Conclusie
Booking.comrespectievelijk
PGB.
1.Inleiding en samenvatting
in hoofdzaakhet bedrijf van reisagent uitoefent. Het hof heeft die (feitelijke) vraag bevestigend beantwoord. Booking.com heeft tegen die beslissing cassatieberoep ingesteld. Naar ik meen is het hof op grond van een juiste maatstaf tot het oordeel gekomen dat Booking.com in hoofdzaak het bedrijf van reisagent uitoefent en dat de verplichtstelling geldt voor alle jaren vanaf 1 januari 1999. Dit oordeel acht ik bovendien voldoende gemotiveerd.
2.Feiten
Bpf Reisbranche).
verplichtstellingsbesluit) [3] , zoals gewijzigd bij besluit van 22 april 1998 [4] , 31 januari 2008 (hierna: het
wijzigingsbesluit 2008) [5] en bij besluit van 8 juni 2015 (hierna: het
wijzigingsbesluit 2015) [6] , is deelneming in de bedrijfstakpensioenregeling van de Reisbranche, uitgevoerd door het Bpf Reisbranche, verplicht gesteld voor werknemers van 21 tot 67 jaar die werkzaam zijn in de bedrijfstak van de reisbranche.
wijzigingsbesluit 2020). [8] Deelneming is verplicht gesteld voor “
iedere man of vrouw vanaf de eerste dag van indiensttreding bij de werkgever tot de eerste dag van de maand waarin hij of zij recht krijgt op een AOW-uitkering (…) (h) die krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst is van een werkgever in de Reisbranche (…)”.
Een onderneming of een deel van de onderneming wordt geacht in hoofdzaak het bedrijf van reisorganisator en/of reisagent uit te oefenen, indien meer dan 50% van de loonsom van de desbetreffende onderneming (of een onderdeel daarvan) daaraan moet worden toegeschreven.”
Artikel 3
Directors’ report
Management board’s report
3.Procesverloop
vonnis) heeft de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam de vordering van PGB afgewezen. [10] Er zou geen sprake zijn van bemiddeling bij de totstandkoming van een reisovereenkomst en Booking.com zou daarom geen reisagent zijn in de zin van het verplichtstellingsbesluit. Bij arrest van 28 mei 2019 bekrachtigde het hof Amsterdam dat vonnis. [11]
3 Beoordeling van het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep
4.Beoordeling van het middel in het principale beroep
hof) ter verdere behandeling en beslissing.
arrest) heeft het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd en – opnieuw rechtdoende – de (primaire) vordering van PGB toegewezen. Zakelijk weergegeven overweegt het hof daartoe het volgende:
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1: klachten tegen het oordeel van het hof dat aan het hoofdzakelijkheidscriterium is voldaan.
Onderdeel 2: klachten over de toepassing van de regels van verdeling van stelplicht en bewijslast in het kader van de beoordeling of aan het hoofdzakelijkheidscriterium is voldaan.
Onderdeel 3: klachten tegen de beoordeling van het door Booking.com gevoerde verweer dat PGB geen belang heeft bij haar vordering en het in dat kader gedane beroep op verjaring.
Onderdeel 4: klachten over de overwegingen waarin het beroep van Booking.com op rechtsverwerking wordt verworpen.
Onderdeel 5: een voortbouwklacht gericht op de proceskostenveroordeling.
Wet Bpf). [14] Deze wet is met ingang van 1 januari 2001 vervangen door de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna:
Wet Bpf 2000) [15] . Een onder de Wet Bpf tot stand gekomen verplichting tot deelname in een bedrijfspensioenfonds wordt aangemerkt als een verplichtstelling op grond van de Wet Bpf 2000 (art. 39 lid 3 Wet Pro Bpf 2000). [16] Bestaande verplichtstellingen bleven (dus) van kracht en de Wet Bpf 2000 is vanaf haar invoering op die verplichtstellingen van toepassing. [17] De rechtsbetrekkingen tussen werkgevers en werknemers met betrekking tot pensioen gebaseerd op de Wet Bpf 2000 stelt art. 2 lid Pro 2, aanhef en onder a, Pensioenwet (hierna:
Pw) gelijk met een pensioenovereenkomst. Per 1 juli 2023 is de Pw gewijzigd door de Wet toekomst pensioenen, [18] maar dat brengt voor deze procedure geen relevante wijziging mee. [19]
i) Ontvankelijkheid
Het verweer van Booking.com dat een eventuele vordering van PGB tot betaling van pensioenpremies verjaard is, en dat PGB daarom geen belang heeft bij de door haar gevraagde verklaring voor recht, wordt verworpen.Voor zover er sprake is van verjaring van een vordering van PGB op Booking.com tot betaling van (achterstallige) pensioenpremies, geldt dat gelet op de verjaringstermijn in elk geval niet voor de periode die aanvangt vijf jaar voor de datum van de inleidende dagvaarding (10 juni 2015) of die aanvangt vijf jaar voor het eerste moment van formele aanschrijving van 12 augustus 2014. Maar ook los daarvan heeft PGB een gerechtvaardigd belang bij haar vorderingen, aangezien zij er terecht op heeft gewezen dat zij moet weten of de werknemers van Booking.com te zijner tijd een vordering tot pensioenbetaling op haar hebben. Dit is het geval als Booking.com onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt, ook als Booking.com voor haar werknemers geen pensioenpremie aan Bpf Reisbranche/PGB heeft afgedragen of over een bepaalde periode niet meer hoeft af te dragen als gevolg van een mogelijk geslaagd beroep op verjaring.”
Ten eerste(de vierde volzin) zijn niet alle vorderingen verjaard.
Ten tweede(vanaf de vijfde volzin) heeft PGB, zelfs als over een bepaalde periode premievorderingen op Booking.com verjaard zouden zijn, in ieder geval belang bij haar vordering omdat zij moet weten of de werknemers van Booking.com te zijner tijd een vordering tot pensioenbetaling hebben.
gelet op het bepaalde in art. 236 Rv Pro”, aldus Booking.com. Ik vat deze stelling, mede gelet op de schriftelijke toelichting van Booking.com onder 130-131, zo op dat Booking.com vreest dat in een ander geding tussen PGB en Booking.com gezag van gewijsde (art. 236 Rv Pro) toekomt aan de beslissing van het hof over het in elk geval in bepaalde perioden niet verjaard zijn van premievorderingen van PGB op Booking.com.
in beginselgeen verklaring voor recht omtrent het bestaan of de inhoud van de verbintenis vorderen. [21] Toch meen ik dat de veronderstelling van Booking.com in dit geval onjuist is.
Rechtsvorderingen tot betaling vanrenten van geldsommen, lijfrenten, dividenden, huren, pachten en voorts
alles wat bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald, verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die
waarop de vordering opeisbaar is geworden.”
de opeisbaarheidvan de vordering. Indien geen termijn voor de nakoming is gesteld is de schuld onmiddellijk opeisbaar. [52] Dit volgt uit art. 6:38 BW Pro: indien geen tijd voor de nakoming is bepaald, kan de verbintenis terstond worden nagekomen en kan terstond nakoming worden gevorderd. Als wel een termijn voor de nakoming van een verbintenis is bepaald, is sprake van een verbintenis onder opschortende tijdsbepaling. [53] Dit wordt ook wel een ‘niet-opeisbare verbintenis’ genoemd. [54] Een rechtshandeling kan onder een tijdsbepaling worden verricht, tenzij uit de wet of uit de aard van de rechtshandelingen anders voortvloeit (art. 3:38 BW Pro).
procesinleiding onder 49) heeft het hof in rov. 6.4 (hiervoor geciteerd in 4.4) gemeend dat (eventuele) vorderingen van PGB op Booking.com van ná 10 juni 2010 of van ná 12 augustus 2009
nietzijn verjaard. Dat zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting over het aanvangsmoment van de verjaringstermijn van art. 3:308 BW Pro. In het licht van de vaststelling (rov. 6.17) dat Booking.com met ingang van 1 januari 1999 onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt en vanaf die datum verplicht was/is deel te nemen, heeft het hof in rov. 6.4 miskend dat (i) de verjaringstermijn begint na aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden en/of (ii) dat de vorderingen van een bedrijfstakpensioenfonds op een werkgever tot betaling van pensioenpremies van rechtswege ontstaan en opeisbaar worden op het moment dat een werkgever aan de voorwaarden voor verplichte deelneming voldoet. Dit laatste zou volgen uit het arrest
Carlandeuit 2015 waar de Hoge Raad het volgende heeft overwogen:
In het onderdeel ligt besloten de klacht dat het hof heeft miskenddat voor de vaststelling van het moment waarop de schulden zijn ontstaannoch het moment van de aanmelding van de vennootschap bij het Pensioenfonds, noch het moment van de oplegging van de aanslagen bepalend is. De klacht is gegrond. De vorderingen van het Pensioenfonds op Carlande [de werkgever, A-G]ontstonden van rechtswege op het moment waarop zij aan de voorwaarden voldeed voor verplichte deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds(art. 3 en Pro 4 Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000). (…).”
periodiekverschuldigd zijn en dus ook periodiek opeisbaar worden en niet in een keer opeisbaar worden zodra de verplichte aansluiting en dus premieplichtigheid in zijn algemeen ingaat. [68] Dat Booking.com vanaf 1 januari 1999 tot premiebetaling was gehouden (als aan het hierna te bespreken ‘hoofdzaakvereiste’ is voldaan), betekent niet dat
alletoekomstige premievorderingen vanaf die datum
opeisbaarzijn. Een premie is verschuldigd over een bepaalde periode en is – mede gelet op art. 26 Pw Pro – periodiek door de werkgever te betalen. Premievorderingen ontstaan steeds opnieuw met verloop van de tijd en worden ook steeds opnieuw opeisbaar. [69] Als de premie per kalendermaand verschuldigd wordt, gaat gedurende elk kalenderjaar – vanaf het moment van opeisbaarheid van elke afzonderlijke vordering – twaalf keer een afzonderlijke verjaringstermijn lopen.
nietafhankelijk van de bekendheid van PGB met de vordering. Dat blijkt uit de tekst en de wetssystematiek. Art. 3:308 BW Pro heeft, net als art. 3:307 BW Pro, een ander uitgangspunt dan art. 3:309-3:311 BW: er geldt geen subjectief bepaald aanvangsmoment voor de verjaringstermijn, maar uitsluitend het objectieve aanvangsmoment van de opeisbaarheid. [70] Dit heeft tot gevolg dat periodieke premievorderingen kunnen zijn verjaard vóórdat een bedrijfstakpensioenfonds bekend is met de vordering en daarmee van de opeisbaarheid daarvan. [71] De kantonrechter van de rechtbank Rotterdam heeft een en ander in een uitspraak uit 2021 helder verwoord: [72]
allepremievorderingen van PGB dus
nietvijf jaar ná 1 januari 1999. Lopende verjaringstermijnen kunnen bovendien worden gestuit (art. 3:316-3:318 BW), waardoor een nieuwe verjaringstermijn aanvangt (art. 3:319 BW Pro). Het hof heeft een en ander niet miskend.
procesinleiding onder 50. Daar gaat Booking.com uit van de lezing dat ‘de’ verjaringstermijn van vijf jaar (art. 3:308 BW Pro) in 1999 is aangevangen en wordt geklaagd over het oordeel van het hof in rov. 6.4 dat zou impliceren dat een voltooide verjaringstermijn kan worden gestuit. Die klacht mist feitelijke grondslag in het arrest (art. 419 lid 2 Rv Pro). In het oordeel van het hof ligt besloten dat het ervan uitgaat dat de premie periodiek verschuldigd is en dat de vorderingen (dus) steeds opnieuw ontstaan en steeds opnieuw opeisbaar worden. Het hof oordeelt dat stuiting heeft plaatsgevonden van de op het moment van stuiting lopende verjaringstermijnen.
procesinleiding 52 en 53klachten aan over het gedeelte van rov. 6.4 waar het hof overweegt dat de vorderingen van PGB op Booking.com niet zijn verjaard voor de periode die aanvangt vijf jaar vóór het eerste moment van
formele aanschrijving van 12 augustus 2014. Als deze beslissing zo moet worden begrepen dat deze ‘formele aanschrijving’ als stuitingshandeling heeft te gelden, dan heeft het hof daarmee het limitatieve stelsel van gronden voor stuiting van art. 3:316 t/m 3:318 BW miskend, aldus Booking.com. Volgens het middel staat in cassatie vast dat de ‘formele aanschrijving’ een vragenformulier behelst; zo’n formulier kan niet kwalificeren als een stuitingshandeling. Als het hof dit niet heeft miskend, is het in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk dat de formele aanschrijving als één van de in de wet bedoelde stuitingsgronden moet worden gekwalificeerd. Uit de gedingstukken zou namelijk volgen dat de aanschrijving (slechts) een vragenformulier is, en geen stuitingshandeling.
Ten eerstebestaat geen belang bij cassatie op dit punt. Het hof heeft namelijk ook beslist dat de vorderingen niet verjaard zijn voor de periode die aanvangt vijf jaar vóór de datum van de
inleidende dagvaarding van 10 juni 2015. Die beslissing is niet bestreden in cassatie en draagt zelfstandig het oordeel van het hof dat wél belang bestaat bij de door PGB gevraagde verklaring voor recht.
Ten tweedeheeft Booking.com het schrijven van 12 augustus 2014 in haar verweer tegen de vordering van PGB zelf geduid als een stuitingshandeling.
21 PETITUM; VERJARING EN OVERIGE WEREN
in procesinleiding onder 55) over de tweede pijler onder het belangoordeel in rov. 6.4. Het hof overweegt (vanaf de vijfde volzin) dat PGB, zelfs als
over een bepaalde periodepremievorderingen op Booking.com verjaard zouden zijn, in ieder geval belang heeft bij haar vordering omdat zij moet weten of de werknemers van Booking.com te zijner tijd een vordering tot pensioenbetaling hebben. Dit oordeel zou zich volgens Booking.com niet anders laten lezen dan dat het hof heeft overwogen dat ook als ervan wordt uitgegaan dat een eventuele vordering van PGB
volledigis verjaard, PGB een gerechtvaardigd belang heeft bij de gevraagde verklaring voor recht.
een bepaalde periodezijn verjaard, niet het geval dat
allevorderingen zouden zijn verjaard.
iii) rechtsverwerking/beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid
Bpf Reisbranche/PGB heeft althans bij Booking.com het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij een eventuele(premie)aanspraak niet meer geldend zou maken. De positie van Booking.com zou onredelijk worden benadeeld en/of verzwaard als Bpf Reisbranche/Bpf [bedoeld zal zijn: Bpf Reisbranche/PGB, A-G] dit alsnog zou doen.De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid brengt mee dat artikel 4 van Pro de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 niet van toepassing is, althans dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om hierop een beroep te doen, zodat Booking.com niet onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit kan vallen en niet verplicht is premie af te dragen aan PGB. Booking.com opereert wereldwijd en heeft veel medewerkers uit verschillende landen, zodat zij nauwelijks meer een Nederlands bedrijf kan worden genoemd. Het personeelsverloop is zeer hoog als gevolg van het grote aantal nationaliteiten en de gemiddelde jonge leeftijd, zodat uitvoering van een bpf-regeling voor Booking.com om praktische redenen moeilijk is voor te stellen. Voor het verleden is al helemaal niet meer te achterhalen welke werknemer wanneer werkzaam is geweest. De werknemers van Booking.com hebben bovendien veelal een technische achtergrond en hebben geen enkele affiniteit met de reisbranche. Deze werknemers zijn ook erg jong, zodat de premie die Booking.com aan PGB voor hen zou moeten afdragen veel hoger is dan de premie die Booking.com nu voorhaar eigen pensioenregeling moet afdragen. Aannemelijk is dat de werknemers voor het overgrote deel nooit een pensioenuitkering zullen vragen aan PGB: zij zijn niet op de hoogte van hun eventuele rechten en wonen grotendeels buiten Nederland. Tot slot voert Booking.com aan dat zowel haar werknemers als de ondernemingsraad niet willen deelnemen in een bedrijfstakpensioenfonds.
De vraag of het al dan niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als PGB van Booking.com – over de gehele aansluitperiode - pensioenpremies vordert, is in deze procedure niet aan de orde en kan daarmee onbesproken blijven.”
procesinleiding 56uiteen dat het hof in rov. 6.12 de twee gronden van het beroep van Booking.com op rechtsverwerking heeft samengevat: (i) gerechtvaardigd vertrouwen én (ii) onredelijke benadeling of verzwaring van haar positie. Het hof heeft de tweede grond in rov.6.13 niet behandeld, aldus
procesinleiding onder 57-58, maar zich beperkt tot de eerste grond. Voor zover het hof heeft gemeend dat het de tweede grond niet hoefde te beoordelen, getuigt dat van een onjuiste rechtsopvatting (
procesinleiding onder 59). Indien het hof dit niet heeft miskend, dan is rov. 6.13 onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd. In de oordeelsvorming is geen (kenbare) aandacht besteed aan het betoog dat de positie van Booking.com onredelijk zou worden benadeeld en/of verzwaard (
procesinleiding onder 60).
allegronden die zien op het niet (meer) mogen vorderen van premies – inclusief het argument dat de positie van Booking.com daardoor onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard – onbesproken kunnen blijven, omdat dit niet aan de orde is in deze procedure. Ook zonder daar inhoudelijk op in te gaan, heeft het hof dit argument dus wel behandeld.
procesinleiding onder 60-61) houdt in dat het hof in het kader van de bespreking van de tweede grond voor rechtsverwerking had moeten ingaan op een aantal in de procesinleiding opgesomde stellingen. Deze stellingen komen erop neer dat verplichte deelname van Booking.com tot allerlei praktische problemen zou leiden. [79] Dit kan gezien het in cassatie in stand blijvende oordeel van het hof (‘mogelijkheid vorderen van premies kan onbesproken blijven, want niet aan de orde’) tot niets leiden. Geen van de zeven stellingen is in het licht van dat oordeel essentieel te noemen, in de zin dat (een of meer van) deze stellingen – indien juist bevonden – tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. [80] Ook deze klacht treft geen doel.
werknemersgerelateerde werkingssfeerbepaling zijn juist de door de werknemers te verrichten werkzaamheden bepalend voor de vraag of het bedrijfstakpensioenfonds verplicht op hen van toepassing is. [87]
Het hof is van oordeel dat uit de in dit geding vaststaande feiten redelijkerwijs niet anders kan worden afgeleid dan dat de kern en het zwaartepunt van de bedrijfsactiviteiten van Booking.com gelegen zijn in het via haar reserveringsplatform bemiddelen bij het (online) boeken van accommodaties.In de informatie op de website en in de algemene voorwaarden van Booking.com (zie hierboven onder 3.8 tot en met 3.10) staat de door Booking.com geboden mogelijkheid tot het wereldwijd (online) boeken van accommodaties centraal. Dat dit de kernactiviteit van Booking.com is kan ook worden afgeleid uit de omschrijving van het statutaire doel van Booking.com in artikel 3 onder Pro a van haar statuten (zie hierboven onder 3.5), en uit de jaarstukken van Booking.com over 2018 en 2020 (zie hierboven onder 3.6 en 3.7). Zo staat bijvoorbeeld in de jaarstukken over 2018 onder het kopje “Activities” vermeld: “The principal activity of the Company is to provide online accommodation reservation services”. Het feit dat de omzet van Booking.com grotendeels wordt gegenereerd doordat klanten via de website van Booking.com accommodaties boeken en Booking.com hiervoor een commissie ontvangt, vormt hiervoor eveneens een belangrijke aanwijzing (“The Company derives its revenue from booking commissions earned from accommodations” en “Our financial results and prospects are almost entirely dependent upon the sale of travel services” (uit de jaarstukken 2020, zie hierboven onder 3.7). Dat één en ander niet blijkt uit de bedrijfsomschrijving van Booking.com in het handelsregister is in het licht van het bovenstaande onvoldoende zwaarwegend om tot een ander oordeel te komen.
Het hof is van oordeel dat ook de werkzaamheden die betrekking hebben op het ontwikkelen, onderhouden, vernieuwen en uitbreiden van het reserveringsplatform (“ontwikkelactiviteiten”) redelijkerwijs kunnen worden toegeschreven aan de bemiddeling door Booking.com bij het boeken van een accommodatie.Hieronder valt bijvoorbeeld ook de ontwikkeling door Booking.com van nieuwe (technische of andere) producten waarmee het gebruiksgemak en de aantrekkelijkheid van het reserveringsplatform (voor zowel klanten als accommodatiehouders) wordt vergroot. Zoals ook wordt bevestigd in de jaarstukken van Booking.com over 2020 (zie hierboven onder 3.7) is het voor de concurrentiepositie van Booking.com immers van essentieel belang dat haar platform zo goed mogelijk functioneert en technisch up-to-date is, en dat het gebruik ervan – onder meer door het bieden van extra services en/of producten – voor zowel klanten als accommodatiehouders zo eenvoudig en aantrekkelijk mogelijk is.
Daarmee wordt het boeken van een accommodatie bevorderd, en de omzet van Booking.com vergroot. De (IT- en software)werkzaamheden die hiermee gemoeid zijn dragen bij aan de (bemiddeling bij de) totstandkoming van reisovereenkomsten, en moeten dan ook alle worden toegerekend aan de kernactiviteit van Booking.com: het bemiddelen bij de totstandkoming van een boeking van een accommodatie.
Deze producten dragen daarmee bij aan de totstandkoming van reisovereenkomsten en zijn dus dienstbaar aan de uitoefening door Booking.com van het bedrijf van reisagent.
Ook de ontwikkeling van deze producten moet naar het oordeel van het hof worden toegeschreven aan de uitoefening van het reisagentschap door Booking.com. In het verplichtstellingsbesluit wordt gesproken van ‘overeenkomsten op het gebied van reizen in de ruimste zin des woord, waaronder worden begrepen overeenkomsten inzake vervoer, verblijf en pakketreizen’. Het bemiddelen bij de totstandkoming van een overeenkomst tot het huren van een auto, of het boeken van een taxi of vliegticket, zijnde overeenkomsten tot vervoer, valt naar het oordeel van het hof onder deze (ruime) omschrijving.Uit de jaarstukken van Booking.com over 2020 (zie hierboven onder 3.7) leidt het hof bovendien af dat Booking.com het boeken van een vliegticket of huurauto zelf ook als (onderdeel van) een reisovereenkomst (“
travel”) beschouwt. Door de klant de mogelijkheid te bieden om niet alleen een accommodatie te boeken (zoals gezegd de kernactiviteit van Booking.com) maar tegelijkertijd ook een vliegticket, taxi of huurauto, wordt het gebruik van het reserveringsplatform aantrekkelijker en wordt de totstandkoming van een boeking van een accommodatie bevorderd. Dit laatste geldt ook voor de door Booking.com geboden mogelijkheid tot het boeken van een ticket voor een concert, theater of attractie. Dat een klant deze producten bij Booking.com ook los kan boeken van een accommodatie is onvoldoende om deze producten niet te beschouwen als onderdeel van / toe te rekenen aan de uitoefening van het reisagentschap door Booking.com.
Gesteld noch gebleken is dat het boeken van dergelijke losse producten zodanig veelvuldig gebeurt dat dit anders beoordeeld moet worden, en uit de jaarstukken of andere stukken blijkt niet van enige gespecificeerde omzet of een toerekening van de loonsom op dit punt.Er zijn dan ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het boeken van een huurauto, taxi en/of (vlieg- of evenementen)tickets als een zelfstandige bedrijfsactiviteit van Booking.com kan worden beschouwd.
overigeop de door Booking.com overgelegde ‘visual’ genoemde producten (Property Booking Engine, Display Ads, Sustainability Practices, Translation Services) hieraan geheel of gedeeltelijk moeten worden toegeschreven. In het midden kan blijven of en in hoeverre dit het geval is. Ook als dit niet zo is, heeft Booking.com
niet aannemelijk gemaakt dat de loonsom die met deze overige producten gemoeid is meer dan 50% bedraagt.Zonder nadere toelichting van de zijde van Booking.com, die ontbreekt, kan niet worden vastgesteld dat de overige producten deze conclusie kunnen dragen. Booking.com heeft namelijk bij de door haar vermelde producten niet tevens vermeld welk deel van de loonsom hiermee gemoeid is (geweest). Dit had, gelet op de aard van haar verweer, in dit stadium van de procedure wel van haar verwacht mogen worden.”
procesinleiding onder 20-22zijn gericht op rov. 6.6 t/m 6.10 (zie procesinleiding onder 19). Volgens Booking.com (
procesinleiding onder 20) heeft het hof de betekenis van het hoofdzakelijkheidscriterium uit het verplichtstellingsbesluit miskend, althans daaraan een onjuiste toepassing gegeven. Bij toepassing van het hoofdzakelijkheidscriterium moet worden gekeken naar waar – gemeten naar de loonsom – de kern en het zwaartepunt van de werkzaamheden c.q. de bedrijfsactiviteiten van een werkgever daadwerkelijk liggen. [94] Het hof heeft het kernelement dat volgens het verplichtstellingsbesluit bepalend is – de loonsom – ter beantwoording van de vraag of een werkgever in hoofdzaak aan ‘reisbemiddeling’ doet, uit het oog verloren.
(…) en uit de jaarstukken of andere stukken blijkt niet van enige gespecificeerde omzet of een toerekening van de loonsom op dit punt.”) en vooral uit rov. 6.11 (met name de eerste zin: “
Uit het bovenstaande volgt dat in elk geval de loonsom die is gemoeid (geweest) met (…) moet worden toegeschreven aan het uitoefenen van het bedrijf van reisagent door Booking.com.”). Booking.com miskent dat het hof vóórdat de loonsom wordt toegeschreven (rov. 6.11), eerst heeft bepaald waaraan en in hoeverre die toeschrijving moet plaatsvinden (rov. 6.6-6.10). Daarbij is als uitgangspunt genomen dat de Hoge Raad heeft bepaald dat Booking.com een ‘(online) reisagent’ is als bedoeld in het verplichtstellingsbesluit (rov. 6.1-6.2). Ik citeer nogmaals dat besluit:
Een onderneming of een deel van de onderneming wordt geacht in hoofdzaak het bedrijf van reisorganisator en/of reisagent uit te oefenen, indien meer dan 50% van de loonsom van de desbetreffende onderneming (of een onderdeel daarvan) daaraan moet worden toegeschreven.”
toegeschreven, valt de onderneming onder de verplichtstelling. Deze formulering (‘toegeschreven’) laat zien dat ook de loonsom gemoeid met werkzaamheden die het zijn van reisagent ondersteunen, kunnen worden meegeteld. De vraag is dan vervolgens: welke loonsom van welke werknemers telt mee? [95] In dat kader zal eerst moeten worden bezien in hoeverre het uitoefenen van het bedrijf van ‘reisagent’ centraal staat binnen Booking.com. Volgens het hof is de kern en het zwaartepunt van de bedrijfsactiviteiten van Booking.com het via haar reserveringsplatform bemiddelen bij het (online) boeken van accommodaties (rov. 6.6), dat wil zeggen: het zijn van reisagent. Hieraan kunnen allerlei werkzaamheden worden toegeschreven, zoals werkzaamheden die betrekking hebben op het ontwikkelen, onderhouden, vernieuwen en uitbreiden van het reserveringsplatform (rov. 6.7-6.9). [96] Dat zijn werkzaamheden die niet
directde kernactiviteit betreffen, maar daaraan dienstbaar zijn. [97] Volgens het hof zijn deze werkzaamheden toe te schrijven aan het uitoefenen van het bedrijf van reisagent door Booking.com en samen goed voor meer dan de helft van de loonsom van Booking.com (rov. 6.11). Eén en ander getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting over het hoofdzakelijkheidscriterium van het verplichtstellingsbesluit, en ook niet van een onjuiste toepassing ervan.
procesinleiding onder 21betoogt Booking.com dat het verplichtstellingsbesluit niet toelaat dat naar andere feiten en omstandigheden c.q. criteria dan de loonsom wordt gekeken. Uitsluitend de loonsom is relevant bij de beoordeling of aan het hoofdzakelijkheidscriterium is voldaan, aldus Booking.com. Daaraan moet strikt de hand worden gehouden, mede gezien het belang van rechtszekerheid. Het is dus niet relevant of met ‘reisbemiddeling’ omzet of winst wordt behaald, en ook andere omstandigheden kunnen geen rol spelen. Het hof heeft uitsluitend, althans in belangrijke mate geleund op andere aspecten dan de loonsom, in het bijzonder de omzet van Booking.com.
procesinleiding onder 22) is het oordeel van het hof dat Booking.com in hoofdzaak aan bemiddeling doet onjuist voor zover deze beslissing steunt op het oordeel in rov. 6.9 dat ook het bemiddelen bij de totstandkoming van een overeenkomst tot het huren van een auto valt onder de (ruime) omschrijving in het verplichtstellingsbesluit van “
overeenkomsten op het gebied van reizen in de ruimste zin des woord, waaronder worden begrepen overeenkomsten inzake vervoer, verblijf en pakketreizen”. Ondernemingen die deze activiteit uitoefenen vallen volgens Booking.com uitdrukkelijk onder de van tijd tot tijd algemeen verbindend verklaarde sectorale regelingen voor de bedrijfstak van het motorvoertuigenbedrijf en tweewielerbedrijf. Daarom mag deze activiteit (bemiddelen bij de huur van een auto) niet worden aangemerkt als vallend binnen het verplichtstellingsbesluit.
procesinleiding onder 24luidt dat indien deze overwegingen zo moeten worden begrepen dat het hof heeft gemeend dat indien vast komt te staan dat door een onderneming op enig moment aan het hoofdzakelijkheidscriterium is voldaan, daarmee vaststaat dat gedurende de gehele looptijd van de verplichtstelling door die onderneming aan dat hoofdzakelijkheidscriterium is voldaan, dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Deze klacht strandtop gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft dit niet geoordeeld.
procesinleiding onder 25houdt in dat indien de overwegingen van het hof, in samenhang met rov. 6.17 en het dictum, zo moeten worden begrepen dat Booking.com in alle jaren vanaf 1999 aan het hoofdzakelijkheidscriterium uit het verplichtstellingsbesluit heeft voldaan, dit oordeel onvoldoende is gemotiveerd. Het hof heeft immers niet (kenbaar) vastgesteld dat in al deze jaren aan het hoofdzakelijkheidscriterium is voldaan. In ieder geval kunnen de feiten en omstandigheden die het hof aan het oordeel over het voldoen aan het criterium niet dragen. De statuten stammen uit 2013, de jaarstukken (en de daaruit afgeleiden omzet) uit 2018 en 2020, de website en algemene voorwaarden uit 2015 althans 2018. Daaruit kan niet volgen dat aan het hoofdzakelijkheidscriterium is voldaan voor alle jaren vanaf 1999.
Booking.com heeft de door PGB gevorderde ingangsdatum van 1 januari 1999 niet gemotiveerd weersproken. Daarom zal het hof het vonnis van de kantonrechter te Amsterdam vernietigen, en de vorderingen van PGB alsnog toewijzen zoals hieronder is vermeld.(…).
met ingang van 1 januari 1999voor deelname aan de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Reisbranche,
en sinds 1 januari 2021de Stichting Pensioenfonds PGB;
procesinleiding onder 26dat het hof in ieder geval niet, in het licht van de temporele toepassing van het hoofdzakelijkheidscriterium, het bewijsaanbod van Booking.com had mogen passeren dat erop zag voor alle jaren te bewijzen dat meer dan 50% van de loonsom aan de kernactiviteit ‘Technology’ kan worden toegerekend en dat Booking.com gelet op haar daadwerkelijke activiteiten in hoofdzaak geen reisagent is in de zin van het verplichtstellingsbesluit. Deze klacht is kennelijk gericht tegen rov. 6.16, waarin staat:
Bewijsaanbod/benoeming deskundige
zelfs alsBooking.com de stellingen van PGB wel voldoende had betwist en dus aan bewijslevering kon worden toegekomen, was het in beginsel niet aan Booking.com om op het punt van de verplichtstelling iets te bewijzen.
visualzijn vermeld onder het kopje ‘Nu inactief’.
procesinleiding onder 28klaagt Booking.com dat
voor zoverhet hof geen acht heeft geslagen op de producten die ‘nu inactief’ zijn omdat die producten niet relevant (kunnen) zijn voor de beoordeling of aan het hoofdzakelijkheidscriterium is voldaan, dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Ook achter die producten gaan (tech)werkzaamheden schuil, die (kunnen) maken dat de kernactiviteit van Booking.com geen ‘reisbemiddeling’, maar ‘technology’ is. Indien het oordeel niet onjuist is, dan is het ontoereikend gemotiveerd (
procesinleiding onder 29). Dat het hof de nu inactieve producten die
niet meerin de lucht zijn niet bij de oordeelsvorming heeft betrokken, onderstreept dat het hof uit het oog verloren heeft dat Booking.com in alle jaren vanaf 1999 aan het hoofdzakelijkheidscriterium moet voldoen om tot het oordeel te komen dat de verplichtstelling voor al die jaren voor Booking.com geldt. Ook dit laatste maakt het oordeel van het hof onjuist, onbegrijpelijk, en onvoldoende gemotiveerd (
procesinleiding onder 30).
Het hof is van oordeel dat ook de werkzaamheden die betrekking hebben op het ontwikkelen, onderhouden, vernieuwen en uitbreiden van het reserveringsplatform (“ontwikkelactiviteiten”) redelijkerwijs kunnen worden toegeschreven aan de bemiddeling door Booking.com bij het boeken van een accommodatie. Hieronder valt bijvoorbeeld ook de ontwikkeling door Booking.com van nieuwe (technische of andere) producten waarmee het gebruiksgemak en de aantrekkelijkheid van het reserveringsplatform (voor zowel klanten als accommodatiehouders) wordt vergroot.Zoals ook wordt bevestigd in de jaarstukken van Booking.com over 2020 (zie hierboven onder 3.7) is het voor de concurrentiepositie van Booking.com immers van essentieel belang dat haar platform zo goed mogelijk functioneert en technisch up-to-date is, en dat het gebruik ervan - onder meer door het bieden van extra services en/of producten - voor zowel klanten als accommodatiehouders zo eenvoudig en aantrekkelijk mogelijk is. Daarmee wordt het boeken van een accommodatie bevorderd, en de omzet van Booking.com vergroot.
De (IT- en software)werkzaamheden die hiermee gemoeid zijn dragen bij aan de (bemiddeling bij de) totstandkoming van reisovereenkomsten, en moeten dan ook alle worden toegerekend aan de kernactiviteit van Booking.com: het bemiddelen bij de totstandkoming van een boeking van een accommodatie.”
procesinleiding onder 32stelt Booking.com dat onvoldoende gemotiveerd is het oordeel dat de kern en het zwaartepunt van de bedrijfsactiviteiten van Booking.com zijn gelegen in het via haar reserveringsplatform bemiddelen bij het (online) boeken van accommodaties. Dit heeft Booking.com als volgt onderbouwd:
procesinleiding onder 33).
procesinleiding onder 34):
tech companyen schaart zich in de lijst van Nederlands grootste techbedrijven, terwijl ook anderen, waaronder de Europese wetgever, Booking.com zien als een
tech company.
topic-agnosticen kan voor bijna elk systeem of product worden toegepast.
hospitalitysector, en gaan meestal elders een techfunctie bekleden.
war on talent.
procesinleiding onder 35-37). Dit primaire verweer komt erop neer dat alle technici die bij Booking.com werken, aan de kernactiviteit Technology moeten worden toegerekend. Dat blijkt uit zowel de samenvatting van het standpunt van Booking.com in rov. 6.5 als uit de beoordeling in rov. 6.6-6.11.
procesinleiding 38)
waaromdeze stellingen essentieel zijn, terwijl zij daartoe in beginsel wel gehouden is. [103] Verder is uitgangspunt dat de feitenrechter niet op
alledoor de procespartijen ter ondersteuning van hun standpunt aangevoerde stellingen en argumenten hoeft in te gaan. [104]
Gesteld noch gebleken is dat het boeken van dergelijke losse producten zodanig veelvuldig gebeurt dat dit anders beoordeeld moet worden, en uit de jaarstukken of andere stukken blijkt niet van enige gespecificeerde omzet of een toerekening van de loonsom op dit punt.
Er zijn dan ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het boeken van een huurauto, taxi en/of (vlieg- of evenementen)tickets als een zelfstandige bedrijfsactiviteit van Booking.com kan worden beschouwd.
Ook als dit niet zo is, heeft Booking.com niet aannemelijk gemaakt dat de loonsom die met deze overige producten gemoeid is meer dan 50% bedraagt. Zonder nadere toelichting van de zijde van Booking.com, die ontbreekt, kan niet worden vastgesteld dat de overige producten deze conclusie kunnen dragen.Booking.com heeft namelijk bij de door haar vermelde producten niet tevens vermeld welk deel van de loonsom hiermee gemoeid is (geweest). Dit had, gelet op de aard van haar verweer, in dit stadium van de procedure wel van haar verwacht mogen worden.
procesinleiding onder 41betoogt Booking.com dat indien het hof heeft bedoeld te oordelen dat het aan Booking.com is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat
nietaan het hoofdzakelijkheidscriterium uit het verplichtstellingsbesluit is voldaan, dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de stelplicht en bewijslastverdeling die hier geldt. Uit de hoofdregel van art. 150 Rv Pro volgt dat het aan PGB is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat aan dat hoofdzakelijkheidscriterium is voldaan, en niet aan Booking.com om het tegendeel te bewijzen.
in het kader van haar betwistingvan de stellingen van PGB te weinig heeft gesteld of aannemelijk heeft gemaakt. Daarmee is de hoofdregel van art. 150 Rv Pro niet miskend. Ook het passeren van het bewijsaanbod in rov. 6.16 betekent niet dat het hof heeft geoordeeld dat het aan Booking.com is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat zij niet onder de verplichtstelling valt. Het passeren van het bewijsaanbod heeft in mijn ogen te maken met bewijs aangeboden ten aanzien van de zelfstandige of bevrijdende verweren die Booking.com heeft gevoerd, zoals haar beroep op rechtsverwerking. [106]
procesinleiding onder 42haar klachtenreeks met het bestrijden van een mogelijke lezing van rov. 6.9, 6.11 en 6.16, die inhoudt dat het hof heeft gemeend dat van PGB niet kan worden gevergd dat zij haar stellingen onderbouwt, omdat de daarvoor benodigde gegevens zich in het domein van Booking.com bevinden, zodat het op de weg van Booking.com ligt om in het kader van haar betwisting zodanige feitelijke gegevens te verstrekken dat zij PGB aanknopingspunten verschaft voor een eventuele onderbouwing van haar stellingen. Als deze lezing juist is, dan luidt de klacht dat het impliciete oordeel van het hof dat Booking.com onvoldoende aanknopingspunten heeft verschaft, waaraan het hof klaarblijkelijk het gevolg heeft verbonden dat aan het hoofdzakelijkheidscriterium is voldaan, onbegrijpelijk is in het licht van de gedingstukken en het door Booking.com gedane aanbod om een deskundige te benoemen.
de klacht niet tot cassatie kan leidenomdat de feitelijke grondslag voor die klacht ontbreekt.
procesinleiding onder 43stelt Booking.com dat indien het hof het bewijsaanbod van Booking.com – voor zover dat zag op het hoofdzakelijkheidscriterium – in rov. 6.16 heeft gepasseerd omdat geen bewijs is aangeboden van
specifiekestellingen, die indien bewezen tot een ander oordeel (kunnen) leiden, het hof heeft miskend dat Booking.com een aanbod tot het leveren van
tegenbewijs deed en dat een dergelijk aanbod geen specificatie behoeft.
geen concreet bewijs is aangeboden van feiten die, indien bewezen, leiden tot een andere beslissing”. Daarmee oordeelt het hof over de relevantie van het aangeboden bewijs en niet over de (mate van) specificatie van het bewijsaanbod. [109]
procesinleiding onder 44houdt in dat de beslissing in rov. 6.16 om het bewijsaanbod te passeren omdat geen concreet en ter zake dienend bewijs zou zijn aangeboden, onbegrijpelijk is in het licht van de gedingstukken. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat het bewijs dat Booking.com heeft aangeboden onvoldoende concreet en niet ter zake dienend is. Onder meer [110] is aangeboden te bewijzen dat over alle jaren heen meer dan 50% van de loonsom aan de kernactiviteit ‘technology’ kan worden toegeschreven. Hiermee bedoeld Booking.com IT-activiteiten met name op het gebied van innovatie en ontwikkeling (‘development’). [111]
geen klacht, maar eerder een verzuchting. Mocht bedoeld zijn te klagen over de beslissing om geen informatie bij een deskundige in te winnen, wijs ik erop dat art. 194 lid Pro 1, eerste volzin, Rv de rechter een discretionaire bevoegdheid verleent om informatie bij een deskundige in te winnen. Het is – ook als een partij een verzoek doet – overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt of hij van de bevoegdheid gebruik maakt. [112] Dit kan in cassatie niet worden getoetst. [113]