Conclusie
1.Feiten en procesverloop
1. De vader is alleen tegen de beëindiging van zijn gezag in hoger beroep gekomen. Vraag is wat dat voor de positie van de moeder betekent.
2.Bespreking van de prejudiciële vragen
- de belanghebbende in verzoekschriftprocedures in het algemeen (2.2-2.5);
- informanten in verzoekschriftprocedures in zaken betreffende het personen- en familierecht (2.6-2.7);
- ‘rechtstreeks belanghebbende’ in verzoekschriftprocedures in zaken betreffende het personen- en familierecht (anders dan scheidingszaken) (2.8-2.12);
- rechtstreeks belang in de zin van de Awb (2.13-2.15);
- toevoeging tweede volzin art. 798 lid 1 Rv Pro (2.16-2.18);
- hoger beroep in verzoekschriftprocedures in zaken betreffende het personen- en familierecht, anders dan scheidingszaken (2.19-2.24);
- nadere invulling ‘belanghebbende’ in verzoekschriftprocedures tot gezagsbeëindiging (2.25-2.27);
- juridisch ouderschap (2.28-2.30);
- pleegouderschap (2.31-2.32);
- gezag over minderjarigen (2.33-2.35);
- het ontstaan van gezamenlijk ouderlijk gezag (2.36-2.39);
- beëindiging van ouderlijk gezag bij wege van jeugdbeschermingsmaatregel (2.40-2.45);
- beëindiging van ouderlijk gezag en het recht op
- family lifein de zin van art. 8 EVRM Pro (2.51-2.58);
- beëindiging van ouderlijk gezag en het IVRK (2.59);
- rechtspraak Hoge Raad over de ‘belanghebbende’ in jeugdbeschermingszaken (2.60-2.72).
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten en verplichtingen de zaakrechtstreeksbetrekking heeft.”
is. De betrokkenheid van een belang van de persoon of instantie moet kunnen
geobjectiveerd. In de tweede plaats blijkt dat een
indirect belangniet voldoende is; de zaak moet direct (rechtstreeks) het belang van betrokkene raken. In de derde plaats geldt dat het belang van betrokkene niet hoeft vast te staan; het gaat erom dat dat (rechtstreekse) belang er
kanzijn.
family lifein de zin van art. 8 EVRM Pro én de zaak rechtstreeks betrekking heeft op dat
family life, diegene als belanghebbende wordt aangemerkt. Wanneer sprake is van
family lifein de zin van art. 8 EVRM Pro, zal hierna nog nader worden besproken (zie onder 2.51-2.58).
de toevoeging lijkt bedoeld om nog duidelijker uit te drukken dat onder “degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak betrekking heeft” niet ieder valt die pretendeert een belang in de zin van betrokkenheid bij een zaak te hebben”, zo schrijft de Adviescommissie in haar advies over art. 798 lid 1 Rv Pro. [17] Op dat advies zal hierna nog verder worden ingegaan (zie onder 2.72).
wiens belang rechtstreeks is betrokken” een zekere begrenzing van de kring van belanghebbenden is beoogd: [18]
vast te stellen.
eigen belang. [19] Het eigen belang dient daarnaast
objectief bepaalbaaren
actueelte zijn. [20] Ook moet sprake zijn van een
persoonlijk (of individueel) belang. Een persoon wiens belang niet duidelijk valt te onderscheiden van dat van anderen, heeft geen rechtstreeks bij een besluit betrokken belang. [21] Ten slotte moet het belang waarop iemand zich beroept door het besluit
rechtstreeksworden geraakt. Een ‘
afgeleid belang’ is in beginsel onvoldoende om iemand als belanghebbende bij een besluit aan te merken. Zo is een werknemer in beginsel niet belanghebbende bij een besluit dat tot diens werkgever is gericht. [22] Het begrip ‘rechtstreeks belang’ wordt in het kader van de Awb dus vooral tegen een ‘afgeleid belang’ geplaatst. In de loop der jaren is het ‘afgeleid belang’-criterium in de bestuursrechtspraak enigszins gerelativeerd. [23] De relativering houdt in dat degene met een ‘afgeleid belang’ toch als belanghebbende wordt aangemerkt op de grond dat hij in een zwaarwegend belang is getroffen, zoals een aan het EVRM ontleend fundamenteel recht of eigendomsbelangen. [24] Zo is een vreemdeling belanghebbende bij het besluit tot afwijzing van een door de werkgever ten behoeve van hem gedane aanvraag van een tewerkstellingsvergunning. Waar aanvankelijk werd geoordeeld dat de vreemdeling hierin een afgeleid belang had en niet als belanghebbende kon worden aangemerkt, wordt thans – onder invloed van rechtspraak van het EHRM – geoordeeld dat de vreemdeling wel als belanghebbende behoort te worden aangemerkt. [25] Verder werd T-Mobile aangemerkt als belanghebbende in een zaak over een bouwvergunning voor een zendmast, omdat zij als toekomstig huurster van een zendmast weliswaar een afgeleid belang heeft, maar toch belanghebbende is omdat zij wordt getroffen in een aan art. 10 lid 1 EVRM Pro ontleend fundamenteel recht. [26] Verder is het thans vaste rechtspraak dat van een ‘afgeleid belang’ geen sprake is bij tegengestelde belangen. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als de eigenaar van een pand een vergunning aanvraagt voor de sloop van dat pand, terwijl de huurder daar tegen is. De huurder zal in dat geval dus wel een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang hebben. [27]
family life.
Pleegouders worden in rechtszaken rondom hun pleegkind thans niet altijd als “belanghebbende” in de zin van artikel 798 Rv Pro beschouwd. Hierdoor hebben zij bijvoorbeeld geen wettelijk vastgelegd spreekrecht in procedures voor de rechter. De gezinsvoogd kan dit nu wel aan de rechter verzoeken, maar een dergelijk verzoek wordt niet automatisch toegewezen.
family lifein de zin van art. 8 EVRM Pro met de minderjarige hebben. Gelet op wat hiervoor (onder 2.11) is opgemerkt, kan geconstateerd worden dat de toevoeging van de tweede volzin aan art. 798 lid 1 Rv Pro eigenlijk niet nodig was geweest: wie zich kan beroepen op
family lifeén te maken heeft met een verzoek dat dit
family life rechtstreekstreft
,zal reeds op grond van de eerste volzin van art. 798 lid 1 Rv Pro moeten worden aangemerkt als belanghebbende.
Degene die de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, wordt aangemerkt als belanghebbende.’ [33] Deze laatste suggestie zou neerkomen op een verruiming van de strekking van de tweede volzin. Er is nog niets gedaan met deze suggesties, zo bleek mij uit navraag bij het ministerie van Justitie en Veiligheid.
rechtstreekse betrokkenheidgeldt voor de betreffende verzoekschriftprocedures daarmee ook in hoger beroep. Bovendien heeft te gelden dat het begrip ‘belanghebbende’ in de artikelen 798 lid 1 en 806 Rv dezelfde betekenis heeft, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis: [39]
De vraag van de leden van de SGP-fractie of het denkbaar is, en ook feitelijk zou kunnen voorkomen dat een belanghebbende in de zin van artikel 798 dat Pro niet is in de zin van artikel 806, moet ontkennend worden beantwoord. Het begrip «belanghebbende» wordt in artikel 798, eerste lid, gedefinieerd Het zou afbreuk doen aan de eenduidigheid van de nieuwe regeling, indien dit begrip in deze afdeling verschillende betekenissen zou hebben. In artikel 806 wordt Pro slechts onderscheid gemaakt tussen bekende en onbekende belanghebbenden.”
Een belanghebbende die in eerste aanleg niet is verschenen en die geen afschrift van het verzoekschrift heeft ontvangen, bij voorbeeld omdat hij door de verzoeker niet als belanghebbende is genoemd en door de rechter in eerste aanleg niet als zodanig is aangemerkt, kan toch in hoger beroep gaan. De achtergrond hiervan is dat het denkbaar is dat de rechter in hoger beroep het begrip belanghebbende van artikel 798 anders Pro uitlegt dan de rechter in eerste aanleg. Deze belangrijke bepaling kan aldus door de hogere rechter en uiteindelijk ook in cassatie worden getoetst.”
anderen wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn’ (art. 799 lid 1 Rv Pro). [42] Het opgestelde overzicht van de Implementatiecommissie is opgenomen in een in 1995 door het Ministerie van Justitie uitgebrachte brochure over het nieuwe familieprocesrecht. [43] Bij verzoekschriften tot ‘ontheffing of ontzetting uit het ouderlijk gezag’ zijn in deze brochure – in een ‘niet-limitatieve opsomming’ – als belanghebbenden vermeld: [44] - minderjarige,
fysiologisch ouderschap(waaronder biologisch en genetisch ouderschap is te verstaan) en
sociologisch ouderschap(wie heeft de verantwoordelijkheid en dagelijkse zorg voor het kind), is in het kader van het afstammingsrecht van belang het
juridisch ouderschap. [47] Hierbij gaat het om de vraag wie volgens de wet in een familierechtelijke betrekking tot het kind staat. Zie art. 1:197 BW Pro: “
Een kind, zijn ouders en hun bloedverwanten staan in familierechtelijke betrekking tot elkaar”. Juridisch ouderschap heeft verschillende rechtsgevolgen, onder meer op het terrein van het naamrecht, gezagsrecht, onderhoudsverplichtingen, erfrecht en nationaliteitsrecht. Daarnaast zijn er allerlei bijzondere regels die betrekking hebben op de rechtsverhouding van kind en zijn juridische ouders, zoals regels over kinderbijslag en onderwijs. [48]
Voogdijis onder te verdelen in voogdij die wordt uitgeoefend door een of twee personen die niet de juridische ouder van de minderjarige is of zijn, en voogdij die wordt uitgeoefend door een gecertificeerde instelling [58] (doorgaans een Stichting jeugdbescherming) (art. 1:245 lid 2 BW Pro).
juridische ouders, zie onder 2.28-2.30), mits zij zijn gehuwd of een geregistreerd partnerschap hebben (art. 1:251 lid 1 en Pro 1:253aa lid 1 BW). [61] Is dat niet het geval, dan oefent de moeder uit wie het kind geboren is, van rechtswege het gezag over de minderjarige alleen uit (art. 1:253b lid 1 BW). Om alsnog het gezamenlijk gezag te verkrijgen, kunnen de ouders van een kind dat is of wordt erkend, samen een verzoek indienen bij de griffie van de rechtbank om in het gezagsregister aan te tekenen dat zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen (art. 1:252 jo Pro. art. 1:244 BW Pro). Ook de tot het gezag bevoegde ouder van het kind die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, kan de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten dan wel om hem alleen met het gezag over het kind te belasten (art. 1:253c lid 1 BW). [62]
family life(door de echtscheiding) zo beperkt mogelijk moet worden gehouden. [65] Ook in het bepaalde in art. 1:253 lid 1 BW Pro, dat gezamenlijk gezag van rechtswege herleeft indien gewezen echtgenoten met elkaar hertrouwen of een geregistreerd partnerschap aangaan, komt de norm van gezamenlijk ouderlijk gezag tot uitdrukking. [66]
family life) in de zin van art. 8 EVRM Pro van zowel ouder(s) als kind. In de zaak
N.P./Moldavië [76] vatte het EHRM zijn rechtspraak hierover als volgt samen:
relevant and sufficient” waren. Het tweede aspect is of het besluitvormingsproces eerlijk (‘fair’) is geweest en of daarin voldoende rekening is gehouden met door art. 8 EVRM Pro beschermde belangen van betrokkenen (§ 64). [77]
margin of appreciation’). Die beoordelingsvrijheid is echter minder groot (‘
stricter scrutinity’) wanneer het gaat om verdere beperkingen, zoals beperkingen van omgangsrechten. Op zijn minst mag van de bevoegde autoriteiten worden verwacht dat op gezette tijden een herbeoordeling plaatsvindt, zodat bekeken kan worden of er een verbetering van de situatie heeft plaatsgevonden (§ 68).
family life) die niet als noodzakelijk in de zin van art. 8 lid 2 EVRM Pro kan worden beschouwd. [79]
family lifeals bedoeld in art. 8 EVRM Pro en indien deze relatie (het gezinsleven) door de procedure wordt geraakt. [89] Daarmee rijst de vraag wanneer sprake is van
family lifein de zin van art. 8 EVRM Pro. [90] Het antwoord daarop vergt een feitelijke beoordeling en is afhankelijk van het bestaan van nauwe persoonlijke betrekkingen. Het EHRM heeft dit als volgt verwoord: [91]
family lifeniet van doorslaggevend belang is of een ouder al dan niet het gezag heeft over een kind of anderszins als ‘juridische ouder’ moet worden aangemerkt. In de woorden van Bruning: “
Het EHRM gaat heel anders te werk dan de Hoge Raad. De feiten die het EHRM in deze zaak aanstipt als relevant voor het aannemen van familie- en gezinsleven zijn feiten. Het EHRM kijkt niet naar juridische concepten als 'belanghebbende', 'juridisch ouder' of 'gezag', maar naar de vraag of feitelijk invulling wordt gegeven aan family life met het kind.” [92]
family lifeheeft aangemerkt, kunnen ruwweg in drie categorieën worden onderverdeeld: (1) partnerrelaties, (2) relaties tussen volwassenen en kinderen en (3) bredere familie- en andere relaties. [93] Wat betreft de relaties tussen volwassenen en kinderen, zoals in deze zaak aan de orde, geldt het volgende. [94]
Berrehab/Nederlandheeft het EHRM hierover als volgt overwogen: [95]
21. The Court likewise does not see cohabitation as a sine qua non of family life between parents and minor children. It has held that the relationship created between the spouses by a lawful and genuine marriage — such as that contracted by Mr. and Mrs. Berrehab — has to be regarded as ‘family life’ (see the Abdulaziz, Cabales and Balkandali judgment of 28 May 1985, NJ 1988, 187, 62). It follows from the concept of family on which Art. 8 is Pro based that a child born of such a union is ipso jure part of that relationship; hence, from the moment of the child's birth and by the very fact of it, there exists between him and his parents a bond amounting to ‘family life’, even if the parents are not then living together.”
family lifeaangenomen. [96] Verder wordt uit het
Marckx-arrest afgeleid dat tussen een (alleenstaande) moeder en haar kind, vanaf het moment van de geboorte en reeds door dat enkele feit, een familie- en gezinsleven bestaat. [97] Enkel biologisch vaderschap is daarentegen onvoldoende om
family lifeaan te nemen. [98] Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist waaruit de nauwe persoonlijke betrekking met het kind blijkt. Tot de relevante omstandigheden behoort onder meer de aard van de relatie die de vader vóór de geboorte van het kind met de moeder heeft gehad. Indien deze relatie voldoende bestendig was – en in zoverre met een huwelijk valt gelijk te stellen – zal een gezins- en familieleven aangenomen kunnen worden. [99]
family lifekan ook voortvloeien uit de band die de biologische vader ná de geboorte van het kind met dat kind heeft opgebouwd, bijvoorbeeld door met het kind samen te leven en door het feitelijk op te voeden en te verzorgen. [100] Ook een combinatie van omstandigheden van vóór en na de geboorte van het kind, in onderlinge samenhang en verband bezien, kan ertoe leiden dat tussen de biologische vader en het kind een familie- en gezinsleven aanwezig wordt geacht. [101]
Ahrens/Duitslandoordeelde het EHRM dat geen sprake was van ‘
family life’ tussen de biologische vader en zijn kind. [102] Daarvoor achtte het EHRM redengevend dat de biologische vader én nooit had samengeleefd met de moeder maar slechts een seksuele relatie met haar had gehad, terwijl zij met een andere man samenwoonde, én zich nooit betrokken had getoond bij het kind voor het werd geboren. Anderzijds blijkt uit de zaak
Anayo/Duitslanddat het hebben samengeleefd door de vader met moeder of kind niet onder alle omstandigheden beslissend is voor het hebben van
family life. [103] In deze zaak had de biologische vader al voor de geboorte van de kinderen aan de moeder (vergeefs) om contact gevraagd en kort na hun geboorte via de rechter (zonder succes) om omgang verzocht. De omstandigheid dat de biologische vader zijn kinderen nog nooit had ontmoet, kon hem in dit geval dan ook niet worden tegengeworpen. Hieruit blijkt dat in uitzonderlijke omstandigheden ook
de intentievan de biologische vader om een gezins- en familieleven met zijn kinderen te hebben onder het beschermingsbereik van art. 8 EVRM Pro valt. Dit zal met name het geval zijn wanneer de vader niet verweten kan worden dat eerder nog geen
family lifemet zijn kinderen tot stand is gekomen. [104]
Anayo/Duitslanderop wijst dat ook als geen sprake zou zijn van
family lifetussen vader en kind, de vader zich in het algemeen toch op de bescherming van art. 8 EVRM Pro kan beroepen omdat de familiebanden met zijn kind in ieder geval het
private lifevan de vader raken, dat eveneens valt onder de reikwijdte van art. 8 EVRM Pro. Overwogen wordt het volgende (§ 58): [105]
family lifedan ook in dezelfde positie als biologische ouders. [108] Ook pleeg-, stief- of opvangouders kunnen een gezins- en familieleven hebben met het kind waarover zij zich ontfermen. Of hiervan sprake is zal afhangen van de feitelijke situatie, waarbij de duur van de opvoeding en verzorging, de kwaliteit van hun relatie met het kind en de rol die zij ten opzichte van het kind vervullen van belang zijn. [109] Onder omstandigheden kan ook sprake zijn van een
family lifetussen een kind en zijn grootouders. [110] Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM kan
family lifetussen ouders en meerderjarige kinderen slechts worden aangenomen indien sprake is van, “
additional factors of dependence, other than normal emotional ties”. [111]
family lifehad met het kind. [117] In een zaak waarin een volwassen vrouw verzocht om gegrondverklaring van haar ontkenning van vaderschap van haar wettige vader, oordeelde de Hoge Raad dat het hof ten onrechte haar zuster als belanghebbende had aangemerkt. [118] De eigen afstammingsrelatie van de zuster werd niet rechtstreeks geraakt door (toe- of afwijzing van) het verzoek, ook al had zij wellicht een afgeleid belang bij het voortbestaan of het verbreken van de afstammingsrelatie tussen verzoekster en hun wettige vader. Ten slotte werd in een zaak waarin de curator op de voet van art. 1:386 jo Pro. art. 1:345 lid 1 aanhef Pro en onder a BW de kantonrechter om machtiging verzocht voor de verkoop van een pand dat eigendom was van een onder bewind gestelde moeder, het oordeel van het hof dat de zoon, die het pand als huurder bewoonde, geen belanghebbende was, onvoldoende gemotiveerd geacht. Daartoe werd overwogen, kort samengevat, dat een dreigende inbreuk op de rechten van de zoon uit de huurverhouding met zijn moeder, hem tot belanghebbende kan maken in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro. [119]
niethad aangemerkt als belanghebbende in de procedure strekkende tot machtiging tot uithuisplaatsing. Overwogen werd dat de procedure een maatregel met betrekking tot het ouderlijk gezag in het kader van een
ondertoezichtstellingbetreft. Dat gezag wordt over elk minderjarig kind afzonderlijk uitgeoefend en ten aanzien van elk kind afzonderlijk moet worden beoordeeld of is voldaan aan de wettelijke criteria die gelden voor toepassing van de maatregel. Er waren in die procedure dan ook zoveel zaken aanhangig als er minderjarige kinderen waren ten aanzien waarvan de uithuisplaatsing was verzocht, zodat elke zaak het gezag over en de uithuisplaatsing van alleen het daarin betrokken kind betrof (rov. 4.3.2). Hieruit volgde volgens de Hoge Raad dat in de zaak van elk minderjarig kind enkel de uit het gezag over dat kind voortvloeiende rechten en verplichtingen van dit kind en van de ouders die het gezag over dit kind uitoefenen dan wel van anderen die dit kind als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden (de pleegouder) zijn betrokken. Daarom kunnen in die zaak slechts als belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro worden beschouwd – naast de instellingen en organen die ingevolge art. 1:261 lid 1 BW Pro de uithuisplaatsing kunnen verzoeken – de met het gezag belaste ouder(s), een ander die het minderjarige kind als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, en het kind zelf, mits dit twaalf jaren of ouder is (rov. 4.3.3). Dat de maatregel van uithuisplaatsing inbreuk zou maken op het
family lifetussen de broer en de uit huis te plaatsen minderjarigen, zoals namens de broer was aangevoerd, deed daar volgens de Hoge Raad niet aan af:
Dit wordt niet anders doordat een beslissing tot uithuisplaatsing in die zaak mede het door art. 8 EVRM Pro gewaarborgde recht van de andere minderjarige kinderen op bescherming van hun gezinsleven met het betrokken kind raakt. Voor die andere minderjarige kinderen kunnen immers geen rechten en verplichtingen voortvloeien uit het ouderlijk gezag over dat kind terwijl voor die minderjarigen evenmin rechten en verplichtingen kunnen voortvloeien uit de verzorging en opvoeding van dat kind.Het voorgaande laat overigens onverlet dat deze andere minderjarige kinderen hun uit het gezinsleven voortvloeiende door art. 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op omgang met het uithuisgeplaatste kind zonodig zelfstandig kunnen effectueren door op de voet van art. 1:377a en 377g BW een verzoek aan de rechter te doen tot vaststelling van een omgangsregeling.”
family lifehad met de uit huis te plaatsen kinderen, leidde zij daaruit af dat de broer door de uitkomst van de procedure zodanig in zijn eigen belang kan worden getroffen, dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang.
Dit oordeel doet naar ons idee het belang van de oudste broer tekort. Het uit elkaar halen van het gezin waarin hij grootgebracht is, kan onomkeerbare schade aan zijn naaste relaties berokkenen. Waar ouders minder goed functioneren, komt het veel voor dat de oudere kinderen – noodgedwongen – een andere rol dan gebruikelijk in het gezin moeten spelen. De redenering van de Hoge Raad gebaseerd op art. 798 Rv Pro – verzoeker is geen belanghebbende wegens gebrek aan materiële rechten – lijkt ons op een vicieuze cirkel neer te komen. De afwezigheid van materiële rechten tussen broers en zusters onderling is een blinde vlek die niet eens is onderkend in het IVRK. (…)”
minderzou beschermen dan een volwassene, moet volgens haar worden aangenomen dat óók de broer rechtstreeks wordt getroffen in een door art. 8 EVRM Pro beschermd recht in een procedure tot uithuisplaatsing. Verder schrijft Forder het volgende:
De Hoge Raad gaat ervan uit dat het recht om in beroep te gaan er vooral toe dient om houders van ouderlijk gezag of de feitelijke opvoeders tegen ongeoorloofd ingrijpen te beschermen. Dat een kind geen gezag heeft en niet betrokken is bij de feitelijke opvoeding is duidelijk, maar dat het kind daarom geen recht heeft zich te verzetten tegen het uit elkaar halen van het gezin is allesbehalve evident. Het is schrijnend dat [de broer] het zonder een procesrechtelijk wapen moet doen, juist nu de met het gezag en de feitelijke opvoeding belaste personen – zijn ouders – vanwege hun godsdienstige overtuiging hun rechten niet inzetten. In de opvatting van de Hoge Raad is gezag een pakketje rechten en verplichtingen dat exclusief geldt tussen de ouders en elk kind afzonderlijk. Hierbij wordt over het hoofd gezien dat de ouders het gezag niet alleen in hun eigen belang uitoefenen, maar mede ten behoeve van hun kinderen. Het gezag heeft immers op grond van art. 1:245, vierde lid BW ‘betrekking op de persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte’. De ouders vertegenwoordigen elk kind bij het geldend maken van zijn aanspraak op het gezelschap van zijn broers en zusters.”
family lifete hebben met zijn broers en zussen.
family lifemet degene wiens belangen betrokken zijn in de procedure, op zichzelf niet voldoende is om als belanghebbende te worden aangemerkt (zie onder 2.11); het gaat erom of dit
family life– dat immers tot de door art. 798 lid 1 Rv Pro beschermde rechten en verplichtingen behoort –
rechtstreekswordt geraakt door (de beslissing over) het verzoek dat in de procedure wordt beoordeeld. Net als Wesseling-van Gent ben ik van mening dat dat hier het geval was. Het belang van de broer, dus het
family lifedat hij heeft met zijn broertjes en zusjes, werd rechtstreeks geraakt door de uithuisplaatsing van die broertjes en zusjes. Dat dit belang een
rechtstreeksbelang was in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro, is nader te onderbouwen met het argument dat dat belang tevens zijn
eigenbelang was, dat bovendien
persoonlijk,
objectief bepaalbaaren
actueelwas en géén
afgeleid belangwas (de elementen van het zijn van ‘rechtstreeks belanghebbende’ in de zin van art. 1:2 Awb Pro, zie onder 2.13-2.14). Met betrekking tot dat ‘afgeleide belang’ is in het bijzonder te wijzen op de onder 2.14 besproken rechtspraak, dat als iemand in een zwaarwegend belang is getroffen, zoals een aan het EVRM ontleend fundamenteel recht, terughoudend moet worden omgegaan met het kwalificeren van dit belang als een ‘afgeleid belang’. De gedachte van annotator Wortmann, dat de broer een ‘afgeleid belang’ had in de betekenis die daaraan in het bestuursprocesrecht wordt toegekend en daarom geen belanghebbende kon zijn, deel ik dan ook niet. [124] De overweging in punt 4.3.4 van de beschikking, dat voor de
broergeen rechten en verplichtingen kunnen voortvloeien uit een beslissing over het ouderlijk gezag over de broertjes en zusjes, lijkt mij eraan voorbij te gaan dat het recht op
family lifezélf tot de bedoelde ‘rechten en verplichtingen behoort’ en dat dit recht bovendien
geraaktwordt door een beslissing over het ouderlijk gezag. Nu bij kinderbeschermingsmaatregelen altijd het belang van het betrokken kind (in deze zaak: de uit huis te plaatsen broertjes en zusjes) voorop dient te staan, had ook met het oog op de bescherming van hún
family life, die broer in het besluitvormingsproces moeten worden betrokken. Ook het IVRK vraagt om het centraal stellen van het belang van het kind (zie onder 2.59).
N.P./Moldavië, zie onder 2.46), lijdt het naar mijn mening geen twijfel dat (in ieder geval) een ouder die
family lifeheeft met het kind,
daardoorrecht heeft om betrokken te worden in het besluitvormingsproces over het treffen van kinderbeschermingsmaatregelen. De impliciete veronderstelling is hierbij dat een kinderbeschermingsmaatregel altijd (ook) het belang raakt van de ouder die
family lifeheeft met het kind.
family life tussen ouder en kind, en dat óók een ouder zonder gezag
family lifekan hebben (zie onder 2.51-2.58), betekent dit naar mijn mening dat áls een ouder zonder gezag zich kan beroepen op
family lifemet de minderjarige, hij
daardoorals belanghebbende in een procedure over een kinderbeschermingsmaatregel, zoals uithuisplaatsing, moet worden aangemerkt. Ook annotator Wortmann is dit standpunt toegedaan, zij het dat zij de kwalificatie van het zijn van belanghebbende beperkt tot de ouder zonder gezag, die het kind
mede verzorgt en opvoedt. [127] Gezien het feit dat de rechtspraak van het EHRM
nietinhoudt dat voor het hebben van
family lifedoor een ouder met zijn kind, steeds vereist is dat die ouder het kind mede verzorgt en opvoedt, vraag ik mij af of dat de juiste maatstaf is. Naar mijn mening gaat het er steeds om of de ouder
family lifeheeft met het kind, wat beoordeeld moet worden aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het geval.
degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt’, aangemerkt als belanghebbende. Uit de toelichting blijkt, zoals gezegd, dat hiermee beoogd is de positie van pleegouders te versterken. Nu niet is in te zien waarom de positie van een pleegouder sterker zou moeten zijn dan de positie van een ouder zonder gezag die de minderjarige ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, ligt het zeer in de rede om in ieder geval ook díe ouder als belanghebbende aan te merken. Er is dan ook geen goede reden om de niet met gezag beklede ouder per definitie, in zijn algemeenheid, niet als belanghebbende aan te merken.
de vervolgvraag of het antwoord op die prejudiciële vraag in combinatie met die wetswijziging, nu tot gevolg had dat de nieuwe partner die een gezin vormt met de ouder die met het gezag is belast, in een zaak over ondertoezichtstelling belanghebbende kan zijn, en de juridische ouder zonder gezag niet’. [128] Het antwoord op deze vraag zou, zo volgt uit wat ik hiervoor heb opgemerkt, ontkennend moeten zijn. Dat standpunt is ook ingenomen door Van Teeffelen, die schrijft dat een ouder zonder gezag maar met
family life, met een beroep op analoge toepassing van het gewijzigde art. 798 lid 1 Rv Pro een vergelijkbare positie als die van de pleegouder geboden moet worden en dus als belanghebbende moet worden aangemerkt. [129] Dit is ook in de feitenrechtspraak wel aangenomen. [130]
3.De prejudiciële vragen
gezamenlijk ouderlijk gezagis beëindigd. Gelet op de onderlinge verwevenheid van de rechten en verplichtingen van beide ouders ten opzichte van de minderjarige(n) wordt de ouder in het hoger beroep dat door één ouder is ingesteld en beperkt is tot de beëindiging van zijn/haar eigen gezag, de andere ouder als belanghebbende beschouwd. Zie de uitspraak van het hof Den Bosch van 9 maart 2017: [137]
gezamenlijkegezag van de ouders. De rechter kan immers altijd beslissen om dit verzoek slechts ten aanzien van één van de ouders toe te wijzen.
informantin de appelprocedure met onvoldoende waarborgen is omkleed, alleen al omdat geen recht bestaat op inzage in de stukken (zie onder 2.6-2.7). Dit kan dan ook niet als een volwaardig alternatief worden gezien ten opzichte van het aangemerkt worden als belanghebbende, gelet op de verschillende sub-verplichtingen die het EHRM aan de verdragsstaten oplegt als uitvloeisel van de plicht om voldoende processuele waarborgen te scheppen voor de ouders bij het opleggen van kinderbeschermingsmaatregelen (zie onder 2.50).
family lifevan de ouders die het gezag over het kind hadden, zijn zij belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro. Door de gezagsbeëindiging worden de ouders immers rechtstreeks getroffen in hun recht op
family life. Niet is in te zien waarom dit ‘rechtstreeks zijn getroffen’ niet meer zou gelden in de procedure in hoger beroep, op het moment dat de ene ouder aanvankelijk geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing tot beëindiging van zijn of haar gezag. De procedure in hoger beroep is immers een
voortzettingvan de procedure in eerste aanleg, waarin beide ouders zonder twijfel betrokken moesten worden omdat zij het gezag over het kind hadden. Ik merk op dat een ‘technische’ of ‘formele’ benadering van kwesties als de onderhavige, niet past bij de benadering van het EHRM, die juist altijd
inhoudelijkvan aard is. [139]
gezamenlijkgezag van
beideouders het wettelijke uitgangspunt is, en eenhoofdig gezag de uitzondering (zie onder 2.37-2.39).
N.P./Moldavië, § 65, besproken onder 2.47 e.v.). Een maatregel tot gezagsbeëindiging treft niet alleen het
family lifevan de ouders, maar ook dat van het kind. In beginsel is het in het belang van kind dat de band met zijn biologische ouders behouden blijft, tenzij er zwaarwegende belangen zijn om deze te verbreken (
N.P./Moldavië, § 66). Met het oog hierop is het ook in het belang van het kind, dat zoveel mogelijk
beideouders in de procedure tot gezagsbeëindiging te worden betrokken. Daarmee is niet te rijmen dat de niet-appellerende ouder in hoger beroep buiten de procedure tot gezagsbeëindiging van de andere ouder wordt gehouden.
Theunissen/Verstappenoverwoog de Hoge Raad over die strekking van het incidenteel beroep het volgende: [145]
Dikwijls zal een uitspraak van de rechter ook voor de partij die niet in beroep is gekomen, ongunstige beslissingen inhouden. De behoefte daarvan ook harerzijds in beroep te komen kan zeer wel eerst ontstaan door en na het beroep der tegenpartij, hetzij omdat haar belang bij een eigen beroep niet groot genoeg was, hetzij omdat de voor haar ongunstige beslissingen geen afbreuk deden aan het voor haar gunstige eindresultaat. In het bijzonder het in gevaar komen van dat gunstige eindresultaat kan haar noodzaken ook harerzijds beroep in te stellen om de strijd te hervatten ook op die punten waarop het beroep der tegenpartij niet is gericht. De wetgever heeft die behoefte erkend door haar in de artt. 410 en 339 van voormeld Wetboek de mogelijkheid te geven ook na het verstrijken van de termijn voor beroep bij conclusie van antwoord harerzijds incidenteel beroep in cassatie, onderscheidenlijk incidenteel hoger beroep in te stellen. Het belang dat de wetgever aan de mogelijkheid van incidenteel beroep hechtte, komt verder ook hierin tot uiting dat genoemde bepalingen inhouden dat dit beroep nog open staat na berusting, dus nadat de partij die zich ervan bedient, heeft te kennen gegeven zich bij de uitspraak te willen neerleggen, en dat de afstand van het principale beroep het incidentele niet doet vervallen. (…).”
family lifehebben met het kind. Mocht geen sprake zijn van
family lifetussen ouder en kind – dat kan zich voordoen bij de biologische vader (zie onder 2.53-2.55) – dan kan dat reden zijn om die ouder niet als belanghebbende aan te merken en die ouder niet in het besluitvormingsproces te betrekken. In dat geval kan de vader zich mogelijk wel beroepen op de bescherming van zijn
private life, dat eveneens onder de bescherming van art. 8 EVRM Pro valt (zie onder 2.56). Ook dat kan reden zijn om de vader in de procedure aan te merken als belanghebbende.
Overigens staat in de onderhavige zaak niet ter discussie dat beide ouders
family lifehebben met [de zoon].