft deelgenomen als bedoeld in artikel 140a Sr.”
2.3.1
Artikel 140a lid 1 Sr luidt:
“Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
2.3.2
Voor ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 en Pro 140a Sr is vereist dat (i) de betrokkene behoort tot een samenwerkingsverband, (ii) waarbinnen gedragingen plaatsvinden die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk, en (iii) de betrokkene een aandeel heeft in deze gedragingen, dan wel deze gedragingen ondersteunt.
Van het ‘ondersteunen’ in de hiervoor bedoelde zin is sprake als de betrokkene met zijn handelen die onder (ii) bedoelde gedragingen bevordert of makkelijker maakt. Dit handelen van de betrokkene moet niet in een te ver verwijderd verband staan tot de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk. Of daarvan sprake is vergt een beoordeling van het concrete geval.
2.4.1
Het hof heeft het volgende vastgesteld. De verdachte is op 29 september 2013 als aanhanger van de jihadistische ideologie en voorstander van de gewapende strijd in Syrië met haar latere echtgenoot [betrokkene 1] naar Syrië gereisd “om de jihad bij te staan”. De verdachte wist dat daar toen een gewapende strijd plaatsvond en zag het als de plicht van iedere moslim om te strijden voor een islamitische staat. De verdachte en [betrokkene 1] hebben zich in Syrië eerst onder het gezag van de terroristische organisatie JaN en daarna onder het gezag van de terroristische organisatie IS gesteld. In de bewezenverklaarde periode was [betrokkene 1] werkzaam voor deze terroristische organisaties, onder meer als lid van de politie en de religieuze politie van IS. De verdachte en [betrokkene 1] vormden in deze periode een gezamenlijk huishouden, waarbij zij in verschillende gebieden in Syrië hebben gewoond. Zij hebben loon ontvangen van IS en woonden vanaf april 2014 in een aan hen door IS toegewezen huis. De verdachte en [betrokkene 1] hadden een vuurwapen in huis dat [betrokkene 1] gebruikte voor zijn werk voor IS. Ook de verdachte kon over dat vuurwapen beschikken. De verdachte heeft vanuit Syrië, terwijl zij wist van de terroristische misdrijven die daar door IS werden gepleegd, aan haar familieleden bericht dat zij en haar man onderdeel zijn van IS. Zij heeft de jihadistische ideologie van die terroristische organisaties actief uitgedragen en familieleden en vriendinnen aangespoord om ook naar Syrië te komen.
2.4.2
Op grond van dit alles heeft het hof geoordeeld dat de verdachte heeft ‘deelgenomen’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr. Gelet op wat onder 2.3.2 is overwogen geeft het oordeel van het hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook toereikend gemotiveerd.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.

4.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

5.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

5.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
5.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit alles brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 45 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2026.