Conclusie
[eiser]
[verweerder]
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
TA-I), het tussenarrest van 7 juni 2022 (hierna:
TA-II) en het eindarrest van 12 september 2023 (hierna:
eindarrest) van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna:
het hof). [1]
vader), die op 1 oktober 2013 is overleden.
de woning);
de rechtbank). Na wijziging van eis heeft hij – voor zover in cassatie van belang – gevorderd [3] dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de nalatenschap van beide ouders zal bevelen, een notaris zal benoemen ten overstaan van wie partijen tot verdeling dienen over te gaan en de wijze van verdeling in goede justitie zal vaststellen. [4]
conclusie van antwoord) genomen.
In conventie concludeert [verweerder] tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met dien verstande dat de vordering tot vaststelling van de verdeling van de nalatenschap als zodanig kan worden toegewezen.
In reconventievordert [verweerder] , voor zover van belang:
primair:verdeling van de nalatenschap op de wijze zoals in punt 91 conclusie van antwoord is opgenomen, dan wel s
ubsidiair: vaststelling van de verdeling,
met machtiging van [verweerder] om al hetgeen te doen dat redelijkerwijs noodzakelijk is om uitvoering te geven aan de door de rechtbank gelaste of vastgestelde verdeling van de nalatenschapsgemeenschap.
conclusie van antwoord in reconventie) van 9 maart 2017 heeft [eiser] , voor zover thans nog van belang, in reconventie geconcludeerd dat de vorderingen van [verweerder] worden afgewezen.
p-v rechtbank).
het vonnis) [8] heeft de rechtbank in conventie en reconventie, samengevat:
memorie van grieven) heeft [verweerder] geconcludeerd dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen vernietigt en:
primair:de verdeling vaststelt van de nalatenschap van vader en de gemeenschap van roerende zaken op de wijze zoals omschreven onder de tussenkop “Vordering tot verdeling”;
subsidiair:de verdeling gelast van de nalatenschap van vader en de gemeenschap van roerende zaken en daarbij de wijze van verdeling vaststelt;
memorie van antwoord) heeft [eiser] in het principaal hoger beroep verweer gevoerd met conclusie tot bekrachtiging. Hij heeft tevens incidenteel hoger beroep ingesteld en zijn eis gewijzigd. [11]
p-v hof) opgemaakt.
tussenarrest van 3 augustus 2021heeft het hof:
tussenarrest van 7 juni 2022heeft het hof in het principaal beroep:
de memorie na enquête). [verweerder] heeft op 18 april 2023 een antwoordmemorie na enquête genomen (hierna:
de antwoordmemorie na enquête).
eindarrest van 12 september 2023heeft het hof, samengevat, in het principaal beroep:
de aanvullingsbeslissing) [14] heeft het hof op verzoek van [verweerder] bepaald dat het eindarrest in rov. 3.2 wordt aangevuld, omdat verzuimd is op een onderdeel van het gevorderde te beslissen. Samengevat besliste het hof dat:
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
subonderdelen 1.1 en 1.2keren zich tegen het oordeel in rov. 2.18 TA-II (1e volzin) dat het hof het in rov. 2.16 TA-II genoemde bewijsvermoeden hanteert omdat:
subonderdeel 1.2heeft het hof met dit oordeel miskend dat het die stellingen van [eiser] vanwege de positieve devolutieve werking ambtshalve moest beoordelen.
onder a.). Bovendien heeft het hof miskend dat het eerst moest onderzoeken welke oordelen van de rechtbank wél en welke oordelen niet met grieven bestreden worden en moest beoordelen of een of meer van [verweerder] ’s grieven zouden slagen en dat het vervolgens het geschil opnieuw moest beoordelen, waarbij het ambtshalve de stellingen van [eiser] in eerste aanleg moest betrekken (
onder b.). Omdat het hof zijn oordeel in rov. 2.16 voorts slechts baseert op dat in rov. 2.18, is ook eerstgenoemd oordeel in navolging van subonderdeel 1.1 en 1.2 onjuist dan wel onbegrijpelijk (
onder c.).Tot slot heeft het hof geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang door onvermeld te laten welke stellingen [verweerder] op welke gronden voldoende aannemelijk heeft gemaakt (
onder d.).
Het valt uiteen in de
subonderdelen 2.1 en 2.2, die klagen dat [verweerder] niets heeft bewezen, maar dat het hof is uitgegaan van een bewijsvermoeden dat gezien onderdeel 1 geen stand kan houden, waarmee ook het oordeel in rov. 2.13 eindarrest geen stand kan houden.
subonderdelen 1.1 en 1.2falen dus, omdat zij uitgaan van een onjuiste lezing van TA-II. Het hof heeft de stellingen van [eiser] immers wel onderkend, maar geoordeeld dat die niet voldoende concreet zijn geweest tegenover hetgeen [verweerder] naar voren heeft gebracht. De onderdelen onderbouwen verder ook niet aan welke concrete stellingen het hof om welke reden meer aandacht had moeten besteden, waarmee de subonderdelen de vereiste precisie missen. [16]
subonderdeel 1.3faalt m.i. Het klaagt in wezen dat het hof de stellingen van [verweerder] niet heeft gewogen in het licht van de genoemde oordelen van de rechtbank waarvan het moest uitgaan nu het niet had vastgesteld in hoeverre daartegen was gegriefd en in hoeverre deze oordelen stand konden houden, terwijl het ook verzuimd heeft de twee fasen van het hoger beroep te onderscheiden en toe te passen.
subonderdeel 1.3 sub b.klaagt dat het hof heeft miskend dat het moest onderzoeken welke oordelen wel en niet werden bestreden, mist het derhalve feitelijke grondslag. Het hof heeft dit wel gedaan, maar heeft de grieven, niet onbegrijpelijk, zo gelezen dat dit geschil door middel van die grieven in volle omvang werd voorgelegd. Ook faalt de klacht dat het hof de twee fasen van het hoger beroep zou hebben miskend.
A. Rechtstreekse betalingen aan [ [eiser] ] en/of zijn echtgenote (€ 314.250)” vallen de posten I-VI, die overschrijvingen van Nederlandse, Spaanse en Belgische bankrekeningen van vader naar de rekening van [eiser] of zijn echtgenote betreffen.
B. Zaken die ten behoeve van [ [eiser] ] van de bankrekeningen van vader zijn betaald (€ 234.920)” vallen de posten VII (betalingen vanaf Spaanse bankrekeningen t.b.v. aankoop woning) en VIII (betaling vanaf Nederlandse bankrekening aan een Spaanse autodealer).
C. Contante opnames door [ [eiser] ] van de Zwitserse bankrekening van vader (...) Bank Julius Bär & Co. AG (€ 65.342)” valt de post IX, die bestaat uit geldopnamen in de perioden (1) van 8-18 oktober 2012 en (2) van juni – november 2013.
D. Overige uitgaven van vaders Spaanse bankrekening (...) (€ 17.250.26)” vallen de posten X (verzekeringen); XI (gemeentelijke belastingen); XII (telefoonkosten); XIII (servicekosten appartement [eiser] ); XIV (liggeld jachthaven boot [eiser] ). [verweerder] heeft per post gesteld dat en waarom deze niet voor rekening van vader komt en als onttrekking moet worden gekwalificeerd. [38]
onderdeel 1.
subonderdelen 2.1 en 2.2slechts klachten bevatten die voortbouwen op het falende onderdeel 1.
onttrokkenzouden zijn aan het vermogen van vader, (2) dat [eiser] of zijn echtgenote ‘dus’ onrechtmatig gehandeld zou hebben, en ook niet (3) dat [eiser] voor het gehele bedrag van de beweerdelijke onttrekkingen door [eiser] of zijn echtgenote aansprakelijk zou zijn.
„misbruik heeft gemaakt van vaders afhankelijkheid, lichtzinnigheid en de stoornis van vaders korte termijngeheugen ”(memorie van grieven, par. 17), waaromtrent het hof geen concrete feiten vastgesteld heeft. [verweerder] heeft zich (primair) op het standpunt gesteld dat er een vordering van de nalatenschap bestaat, omdat aan de vermogensverschuivingen een rechtsgrond zou ontbreken (memorie van grieven, par. 19). Het zou volgens [verweerder] gaan om misbruik van de afhankelijke en zwakke positie van vader (memorie van grieven, par. 20). Maar de rechtbank heeft nu juist geoordeeld dat daarvan geen sprake geweest is (rov. 2.21 vonnis), welk oordeel het hof niet heeft beoordeeld, laat staan verworpen. Vermogensverschuivingen zonder rechtsgrond leveren als zodanig niet een voldoende grondslag op voor het aannemen van een onrechtmatige daad van [eiser] Bij een aantal vermogensverschuivingen gaat het niet om onttrekkingen maar mogelijk wel om schenkingen, zoals de koop van het appartement (rov. 2.10-(VII) TA-II), waarvoor de kwalificatie onrechtmatig onjuist is. Daaromtrent heeft de rechtbank in rov. 2.19 vonnis geoordeeld dat het niet onaannemelijk is dat vader schenkingen aan [eiser] en zijn echtgenote gedaan heeft, over welk oordeel het hof zich niet gebogen heeft, aldus subonderdeel 3.4.
subonderdeel 3.2terecht opmerkt, is de echtgenote van [eiser] geen partij in deze procedure. Het hof heeft in het dictum ook geen vorderingen jegens haar toegewezen. Daarmee hebben de beslissingen inzake de rechtsbetrekking in geschil geen gezag van gewijsde ten aanzien van haar (art. 236 lid 1 Rv Pro). In zoverre heeft [eiser] geen belang bij de klachten.
subonderdeel 3.1(slot) betoogt, geen sprake kan zijn geweest van onrechtmatige onttrekkingen omdat het hof niet heeft vastgesteld dat de vermogensverschuivingen hebben plaatsgevonden tegen de wil van de vader en zonder dat hij daarvan kennis zou hebben kunnen nemen, berust m.i. evenzeer op een verkeerde lezing van TA-II en het eindarrest. Die wil van vader zou immers impliceren dat er wél sprake was van een rechtsgrond, terwijl het hof, zich baserend op de stellingen van [verweerder] , nu juist heeft aangenomen dat die rechtsgrond er niet was, nu niet is gebleken dat sprake was van vergoeding van kosten dan wel schenkingen terwijl [eiser] wel bemoeienis heeft gehad met de vermogensverschuivingen (zie ook voetnoot 39 hiervoor).
subonderdeel 3.3faalt. De overweging van de rechtbank in rov. 2.17 vonnis ziet specifiek op de Zwitserse bankrekening. Het hof heeft, gelet op rov. 2.7, 2.16-2.18 TA-II en aldus in navolging van de stellingen van [verweerder] , echter aangenomen dat vader zijn rekeningafschriften ten aanzien van de concreet genoemde transacties niet kan hebben gecontroleerd, omdat deze er met betrekking tot de buitenlandse rekeningen niet waren, en dat hij ook geen inzicht heeft gehad in de uitgaven die werden gedaan.
Dat de rechtbank voorts heeft geoordeeld dat geen sprake was van misbruik van omstandigheden of ongerechtvaardigde verrijking staat niet in de weg aan het oordeel van het hof. Het betreft hier andere grondslagen, waaraan het hof niet toekomt omdat het juist oordeelt dat sprake is van als onrechtmatig aan te merken onttrekkingen zonder rechtsgrond.
onderdeel 3niet slagen.
Vaststaat ook dat [ [eiser] ] die geacht moet worden te weten van het bestaan van die vordering dat niet heeft gemeld aan [ [verweerder] ] en heeft gezwegen waar spreken nodig was. Hij heeft deze vordering dan ook opzettelijk verzwegen en zijn aandeel daarin verbeurd aan [ [verweerder] ].” Het oordeel is onbegrijpelijk als het hof meende dat dit wel in die stellingen terug te vinden zou zijn.
wistdat de goederen tot de gemeenschap behoorden (Parl. Gesch. Boek 3, p. 630). Dit brengt mee dat het in art. 3:194 lid 2 BW Pro bedoelde opzet niet reeds kan worden aangenomen indien de desbetreffende deelgenoot (niet wist, maar wel)
behoordete weten dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoorde.
oogmerkhad om rechten van de deelgenoten of de schuldeisers te verkorten. Voor het ‘opzettelijk’ verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van een goed als bedoeld in art. 3:194 lid 2 BW Pro is voldoende als de desbetreffende deelgenoot weet dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoort.
subonderdelen 4.a en 4.b, omdat zij van een onjuiste rechtsopvatting uitgaan. Dat geldt ook voor
subonderdeel 4.d, voor zover dat scharniert om de gedachte dat het hof niet aan de door art. 3:194 lid 2 BW Pro gestelde zware opzeteis kon voldoen door in rov. 2.15, ondanks de betwisting van [eiser] , vast te stellen dat [eiser] zonder daartoe gerechtigd te zijn geweest gelden aan het vermogen van vader heeft onttrokken. Voor zover laatstgenoemd subonderdeel aanvoert dat het hof geen feiten heeft vastgesteld, mist het ook feitelijke grondslag, omdat het hof dat feit in rov. 2.15 juist vooropstelt, daarmee voortbouwend op zijn overwegingen in rov. 2.15-2.18 TA-II en rov. 2.2-2.14 eindarrest.
onderdeel 4.
4.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
subonderdeel I.1miskent het hof dat het in dat stadium van de procedure nog geen definitief oordeel kon geven over de omvang van de nalatenschap, ook niet op 28 mei 2021, nu tot die nalatenschap tenminste nog een vordering op [eiser] behoort zoals die uiteindelijk bij eindarrest komt vast te staan; althans is zijn oordeel onbegrijpelijk.
Subonderdeel I.2berust op de lezing dat in de bestreden oordelen besloten ligt dat de vordering van € 884.044 wegens onrechtmatige onttrekkingen en/of ongerechtvaardigde verrijking niet tot het vermogen van de nalatenschap behoort. Het klaagt dat het hof in dat geval miskent dat onttrekkingen aan het vermogen van de erflater leiden tot een vordering van de nalatenschap op de onttrekkende partij. Het oordeel is ook onbegrijpelijk in het licht van de oordelen in rov. 2.13-2.15 eindarrest.
Subonderdeel I.3gaat uit van de lezing dat het hof er in de bestreden overwegingen reeds van is uitgegaan dat de vordering wegens het verbeuren geheel aan [verweerder] toekomt en de vordering tot betaling aan de boedel moet worden afgewezen (rov. 2.15 eindarrest). Het klaagt dat het oordeel in dat geval niet alleen rechtens onjuist is (omdat die vordering als bestanddeel van de nalatenschap nog moet worden verdeeld) maar ook onbegrijpelijk, omdat de verschuldigdheid van de gevorderde € 884.044 nog niet vaststaat.
subonderdeel II.1). Het oordeel is voorts onjuist, omdat het hof, ook na aanvulling ex art. 32 Rv Pro, enkel de bankrekeningen en roerende zaken heeft verdeeld en daarmee in strijd met art. 23 Rv Pro verzuimd heeft om voor het overige op het petitum sub E. in samenhang met memorie van grieven nrs. 162-163 te beslissen, met name op de gevorderde verdeling van de vordering van de nalatenschap op [eiser] Althans miskent het hof dat die vindplaatsen niet anders kunnen worden begrepen dan dat wordt gevorderd om de verdeling op een zodanige wijze te doen dat aanspraken van [verweerder] [53] zoveel mogelijk worden voldaan uit het nalatenschapsvermogen, waarmee het oordeel dat [eiser] en [verweerder] beiden recht hebben op uitbetaling van de helft van het banktegoed – zonder aftrek wegens verbeuren – onbegrijpelijk is (
subonderdelen II.2-II.3). Gelet op het voorgaande is ook het oordeel in rov. 3.2 aanvullingsbeslissing dat [eiser] voor de aan hem toegescheiden roerende zaken een bedrag
aan [verweerder]dient te vergoeden onjuist, dan wel onbegrijpelijk, omdat ook die zaken tot de nalatenschap behoren en hun waarde daar dus eerst bij opgeteld dient te worden alvorens tot verdeling kan worden overgegaan (
subonderdeel II.4).
subonderdelen II.1-II.3zien in wezen op de vraag of voor de verkrijging door een deelgenoot van het op voet van art. 3:194 lid 2 BW Pro verbeurde aandeel van de oneerlijke deelgenoot nog een leveringshandeling vereist is. In de literatuur en rechtspraak wordt deze vraag verschillend beantwoord. [54]
wettelijke toedeling, zodat nog een levering als bedoeld in art. 3:186 BW Pro vereist is om de onverdeeldheid op te heffen. [56] Tot slot wordt ook als rechtvaardiging voor de leveringseis gezien dat deze voorkomt dat ten aanzien van registergoederen niet in de registers valt te lezen dat een deelgenoot zijn aandeel daarin heeft verbeurd. [57]
en niet, dat de bedoelde goederen voortaan slechts toekomen aan de overige deelgenoten.De ondergetekende moge er op wijzen dat, zoals Meijers in zijn in de toelichting aangehaald artikel - W.P.N.R. 3126/3128, V.P.O. I p. 342 e.v. - heeft uiteengezet, artikel 1110 B.W. wel degelijk de regel bevat dat de schuldige erfgenaam zijn aandeel in de goederen verliest. Naar het de ondergetekende voorkomt, zou een sanctie die er zich toe beperkte de oneerlijke deelgenoten een aandeel in de waarde der goederen te onthouden, ook niet juist zijn: zij behoren ook voor de tijd dat de gemeenschap nog niet verdeeld is, hun medezeggenschap in het beheer en hun participatie in het gebruik en in de vruchten van de goederen verspeeld te hebben. De ondergetekende ziet derhalve hierin niet een reden tot wijziging van het tweede lid.
De woorden „verliest zijn recht op die goederen" zijn echter veranderd in „verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten", omdat deze laatste woorden beter de strekking van de bepaling weergeven.” [65]
toekomt aan de overige deelgenoten– een goederenrechtelijke toestand –, ter verduidelijking waarvan de zinsnede uit het Ontwerp Meijers dat de oneerlijke deelgenoot zijn recht op dat goed “
verliest” [66] is vervangen door de zinsnede “
verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten”. Evenmin als bij de ontwerptekst het geval was, wordt in (de toelichting bij) de gewijzigde tekst gewag gemaakt van of verwezen naar een leveringsvereiste. Voorts is van belang dat verbeuren niet voldoet aan de omschrijving van verdeling in art. 3:182 of Pro 3:185 BW, in welke gevallen wel een levering vereist is (art. 3:186 BW Pro). Gelet op de tekst, wetsgeschiedenis en bijzondere aard van de bepaling meen ik dat het verbeuren moet worden gekwalificeerd als een ‘overige’ wijze van verkrijging als bedoeld in art. 3:80 lid 3 BW Pro.
subonderdelen II.1-II.3falen
aan [verweerder] ,om welke reden het hof – naar het had moeten begrijpen – de waarde van de roerende zaken eerst bij de nalatenschap zou dienen op te tellen alvorens tot verdeling kan worden overgegaan, faalt het eveneens. Het ziet eraan voorbij dat de rechter bij de verdeling van een gemeenschap een grote mate van vrijheid heeft. Hij is niet gebonden aan wat door partijen over en weer is gevorderd en hij behoeft niet – expliciet – in te gaan op hetgeen partijen hebben aangevoerd. Die vrijheid betekent voorts dat aan de motivering van de vaststelling van de verdeling van een gemeenschap geen hoge eisen kunnen worden gesteld. [75] Nu het subonderdeel in wezen enkel klaagt over het gevolg van de door het hof gekozen wijze van verdeling omdat het zelf een andere wijze verkiest (waarbij het niet bestrijdt dat de verdeling overeenkomt met de aandelen van [eiser] en [verweerder] in de gemeenschap), faalt het.