Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
30 mei 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte die werd verdacht van deelneming aan terroristische organisaties Al-Shabaab en Al Qaida op het Arabisch Schiereiland (AQAP) in de periode van 2010 tot 2020. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte deelnam aan deze organisaties en diverse terroristische misdrijven met een terroristisch oogmerk.
Het bewijs bestond uit verklaringen van verdachte, onder meer over zijn verblijf in Jemen en contacten met AQAP, het ontvangen van een identiteitskaart en een aanzienlijk geldbedrag, en diverse proces-verbalen en documenten. Het hof achtte de verklaring van verdachte dat hij deze steun uit liefdadigheid ontving ongeloofwaardig en concludeerde dat hij daadwerkelijk deelnam aan de organisatie.
De Hoge Raad herhaalt de relevante jurisprudentie over het vereiste dat deelneming inhoudt dat de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in of gedragingen ondersteunt die strekken tot het verwezenlijken van het oogmerk van de organisatie. De Raad oordeelt dat de vaststellingen van het hof onvoldoende zijn gemotiveerd om te concluderen dat verdachte daadwerkelijk een aandeel had in de verwezenlijking van het terroristische oogmerk.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het gaat om de bewezenverklaring en strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor hernieuwde beoordeling. Het overige cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt bewezenverklaring deelneming en wijst zaak terug naar hof voor hernieuwde beoordeling.