Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Arrest hof een tussenarrest en cassatieberoep dus niet-ontvankelijk?
dictumvan de uitspraak een einde wordt gemaakt aan enig deel van het
in de hoofdzaakgevorderde of verzochte. Zo ja, dan is de uitspraak (in zoverre) een einduitspraak, zo neen, dan gaat het om een tussenuitspraak. In dit geval wordt in het arrest van het hof geen einde gemaakt aan enig deel van het in de hoofdzaak gevorderde. Dus is sprake van een tussenuitspraak. Op grond van art. 401a lid 2 Rv staat van een dergelijke uitspraak alleen cassatieberoep open tegelijk met de einduitspraak, tenzij het hof anders heeft bepaald. Dat laatste heeft het hof niet gedaan, ondanks een daartoe strekkend verzoek van Dynniq. Dus is Dynniq niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep, aldus [verweerster] .
van rechtswegein diens plaats treedt en dus zonder meer in de loop van de procedure of bij aanwending van een rechtsmiddel kan worden vervangen, door de enkele vermelding van dat feit in een processtuk of bij het rechtsmiddel. [28]
beidehet recht geven om een rechtsmiddel tegen een uitspraak aan te wenden. Dat de rechtsvoorganger niet uit de procedure behoeft te verdwijnen, is dan ook een consequentie die inmiddels ook in de literatuur lijkt te worden getrokken, door te aanvaarden dat de rechtsvoorganger bij toepassing van art. 225 e.v. Rv in het geding kan blijven als hij daarbij belang heeft. [44]
tweetegenover elkaar staande partijen [45] – is daarop niet berekend. Als dit ‘gedrieën procederen’ noodzakelijk is vanuit een oogpunt van een behoorlijke rechtsbescherming van de rechtsvoorganger en de rechtsopvolger, moeten de hieraan verbonden bezwaren – noodgedwongen dus – worden aanvaard. In het arrest uit 1973 en de rechtspraak die daarop is gevolgd, zijn die bezwaren dus ook aanvaard voor het geval een rechtsmiddel valt aan te wenden om te voorkomen dat een uitspraak onherroepelijk wordt jegens een van beide, omdat in dat geval die noodzaak nu eenmaal onvermijdelijk bestaat. Als stelsel is dat echter duidelijk weinig aantrekkelijk, zodat een oplossing waaraan die bezwaren niet of in elk geval minder zijn verbonden, valt te prefereren.
waarin over de noodzaak daarvan niet of nauwelijks enig verschil van mening kan bestaan(overlijden van een partij en verandering in procesbekwaamheid, door meerderjarig worden van een partij of door een rechterlijke beslissing tot ondercuratelestelling van een partij of tot opheffing daarvan). Die werkwijze houdt in dat zonder voorafgaande rechterlijke toestemming de procedure kan worden geschorst (art. 225 lid 2 Rv Pro) en daarna hervat door een nieuwe procespartij (art. 227 lid 1 Rv Pro). Bij een beweerde rechtsopvolging onder bijzondere titel kan echter gemakkelijk een geschil bestaan over de vraag of er wel een rechtsovergang is, zoals deze zaak illustreert met het geschil dat bestaat over de vraag of er geldige cessies hebben plaatsgevonden. Een dergelijk geschil zal, zoals hiervoor in 3.7 tweede alinea al gezegd, eerst moet worden beslecht, voordat kan worden verder geprocedeerd. De regeling van art. 225 e.v. Rv kent daarvoor echter geen voorziening. Die regeling gaat er immers vanuit dat de partijvervanging
zonder enige rechterlijke tussenkomstplaatsvindt.