ECLI:NL:RBAMS:2010:BM0852
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- M. van Hees
- Rechtspraak.nl
Opheffing conservatoir beslag in nalatenschapsgeschil met verbeurdverklaring aandeel vader
De kinderen legden conservatoir beslag op het aandeel van hun vader in de nalatenschap van hun overleden moeder, omdat de vader zijn aandeel in bepaalde nalatenschapsbestanddelen had verbeurd wegens opzettelijke verzwijging. De vader vorderde opheffing van het beslag, stellende dat zijn vorderingen op grond van artikel 4:13 en Pro 4:82 BW niet opeisbaar zijn tot zijn overlijden en dat het beslag onrechtmatig is.
De rechtbank overwoog dat het tussenvonnis van 24 oktober 2007 reeds vaststelde dat de vader zijn aandeel in onroerend goed en banktegoeden had verbeurd. Hierdoor zijn de vorderingen van de kinderen op de vader in beginsel opeisbaar, zodat het conservatoir beslag gerechtvaardigd is totdat de bodemrechter zich hierover heeft uitgesproken. De rechtbank herbegrootte het beslag tot € 348.000,-.
De rechtbank wees het verzoek van de vader af om nieuwe beslagen te verbieden en wees ook zijn vordering tot vergoeding van kosten die de ING Bank in rekening bracht af wegens onvoldoende onderbouwing. De vader werd veroordeeld in de proceskosten van de kinderen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Conservatoir beslag op aandeel vader in nalatenschap wordt gehandhaafd en herbegroot vanwege verbeurdverklaring wegens opzettelijke verzwijging.