ECLI:NL:HR:2012:BT8462
Hoge Raad
- Cassatie
- E.J. Numann
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- C.A. Streefkerk
- C.E. Drion
- G. Snijders
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Geen verjaring van pensioenaanspraken op grond van het pensioenreglement van BPF
In deze zaak staat centraal of pensioenaanspraken van de verweerder over de periode 1 januari 1988 tot 1 november 1989 bij het Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg (BPF) zijn opgebouwd en of deze aanspraken zijn verjaard. De verweerder werkte bij een werkgever die aangesloten was bij BPF, maar waarvoor in genoemde periode geen pensioenpremies aan BPF zijn afgedragen.
De kantonrechter en het hof hebben de vordering van de verweerder tot toekenning van pensioenaanspraken toegewezen. BPF stelde in cassatie dat deze aanspraken verjaard zijn op grond van art. 3:307 BW Pro, maar het hof verwierp dit standpunt. Het hof oordeelde dat pensioenaanspraken rechtstreeks uit het pensioenreglement voortvloeien en dat het bestuur van BPF slechts administratief vastlegt dat aanspraken zijn opgebouwd, zonder dat sprake is van een verbintenis tot een geven of doen.
De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en wijst het beroep van BPF af. De Hoge Raad benadrukt dat het ontstaan van pensioenaanspraken niet afhankelijk is van een toekenningshandeling door BPF, maar van het voldoen aan de voorwaarden in het pensioenreglement. Verjaring van de vordering tot toekenning is daarom niet aan de orde. Ook het argument dat pensioenaanspraken een zelfstandig vermogensrecht zijn, verandert hier niets aan. Het risico van wanbetaling door de werkgever rust op BPF.
Hiermee wordt bevestigd dat de vordering van de verweerder een verklaring voor recht betreft dat aanspraken altijd hebben bestaan, en niet een vordering tot nakoming van een verbintenis die kan verjaren.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de pensioenaanspraken niet zijn verjaard en bevestigt dat deze rechtstreeks uit het pensioenreglement voortvloeien.