Conclusie
de man
de vrouw
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
het hof) in rov. 1-4 van zijn arrest van 24 december 2019 (hierna:
het tussenarrestof
TA) [1] in samenhang met rov. 1-3 van zijn arrest van 14 februari 2023 (hierna:
het eindarrestof
EA) [2] :
appartement 1), bij notariële akte op 16 maart 1995 verleden. Daarnaast is aan de man geleverd [appartement 2] (hierna:
appartement 2), bij notariële akte op 3 januari 1996 verleden. In de comparitie van deze akten van levering staat vermeld dat de man volgens diens verklaring ongehuwd is. [3] Dit staat ook zo vermeld in de met deze akten van levering verband houdende hypotheekakten die tevens op de vermelde data zijn verleden. [4]
de appartementen) niet als zodanig opgenomen.
de rechtbank).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
daadwerkelijk wistdat de appartementen nog tot de gemeenschap behoorden.
subonderdeel I-1b-5in de kern dat die feiten juist niet van belang zijn, omdat niet van belang is of de man iets had
behorente weten.
bewijslastvan het opzettelijk verzwijgen op de
vrouwrust en (ii) dat ter zake
hoge eisengelden. Dit wordt uitgewerkt in de subonderdelen I-1b-1 t/m I-1b-5.
subonderdelen I-1b-2 en I-1b-3klagen dat de weergave van het hof in rov. 6 EA dat de stelling van de man (enkel) is dat de vrouw van de appartementen wist, onvolledig is, gelet op zijn stellingen in MvA nr. 17 en CvA nr. 14.
Voorts is volgens die subonderdelen onjuist en onbegrijpelijk in het licht van art. 149 Rv Pro dat het hof, zoals blijkt uit rov. 14 laatste gedachtestreepje, 15 en 16 TA, kennelijk en zonder afdoende bewijslevering van de wetenschap van de man uitgaat, gelet op de stellingen van de man in CvA, nr. 14-22, zoals verkort weergegeven in MvA nr. 6-11 en 17. Die stellingen laten zich niet anders begrijpen, dan dat (daarin besloten ligt dat) hij
niet wistdat de appartementen nog tot de te verdelen gemeenschap behoorden. Het hof had, gelet op die gemotiveerde betwisting, niet aan hem een bewijsopdracht moeten geven, maar aan de vrouw te bewijzen moeten opdragen dat de man weldegelijk wist ten tijde van de verdeling dat de appartementen nog verdeeld moesten worden. Het oordeel is volgens het subonderdeel in ieder geval niet toereikend gemotiveerd, omdat de door het hof genoemde omstandigheden dat de man zich als ongehuwd heeft opgegeven, dat hij is bijgestaan door een advocaat en dat er twee advocaten bij het convenant betrokken waren, niet van belang zijn omdat zij niets zeggen over de ‘state of mind’ van de man ten tijde van de verdeling en niet concludent zijn omdat zij de mogelijkheid openlaten dat de man niet wist dat er nog verdeeld moest worden.
subonderdelen I-1b-1 en I-1b-4klagen, samengevat, dat het hof in rov. 14 t/m 16 TA en 7, 8, 17 en 18 EA heeft miskend dat het, gelet op de gemotiveerde betwisting van de man – inhoudend dat hij niet wist dat de appartementen nog verdeeld moesten worden omdat deze al op zijn naam stonden (en niet ook van de vrouw), de vrouw van de schulden niets wilde weten en hij die bij het convenant toebedeeld kreeg (rov. 12 TA)) –, aan de vrouw was om te stellen en te bewijzen dat de man weldegelijk en daadwerkelijk wist dat de appartementen nog verdeeld dienden te worden. Dat betreft een hoge lat die de vrouw moet halen en waarvan het hof in de motivering blijk moet geven, hetgeen het hof beide miskent. Ook miskent het hof dat het moet gaan om een verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van een goed en dat daarvan een
zwarebewijslast rust op de vrouw. Het hof geeft blijk van een onjuiste maatstaf ten aanzien van de bewijslastverdeling indien het oordeel aldus moet worden begrepen dat de man volledig bewijs moet leveren. Uit rov. 16 TA volgt immers dat het hof niet het oog heeft op tegenbewijs door de man, maar op volledig bewijs.
wistdat de goederen tot de gemeenschap behoorden (Parl. Gesch. Boek 3, p. 630). Dit brengt mee dat het in art. 3:194 lid 2 BW Pro bedoelde opzet niet reeds kan worden aangenomen indien de desbetreffende deelgenoot (niet wist, maar wel)
behoordete weten dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoorde.
oogmerkhad om rechten van de deelgenoten of de schuldeisers te verkorten. Voor het ‘opzettelijk’ verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van een goed als bedoeld in art. 3:194 lid 2 BW Pro is voldoende als de desbetreffende deelgenoot weet dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoort.
verzwijging. [22] In een Caribische zaak is deze kwestie aan uw Raad voorgelegd. Het Gemeenschappelijk Hof had geoordeeld dat – in de weergave van uw Raad – nu verzoeker wist van het bestaan van de verzwegen goederen, aan de toepassingsvoorwaarden van art. 4:1090 BWA Pro (vgl. art. 3:194 lid 2 BW Pro) niet was voldaan. De tegen dat oordeel gerichte cassatieklacht (onderdeel 5) werd echter wegens gebrek aan belang niet behandeld. [23] Ik meen dat laatstgenoemde zienswijze met worden gevolgd en dat moet worden aangenomen dat indien de deelgenoot die zich op art. 3:194 lid 2 BW Pro beroept weet dat het goed tot de gemeenschap behoort, niet alleen niet is voldaan aan de ratio van art. 3:194 lid 2 BW Pro – het voorkomen van bedrog c.q. oneerlijk gedrag in een situatie van afhankelijkheid van verschafte informatie –, maar evenmin sprake is van ‘verzwijgen’ in de zin van die bepaling.
opzettelijk verzwijgen’, omdat de vrouw wist van de aankoop van de appartementen (rov. 15 TA [24] ).
verzwijgingdoor de man, maar ook niet van zijn
wetenschapomtrent het behoren van de appartementen tot de gemeenschap, is geen onbegrijpelijke uitleg, gelet op zijn stellingen in CvA, nrs. 3-22, herhaald in MvA nrs. 6-11 en 17. Deze komen er immers kort gezegd op neer dat alles ermee begint dat hij de aankoop van de appartementen met de vrouw heeft besproken: het is omdat zij daar niets mee te maken wilde hebben, dat hij de appartementen alleen aan zichzelf heeft laten leveren, en nu de appartementen al alleen op zijn naam stonden, leek verdeling c.q. toedeling niet nodig. [25]
subonderdeel I-1avoor zover zij betogen dat het hof niet dan wel onvoldoende kenbaar heeft vastgesteld dat de man wist dat de appartementen tot de gemeenschap behoorden. Dat ligt immers kenbaar besloten in de vooropstelling van het kader door het hof in rov. 13 TA en zijn voorshands oordeel dat sprake is van het onjuist informatie verstrekken door de man aan de vrouw in rov. 15 TA, hetgeen immers impliceert dat bij hem die wetenschap voorshands aanwezig wordt geacht.
man, maar in het kader van het door de man ingenomen standpunt dat de appartementen in het echtscheidingsconvenant zijn opgenomen in de schuldenclausule en dat de
vrouwdaarvan dus op de hoogte was. Het hof acht dat voorshands niet aannemelijk, omdat dan de appartementen ook toebedeeld zouden moeten zijn, hetgeen niet is gebeurd. Slechts in het kader van de voor dit verschil door de man aangevoerde rechtvaardiging oordeelt het hof dat dit niet aannemelijk is, omdat er twee advocaten betrokken waren bij dat echtscheidingsconvenant en de advocaat van de vrouw er in dat kader nota bene op gewezen heeft dat levering en verdeling van een andere onroerende zaak (de echtelijke woning) via de notaris moest plaatsvinden, waarmee dan niet aannemelijk is dat niet ook op de appartementen zou zijn gewezen als de schuldenclausule de inhoud zou hebben die de man daaraan geeft. Het gaat het hof dus primair om de schuldenclausule, waarbij het voorshands niet de redenering van de man volgt en ook op die grond dus niet van wetenschap van de vrouw kan uitgaan. Het slaat daarbij dus ook niet enkel acht op de betrokkenheid van de advocaten, maar doet dit in het specifieke kader van de eigen stellingen van de man en de context van wat wel in het kader van het echtscheidingsconvenant is besproken en daarin is opgenomen.
subonderdeel I-1b-5, inhoudende dat het hof hier zou hebben beoordeeld of de man iets had
behorente weten, gaat in het verlengde van het voorgaande uit van een onjuiste lezing van het tussenarrest. Het hof heeft niet een behoren te weten getoetst, maar heeft, gelet op de sprekende feiten en het voorshands niet aannemelijk zijn van de wetenschap van de vrouw, voorshands bewezen geoordeeld dat de man wist dat de appartementen tot de gemeenschap behoorden en dat hij deze heeft verzwegen (zie hiervoor onder 3.14-3.17).
subonderdelen I-1b-2 en I-1b-3, waarvan de klachten er in de kern op neerkomen dat het hof de stellingen van de man in CvA, nrs. 14-22 en MvA, nrs. 6-11 en 17 onbegrijpelijk heeft uitgelegd, omdat die stellingen zich niet anders laten begrijpen dan dat daarin besloten ligt dat hij niet wist dat de appartementen nog tot de te verdelen gemeenschap behoorden, falen naar mijn mening ook.
subonderdelen I-1b-1 en I-1b-4tot uitgangspunt nemen dat het hof de op de vrouw rustende zware bewijslast heeft miskend, omdat het de man met het leveren van volledig bewijs van heeft belast, berust het op een verkeerde lezing van het tussenarrest en het eindarrest.
subonderdelen I-1a en I-1b, alsmede de voortbouwklachten in
subonderdeelI-2. De slotsom is dan dat alle klachten in
onderdeel Ifalen.
Het zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn indien de vrouw na 20 jaar de panden in de schoot geworpen zou krijgen zonder ook maar enige financiële verplichting te hebben gehad met betrekking tot de panden.In het geval de primaire vordering van de vrouw wordt afgewezen, is de man van mening dat de gang van zaken rond de aankoop van de appartementen in relatie tot de in het echtscheidingsconvenant opgenomen schuldenpassage met zich meebrengt dat er met betrekking tot de appartementen niets meer te verrekenen of te verdelen valt.
Ook hier geldt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, artikel 6:2 lid 2 BW Pro, onaanvaardbaar zou zijn indien de vrouw zich op de waarde van de appartementen zou kunnen beroepen terwijl zij niets met de schulden te maken wilde hebben[onderstreping toegevoegd, A-G].”
magcompenseren) [40] , maar een rechterlijke bevoegdheid [41] . Het artikel laat aan het oordeel van de rechter over of hij op deze grond compensatie wil toepassen [42] . A-G Wuisman concludeerde eerder, in lijn daarmee, dat het artikel de rechter vrij laat om geen gebruik te maken van die bevoegdheid. Daaraan staat het feit dat van die bevoegdheid vaak gebruik wordt gemaakt [43] dan volgens hem niet in de weg, nu het een discretionaire bevoegdheid blijft. [44]
onderdeel IIIfaalt daarmee.