Conclusie
.
NN/Van Leeuwen [2] geoordeeld dat ook open en/of ongeschreven regels een grondslag kunnen vormen voor een verplichting van de verzekeraar om aanvullende gegevens te verstrekken. Volgens het HvJ EU staat art. 31 lid 3 DLR Pro niet eraan in de weg dat een verzekeraar op grond van algemene beginselen van intern recht, zoals open en/of ongeschreven regels, is gehouden de verzekeringnemer bepaalde informatie te verstrekken in aanvulling op de informatie vermeld in Bijlage II bij de DLR. Deze verlangde aanvullende informatie moet, aldus het HvJ EU, wel duidelijk en nauwkeurig zijn, noodzakelijk voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis en zij moet voldoende rechtszekerheid waarborgen. Het is aan de nationale rechter om dit te verifiëren.
NN/Van Leeuwenniet af. Het arrest heeft aanleiding gegeven tot vervolgvragen, die de nationale rechter moet beantwoorden. Twee van deze vragen liggen in deze procedure ter beantwoording door Uw Raad voor. De eerste vraag is of levensverzekeraars, door te voldoen aan de informatieplichten uit de DLR en de nationale uitwerkingen daarvan, in het algemeen ook hebben voldaan aan de informatieplichten die voortvloeien uit (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen. Indien het antwoord op deze eerste vraag ontkennend luidt, is de tweede vraag of de aanvullende informatie die levensverzekeraars op grond van (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen moeten verstrekken, moet voldoen aan de criteria zoals geformuleerd door het HvJ EU in het arrest
NN/Van Leeuwen. Het hof heeft dus gesloten vragen geformuleerd, die in principe met een ‘ja’ of een ‘nee’ kunnen worden beantwoord. Toch is het uitdrukkelijk de bedoeling van het hof en de vragen om duidelijkheid te krijgen over ‘het toetsingskader’. Hoewel niet geheel duidelijk is wat voor soort toetsingskader het hof op het oog heeft – het hof concretiseert dit niet – streef ik ernaar in deze conclusie de feitenrechtspraak een aantal handvatten te geven waarmee zij vooruit kan.
3.De beleggingsverzekering in vogelvlucht
units) – te nemen in een of meer beleggingsfondsen en waarbij de verzekeringnemer het aan dat belang verbonden beleggingsrisico loopt. In de meeste gevallen kan de verzekeringnemer invloed uitoefenen op de keuze van de beleggingen en kiezen voor (een combinatie van) verschillende fondsen met verschillende risicoprofielen. [20] Kortom: bij een beleggingsverzekering bouwt de klant vermogen op doordat de verzekeraar de betaalde premie (de inleg, ook wel de ‘bruto premie’ genoemd) voor risico van de klant belegt in participaties/beleggingseenheden (
units) van beleggingsfondsen. Als de koers van de participaties stijgt, neemt de waarde van het opgebouwde vermogen toe. Omgekeerd neemt de waarde van het opgebouwde vermogen af als de koers van de participaties daalt. [21]
unit linkeden (iii)
universal life. [23] Ik omschrijf ze kort.
unit linkedbeleggingsverzekering belegt de verzekeraar de (bruto) premie die de verzekeringnemer betaalt (de inleg), na aftrek van de verzekeringskosten en de (overlijdens)risicopremie, in participaties (
units) in door de verzekeraar aangeboden beleggingsfondsen. De waarde van die participaties kan stijgen, zodat de verzekeringnemer vermogen opbouwt dat hij na afloop van de verzekering (bijvoorbeeld bij pensionering) kan benutten, maar die waarde kan uiteraard ook dalen of gelijk blijven. De (overlijdens)risicopremie die de verzekeraar op de inleg inhoudt, wordt berekend over het volledige verzekerde bedrag (de verzekerde som) bij voortijdig overlijden en staat reeds bij aanvang van de overeenkomst vast. De hoogte van de (overlijdens)risicopremie is dus niet afhankelijk van de waardeontwikkeling van de beleggingen. [25] Schematisch en vereenvoudigd ziet de werking van een
unit linkedbeleggingsverzekering er als volgt uit: [26]
universal lifebeleggingsverzekering is een specifieke vorm van de
unit linkedbeleggingsverzekering, waarin de verzekeraar de gehele door de verzekeringnemer betaalde (bruto) premie (de inleg) meteen in participaties (
units) belegt. [27] Vervolgens verkoopt de verzekeraar een aantal participaties, waaruit de verzekeringskosten en de (overlijdens)risicopremie worden voldaan. De resterende participaties blijven de waardeontwikkeling van het beleggingsfonds volgen. Dit proces van aankopen en verkopen herhaalt zich periodiek, meestal elke maand. Schematisch en vereenvoudigd ziet de werking van een
universal lifebeleggingsverzekering er als volgt uit: [28]
unit linkedbeleggingsverzekering – door de verzekeraar (periodiek, meestal maandelijks) bepaald aan de hand van de actuele situatie en kan dus per periode verschillen. Indien, naast de uitkering bij leven, ook een vast bedrag bij voortijdig overlijden bij de beleggingsverzekering is meeverzekerd, wordt de hoogte van de te onttrekken overlijdensrisicopremie vastgesteld door het verschil te bepalen tussen (a) de verzekerde uitkering bij voortijdig overlijden en (b) de waarde die de uitstaande beleggingen op dat moment hebben. Het verschil tussen (a) en (b) wordt het ‘risicokapitaal’ genoemd. Anders geformuleerd: het risicokapitaal is de verzekerde uitkering bij voortijdig overlijden minus de actuele waarde van de uitstaande beleggingen. Het zijn dus communicerende vaten: hoe lager de waarde van de beleggingen, hoe hoger het risicokapitaal, en omgekeerd. Aan de hand van (de omvang van) het risicokapitaal wordt de aan de participaties te onttrekken (overlijdens)risicopremie berekend. [29] Hierbij geldt dat naarmate het risicokapitaal groter is (en de waarde van de beleggingen dus lager), de verzekeraar méér (overlijdens)risicopremie in rekening brengt, om het grotere risico van de verzekeraar af te dekken. In dat geval moet de verzekeraar dus méér participaties verkopen om de verschuldigde risicopremie uit te kunnen voldoen.
unit linkedbeleggingsverzekering, is bij de
universal lifebeleggingsverzekering de hoogte van de door de verzekeraar in rekening te brengen (overlijdens)risicopremie niet vast, maar onder meer afhankelijk van de waarde van de opgebouwde beleggingseenheden. Dit brengt extra onzekerheid voor de verzekeringnemer mee. Aan de andere kant is het voordelig voor de verzekeringnemer dat bij een
universal lifebeleggingsverzekering de (overlijdens)risicopremie op basis van ‘slechts’ het risicokapitaal wordt berekend en niet op basis van de (waarschijnlijk hogere) volledige uitkering bij overlijden, zoals bij een ‘standaard’
unit linkedbeleggingsverzekering. Hierdoor zal de (overlijdens)risicopremie bij een
universal lifebeleggingsverzekering doorgaans lager zijn dan bij een
unit linkedbeleggingsverzekering en blijft er meer inleg over om te beleggen. [30]
Grosso modokan sprake zijn van de volgende kostenposten, die de verzekeraar deels als aparte kostenpost in rekening brengt en deels opneemt/integreert in de te betalen (bruto) premie (de inleg): [31]
aankoop- en verkoopkosten: kosten die de verzekeraar in rekening brengt bij de aan- en verkoop van de participaties;
eerste kosten: eenmalige kosten die de verzekeraar maakt voor of bij aanvang van een verzekering. Ze bestaan uit onder meer ontwikkelingskosten van de beleggingsverzekering, offerte- en acceptatiekosten, reclamekosten, kosten voor het invoeren van de verzekering in diverse administraties en – indien van toepassing – de aan de tussenpersoon te betalen afsluitprovisie. [32] De verzekeraar brengt de eerste kosten ofwel in één keer in rekening, ofwel gelijkmatig verdeeld over de hele looptijd van de verzekering, ofwel gedurende de eerste jaren van de verzekering;
doorlopende kosten: kosten die de verzekeraar gedurende de gehele verzekeringsduur in rekening brengt en die dienen ter dekking van de incassokosten, de jaarlijkse administratiekosten, de bedrijfskosten en – indien van toepassing – de aan de tussenpersoon te betalen doorlopende provisie;
beheerkosten/vermogenskosten: kosten die de verzekeraar in rekening brengt voor het beheer van het vermogen;
beleggings(fonds)kosten: kosten voor het beheren van het beleggingsfonds, ook wel
Total Expense Ratio(TER) genoemd;
prestatiebeloning bij hoge rendementen: dit zijn de kosten die de verzekeraar in rekening brengt indien hoge rendementen worden behaald;
switchkosten: kosten die de verzekeraar in rekening brengt als de verzekeringnemer overstapt naar een ander beleggingsfonds; en
mutatiekosten: kosten die de verzekeraar in rekening brengt als de verzekerde wijzigingen in de polis wil aanbrengen, zoals een premieverlaging, een premievrijmaking [33] of een afkoop (een tussentijdse contractopzegging).
unit linkedbeleggingsverzekeringen) c.q. moet de verzekeraar periodiek meer participaties verkopen om de stijgende kosten te dekken (bij
universal lifebeleggingsverzekeringen). Kostenstijgingen kunnen dus direct invloed hebben op het rendement van de beleggingen en daarmee op de ‘prestaties’ van de beleggingsverzekering. [35]
crashrisico zich verwezenlijken en (ii) sprake zijn van het zogenoemde fata morgana-effect. Daarnaast kan, door de systematiek van
universal lifebeleggingsverzekeringen, bij dat type beleggingsverzekering (iii) het zogenoemde hefboom- en inteereffect optreden en is er een groter risico op (iv)
churning. [37]
crashrisico houdt in dat één of meerdere (forse) koersdalingen tot gevolg hebben dat het feitelijk niet meer mogelijk is om het beoogde eindkapitaal van de beleggingsverzekering te bereiken, dat bij het aangaan van de verzekering door middel van een of meerdere voorbeelden als mogelijkheid was voorgespiegeld. Het eindkapitaal kan dan zelfs niet meer worden gehaald als de markt later weer aantrekt en/of als de voorgespiegelde gemiddelde rendementen (over de gehele looptijd berekend) wél worden gehaald. Omdat een (forse) koersdaling grotere impact heeft indien al een aanzienlijk vermogen is belegd (meestal op het einde van de looptijd van de verzekering), speelt het
crashrisico voornamelijk dan een rol.
nietin het rendementspercentage verdisconteerd. Hierdoor geeft het rekenkundig gemiddelde percentage geen realistisch (want: te positief) beeld van het mogelijk met de inleg te behalen eindkapitaal. Bij een meetkundig gemiddelde [39] van rendementen worden de effecten van de koersbewegingen
welverdisconteerd. Een meetkundig gemiddeld rendementspercentage is daarom altijd lager of gelijk aan het rekenkundig gemiddeld rendementspercentage. Bij een beleggingsverzekering met een looptijd van dertig jaar zal een met een rekenkundig gemiddelde corresponderend meetkundig gemiddelde ongeveer twee à drie procentpunten lager liggen.
universal lifebeleggingsverzekeringen en kan optreden indien het rendement op de verzekering achterblijft. In dat geval valt het risicokapitaal hoger uit dan aanvankelijk was verwacht, waardoor méér (overlijdens)risicopremie moet worden betaald (randnummer 3.5, onder (iii), hiervoor). Deze extra risicopremie wordt ten laste van de (al tegenvallend presterende) participaties gebracht, waardoor de waarde van de beleggingen nóg lager zal uitvallen. En ga zo maar door. Omgekeerd zal bij meevallende en dus goede rendementen het risicokapitaal láger uitvallen dan verwacht. In dat geval hoeft minder (overlijdens)risicopremie te worden betaald en valt de waarde van de beleggingen nóg hoger uit. Deze versterkende effecten worden aangeduid als het (negatieve en positieve) hefboomeffect. De kans op het negatieve hefboomeffect wordt vergroot indien ook andere factoren, naast tegenvallende beleggingsresultaten, tot verhoging van de overlijdensrisicopremie leiden. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de verzekerde ouder wordt: hoe hoger de leeftijd, des te groter de kans op overlijden en dus des te hoger de (overlijdens)risicopremie.
universal lifebeleggingsverzekering voortijdig. [41] Er vindt dan dus geen uitkering plaats en de overlijdensrisicodekking vervalt. [42]
Churninghoudt in dat een verzekeraar onnodig, en te eigen bate, effectentransacties uitvoert, waarover hij aan- en/of verkoopkosten in rekening brengt. [43] Verzekeraars die
universal lifebeleggingsverzekeringen aanbieden, wordt soms verweten zich aan
churningschuldig te maken. Bij deze verzekeringen belegt de verzekeraar namelijk eerst de volledige premie/inleg, waarbij hij aankoopkosten in rekening brengt. Vervolgens verkoopt de verzekeraar weer een deel van de participaties om de (overlijdens)risicopremie en kosten uit te voldoen (randnummer 3.5, onder (iii), hiervoor). Over die verkoop brengt de verzekeraar verkoopprovisie in rekening. Deze constructie met periodieke aankoop- én verkoopkosten kan een negatief effect hebben op het te behalen rendement.
NN/Van Leeuwenvoor haar rekening nam, daarin opmerkte dat ze eerlijk gezegd ook na raadpleging van het nationale dossier nog niet goed begreep hoe de betrokken verzekering (een
universal lifebeleggingsverzekering) precies in haar werk gaat. [44] Het gaat het bestek van deze prejudiciële procedure te buiten, maar bij sommigen komt de vraag op of het verstandig was om (
universal life) beleggingsverzekeringen (op grote schaal) aan (ondeskundige) consumenten aan te bieden. Zoals R.A. Salomons in mei 2009 opmerkte: [45]
Eerste Levensrichtlijn [47] uitgevaardigd, die als doel had de toegang tot en de uitoefening van het levensverzekeringsbedrijf te vergemakkelijken. Dit doel moest worden bereikt door onder meer verschillen weg te nemen op het gebied van het toezicht tussen de nationale wetgevingen en de bepalingen te coördineren omtrent de financiële garanties die van levensverzekeraars worden geëist. De Eerste Levensrichtlijn bevatte nog geen informatieverplichtingen voor levensverzekeraars.
Tweede Levensrichtlijn, [48] die eveneens tot doel had de interne markt in de levensverzekeringssector open te stellen. Ook de Tweede Levensrichtlijn bevatte geen informatieplichten voor verzekeraars, afgezien van de verplichting om aan de verzekeringnemer te melden in welke lidstaat de verzekeraar is gevestigd. [49]
Voorstel DLR’), die de interne markt volledig moest voltooien. [50] Op grond van het Voorstel DLR moest de verzekeringnemer de mogelijkheid hebben om zich tot alle verzekeraars in de Gemeenschap te wenden, zodat hij de voor zijn behoeften meest passende dekking kon vinden, waarbij hij tevens voldoende bescherming genoot. [51] Het Voorstel DLR vermeldde dat het niet overgaat tot “
een harmonisatie van het materiële verbintenissenrecht en de verzekeringsvoorwaarden.” De bescherming van de consument wordt namelijk reeds gewaarborgd, “
omdat in beginsel de Lid-Staat van de verbintenis de mogelijkheid heeft op het verzekeringscontract dat een verzekeringnemer dekt die woonachtig is op zijn grondgebied, zijn eigen wettelijke regeling toe te passen.” [52]
DLR [54] uitgevaardigd. In de considerans van de DLR staat onder meer dat de met de DLR te introduceren informatieplichten minimumvoorschriften [55] zijn, de DLR het recht op het gebied van verzekeringsovereenkomsten niet harmoniseert en de consument, om ten volle van de diversiteit en toegenomen concurrentie op de markt voor levensverzekeringen te kunnen profiteren, over duidelijke en nauwkeurige informatie moet beschikken over de wezenlijke kenmerken van de verzekering:
Aan de verzekeringnemer te verstrekken inlichtingen” dat de inlichtingen die aan de verzekeringnemer moesten worden meegedeeld, “
duidelijk, nauwkeurig en schriftelijk” moesten worden verstrekt in een officiële taal van de lidstaat van de verbintenis. Vóór de sluiting van de overeenkomst [56] dienden diverse inlichtingen (a.1-a.16) te worden verstrekt, waaronder inlichtingen over de verzekeringsdekking (a.4), de premie(betaling) (a.7 en a.10) en de afkoop- en premievrije waarden (a.9).
Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993(hierna: ‘Wtv’), [57] dat in lid 1 bepaalde dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot aan het publiek te verstrekken informatie door verzekeraars. [58]
Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers(hierna: de ‘RIAV 1994’), die op 1 juli 1994 in Nederland in werking is getreden. [59] De in Bijlage II, onder A., bij de DLR genoemde inlichtingen zijn – in andere bewoordingen, in een andere volgorde en op andere wijze gegroepeerd – in art. 2 lid 2 RIAV Pro 1994 terechtgekomen. Op grond van die bepaling diende de levensverzekeraar er zorg voor te dragen dat de verzekeringnemer schriftelijk in kennis zou worden gesteld van, onder meer:
unit linkedbeleggingsverzekeringen (randnummer 3.5, onder (ii) en (iii), hiervoor) heeft de Ombudsman in zijn jaarverslag over het jaar 1994 opgemerkt dat voor veel verzekeringnemers de materie (te) complex is. Het beeld dat de klant heeft, komt volgens de Ombudsman niet altijd overeen met de inhoud van het contract. [64]
ondoorzichtigen
onvergelijkbaarmaken. (…).”
f12.50 per maand aan poliskosten te moeten worden voldaan. Voor enige vermakelijke, maar tevens veelzeggende, citaties aangaande de telefoon gesprekken die werden gevoerd, verwijzen wij naar paragraaf 3.4. [68] Over het algemeen is het zo dat zelfs inspecteurs, zij die met de cliënt de polis afsluiten, geen idee hebben van de kosten die de maatschappij inhoudt. Dit betekent dat er naar “het kantoor” moet worden gebeld; door de cliënt wel te verstaan.”
niet aannemelijk” was. Ook bestond volgens de minister in zo’n markt “
geen reden” om te komen tot een convenant met de branche over een maximum kostenpercentage. [69] Dat dit een inschattingsfout van de minister is geweest, blijkt wel uit het feit dat een dergelijk convenant in 2008 alsnog nodig werd geacht: na aanbeveling van de Ombudsman Financiële Dienstverlening zijn in 2008 compensatieregelingen tot stand gekomen, waarin wél een maximum kostenpercentage is opgenomen (randnummer 2.6 hiervoor en randnummer 4.101 hierna). De minister van Financiën vond (bij nader inzien) de aanbeveling, met daarin de kostenmaximering, in 2008 wél “
een belangrijke eerste stap in het oplossen van de problemen van beleggingsverzekeringspolishouders” (randnummer 4.102 hierna).
Code Rendement en Risico 1996, hierna: de ‘CRR 1996’). De CRR 1996 gold vanaf 1 januari 1997 [76] en had het volgende doel: [77]
Woord vooraf” staat onder meer het volgende: [81]
Informatieverstrekking aan verzekeringnemers”. [84] In de samenvatting van het rapport staat onder meer dat als belangrijkste knelpunten van de RIAV 1994 naar voren komen dat de informatie over de afkoop- en premievrije waarde doorgaans onvoldoende volledig is en dat de wettelijk verplichte informatie over diverse aspecten verspreid staat over verschillende informatiebronnen. [85]
Code Rendement en Risico 1998(hierna: de ‘CRR 1998’), die per 1 oktober 1998 in werking is getreden. [89]
op een begrijpelijke wijze” een “
helder” inzicht moeten krijgen, niet alleen in de wijze waarop rendement en risico van beleggingen van invloed zijn op toekomstige uitkeringen, maar ook in de aard van het product. Dit blijkt uit hoofdstuk I van de CRR 1998 (“
Algemene bepalingen”):
Er moesten toch ook voorbeeldkapitalen worden getoond op basis van het gemiddeld historisch fondsrendement na afslag en op basis van het standaardfondsrendement?’ Ja, dat is waar, maar waarom voorbeeldkapitalen laten zien die zich waarschijnlijk niet zullen manifesteren?”
Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1998 [95] (hierna: de ‘RIAV 1998’) in werking getreden, die de RIAV 1994 verving. De informatie die op grond van art. 2 lid 2 RIAV Pro 1994 moest worden verstrekt (randnummer 4.12 hiervoor), diende nu op grond van art. 2 lid 2 RIAV Pro 1998 te worden verstrekt. Onder meer de informatieverplichting van de verzekeraar ten aanzien van de uitkering (art. 2 lid Pro 2, onder b., RIAV 1994 en RIAV 1998) werd iets aangescherpt. Een omschrijving van de uitkering(en) waartoe de verzekeraar zich verplichtte, volstond niet langer. Het bedrag van de uitkering(en) diende te worden vermeld, of – voor zover dit bedrag niet op voorhand nauwkeurig kon worden bepaald (zoals bij beleggingsverzekeringen) – een nauwkeurige omschrijving van de uitkering(en), alsmede van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering(en) afhankelijk is.
nietgenoemd in Bijlage II bij de DLR. Het betroffen derhalve aanvullende informatievoorschriften in de zin van art. 31 lid 3 DLR Pro (randnummer 4.9 hiervoor). De algemene toelichting bij de RIAV 1998 vermeldde hierover het volgende: [96]
invloed vanalle kosten en inhoudingen (de risicopremie) op het te behalen rendement en de uitkering (zogenoemde indirecte transparantie), (ii) de kosten die de verzekeraar
naast de (bruto) premiebij de verzekeringnemer in rekening brengt en (iii) het beleggingsrisico dat ten laste van de verzekeringnemer komt.
Beleidsregels inzake de Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers 1998, hierna: de ‘Beleidsregels’). [99] De Beleidsregels hebben nadere invulling gegeven aan bepaalde op grond van de RIAV 1998 te verstrekken informatie, zoals de winstdeling, de afkoop- of premievrije waarde en het beleggingsrisico.
aanvullende informatiedie volgens de verzekeraar nodig is om een goed begrip te krijgen van de wezenlijke bestanddelen van de verzekering (onder 7): [100]
onmisbare voorwaarden” zijn voor het aangaan van een levensverzekering: [105]
Financiële Bijsluiterte ontwikkelen. Een belangrijke doelstelling van die bijsluiter was om producten in verschillende financiële sectoren beter vergelijkbaar te maken. Dit blijkt uit een brief van 19 september 2001 van de minister van Financiën aan de Tweede Kamer: [106]
dat de consument al snel overvoert[lees: overvoerd, A-G]
raakt met informatie.” [109]
Besluit financiële bijsluiter [111] (hierna: ‘het Bfb’) en de
Nadere regeling financiële bijsluiter 2002 [112] (hierna: ‘de Nrfb’). In de nota van toelichting bij het Bfb stond dat de standaardisatie de inzichtelijkheid en vergelijkbaarheid van complexe producten vergroot. [113] Op grond van het Bfb en de Nrfb diende de verzekeraar – net als al in de CRR 1998 werd voorgeschreven – ten minste drie voorbeelden (voorbeeldkapitalen) van de mogelijke uitkeringen te geven, ditmaal op basis van het historisch behaalde rendement, een pessimistisch rendement en een standaardrendement van 4%. Over het behoud van het historisch behaalde rendement (berekend over de twintig achterliggende jaren) en het pessimistisch rendement heeft Kool, het oud-bestuurslid van de Verzekeringskamer, in 2002 het volgende geschreven: [114]
voortdurend discussiepunt” blijven. [115]
Code Rendement en Risico 2002(hierna: ‘CRR 2002’) in werking getreden, waarmee het Verbond van Verzekeraars de CRR in lijn heeft gebracht met het Bfb en de Nrfb. In de CRR 2002 is gekozen voor een verregaande integratie met de Financiële Bijsluiter, omdat daarin veel elementen van de CRR 1998 waren overgenomen. [116]
Levensrichtlijn 2002’). Net als de DLR (randnummer 4.8 hiervoor), had de Levensrichtlijn 2002 als doel de toegang tot en de uitoefening van het levensverzekeringsbedrijf te vergemakkelijken, onder waarborging van een passende bescherming voor de verzekeringnemer: [118]
duidelijk, nauwkeurig en schriftelijk” moesten worden verstrekt in een officiële taal van de lidstaat van de verbintenis. Er dienden wederom vóór sluiting van de overeenkomst [119] diverse inlichtingen (a.1-a.16) te worden verstrekt, waaronder over de verzekeringsdekking (a.4), de premie(betaling) (a.7 en a.10) en de afkoop- en premievrije waarden (a.9).
Code Rendement en Risico 2003en de
Code Rendement en Risico 2004). Deze versies bevatten geen wijzigingen die relevant zijn voor de onderhavige procedure.
Wet financiële dienstverlening [126] (hierna: de ‘Wfd’) in werking getreden. Op grond van art. 31 lid 1 Wfd Pro moest de consument de informatie ontvangen die redelijkerwijs relevant was om het financiële product adequaat te kunnen beoordelen:
Besluit financiële dienstverlening [127] (hierna: het ‘Bfd’) in werking getreden. Art. 32 Bfd Pro bevatte de informatieverplichtingen die voorheen in de RIAV 1998 waren opgenomen:
Code Rendement en Risico 2006(hierna: de ‘CRR 2006’) geïntroduceerd. [132]
Nadere regeling financiële dienstverlening [133] (hierna: de ‘NRfd’) in werking getreden. In aanvulling op de reeds bestaande verplichting (op grond van de RIAV 1998) om door middel van zogenoemde indirecte transparantie informatie te geven over
de invloed vankosten en inhoudingen (risicopremie) op het rendement en de uitkering (randnummers 4.42 e.v. hiervoor), is de Financiële Bijsluiter door de NRfd in die zin gewijzigd dat verzekeraars nu ook de
totale hoogtevan de in de premie geïntegreerde kosten en risicopremie (inhoudingen) moesten vermelden, in absolute getallen dan wel in percentages van de uitkering. [134] Deze aanpassing voorkwam echter niet dat op de Financiële Bijsluiter kritiek werd geuit, vooral omdat die (nog steeds) tekortschoot op het gebied van concrete, voor een leek begrijpelijke, informatie: [135]
visuals) op een schaal van 1 tot 5 worden aangegeven hoe risicovol het profiel van een fonds was en op een schaal van ‘zeer klein’ tot ‘zeer groot’ worden gewaarschuwd voor het risico dat de verzekeringnemer zijn inleg niet zou terugkrijgen. [136] Het was de bedoeling om deze ‘risico-indicator’ al in 2002 in te voeren, bij de introductie van de Financiële Bijsluiter. Dat is toen niet gelukt. Kool, het oud-bestuurslid van de Verzekeringskamer, schrijft hierover het volgende: [137]
de Commissie De Ruiter’) [138] in opdracht van het Verbond van Verzekeraars een advies uitgebracht. [139] De Commissie De Ruiter had tot taak de aspecten van beleggingsverzekeringen te benoemen waarover verzekeraars informatie moeten verstrekken en criteria en voorwaarden te formuleren waaraan de informatieverstrekking moet voldoen. [140]
Concrete informatie over uw verzekering”, was bedoeld om als bijlage te voegen bij een offerte voor een beleggingsverzekering. Het model zag er (deels) als volgt uit en bevat een overzicht van de aan de verzekering verbonden kosten (de “
inhoudingen op de premies”): [148]
zie onderliggende offerte
de som van de tot dan betaalde premies
n.v.t.
...% dat is €…, te voldoen in ... maandelijkse termijnen
...% van alle te betalen premies
het gaat om een éénjarige risicopremie zonder
voor beheer uitstaande units of participaties 0,5% perjaar
voor de fondsbeheerder 0,3% per jaar
...% over (bijv. de gehele premie)
% over alle onttrekkingen aan het fonds
Wet op het financieel toezicht [151] (hierna: de ‘Wft’), het
Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft [152] (hierna: het ‘Bgfo Wft’) en de
Nadere Regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft [153] (hierna: de ‘NRgfo Wft’). Deze regelgeving bracht (in eerste instantie) geen relevante veranderingen aan in de wijze van informatieverschaffing door verzekeraars.
wijziging van het Bgfo Wftper 1 januari 2008. [155] In aanvulling op de informatie die verzekeraars reeds op basis van eerdere sectorspecifieke wetgeving moesten verstrekken, diende de verzekeraar vanaf nu ook de kosten uit te splitsen en de omvang ervan weer te geven. Onder meer is aan art. 60 lid 1 Bgfo Pro Wft onderdeel ‘l.’ toegevoegd, dat destijds als volgt luidde:
kostensoortenbij beleggingsverzekeringen. Dat inzicht is van belang omdat de kosten die op de premie en op de beleggingen worden ingehouden mede bepalend zijn voor de opbouw van het verzekerd kapitaal en uiteindelijk voor de hoogte van de uitkering op de einddatum. Dat laatste is niet het geval als een vast kapitaal is verzekerd. De uitkering is dan niet afhankelijk van hogere of lagere kosten, zodat inzicht in de samenstelling van de premie weinig toegevoegde waarde heeft. (…).”
de Aanbeveling OFD’), die in paragraaf 2 van deze conclusie al kort is genoemd (randnummer 2.6 hiervoor). [160]
geen reden” was om te komen tot een convenant met de levensverzekeringsbranche over een maximum kostenpercentage, terwijl de minister dertien jaar later, in 2008, het compleet tegenovergestelde zegt als hij de aanbeveling van de Ombudsman Financiële Dienstverlening, met als kernpunt een maximum kostenpercentage, “
een belangrijke eerste stap in het oplossen van de problemen van beleggingsverzekeringspolishouders” noemt (randnummers 4.20 en 4.102 hiervoor). Deze ommezwaai laat goed zien dat op het ministerie van Financiën tussen 1995 en 2008 sprake is geweest van toenemend inzicht: waar in 1995 de problemen nog niet of onvoldoende werden gesignaleerd of onderkend, waren diezelfde problemen in 2008 wel van dusdanige omvang dat ze moesten worden aangepakt.
hoeze de informatieverstrekking het beste konden verbeteren.
dater problemen waren op het gebied van informatieverstrekking en
waardie problemen precies lagen. Een soortgelijke kanttekening heeft de Ombudsman Financiële Dienstverlening in 2008 in zijn Aanbeveling OFD geplaatst bij de rol van de overheid en de politiek in de ontstane problematiek met beleggingsverzekeringen (randnummer 4.98 hiervoor). In zijn ogen zijn de verbeteringen in de informatieverstrekking tot 2008 onvoldoende geweest: [179]
hoede ontstane problemen op het gebied van beleggingsverzekeringen het beste konden worden opgelost. Uit de herhaalde oproep te waken voor een informatie-overschot leid ik af dat de regelgevers aanvankelijk niet goed voor ogen hadden welke informatie essentieel was voor verzekeringnemers om enigszins inzicht te krijgen in de aard en werking van hun beleggingsverzekering en daardoor vooral vreesden dat met het toenemen van informatieplichten consumenten door de bomen het bos niet meer zouden zien. Dit terwijl toch vrij snel duidelijk had kunnen zijn waar de schoen (met name) wrong. De Ombudsman Levensverzekering heeft namelijk in zijn jaarverslagen over de jaren 1992 en 1993 al geconstateerd dat veel verzekeringnemers de omvang van de aan de levensverzekering verbonden kosten onderschatten en de verzekeraar dus niet terughoudend moet zijn met informatieverstrekking over de invloed van kosten op het te behalen beleggingsresultaat (randnummers 4.15 en 4.16 hiervoor). In het jaarverslag over het jaar 1996 staat zelfs letterlijk, onder verwijzing naar het jaarverslag over het jaar 1995, dat de consument niet compleet is voorgelicht als geen inzicht is verschaft in het deel van de betaalde premies dat bedoeld is voor kosten en risicodekking, welk deel van de (bruto) premie dus
nietmeetelt voor het fondsrendement (randnummer 4.30 hiervoor). Waar de regelgevers aanvankelijk kennelijk vooral bezig waren te voorkomen dat verzekeraars tevéél informatie aan de verzekeringnemer zouden moeten verschaffen, blijkt uit de Modellen De Ruiter (randnummer 4.87 hiervoor) dat de ‘angst’ voor een informatie-overschot ongegrond was, althans relativering vereiste. Inzicht in de aard en werking van de beleggingsverzekering kan immers ook (en beter en sneller) worden bereikt door de juiste informatie (met name ten aanzien van de kosten, risicopremie en risico’s) op overzichtelijke wijze op één of enkele pagina’s weer te geven.
de veranderde inzichten in dit opzicht” (randnummer 4.102 hiervoor). Zoals gezegd, is bij de regelgevers eerder sprake geweest van
toenemendinzicht, in die zin dat uit de ontwikkeling van de sectorspecifieke regelgeving blijkt dat het de regelgevers pas gaandeweg duidelijk is geworden
dater problemen waren met de informatieverstrekking,
waardie problemen lagen en
hoeze het beste konden worden aangepakt. Met het toenemen van het inzicht in de problematiek, zijn ook de sectorspecifieke informatieverplichtingen toegenomen en aangescherpt. Dat de inzichten zijn
toegenomen, betekent echter niet dat de inzichten ook zijn
veranderd. Door de jaren heen is immers altijd het uitgangspunt geweest dat verzekeraars hun klanten juist en volledig moeten informeren, zodat ze een goed beeld krijgen van het verzekeringsproduct dat ze aanschaffen en de werking, gevolgen en risico’s daarvan.
veranderde inzichten” op het vlak van sectorspecifieke regelgeving, de minister van Financiën heeft herhaaldelijk erop gewezen dat de verzekeraar, ongeacht de sectorspecifieke regelgeving, de plicht had om de verzekeringnemer op juiste en volledige wijze te informeren (randnummers 4.75, 4.91 en 4.102 hiervoor). Hiermee had de minister van Financiën kennelijk het oog op de informatie die verzekeraars sinds jaar en dag moeten verstrekken op grond van (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen en leerstukken. Van die normen en leerstukken wordt in de volgende paragraaf een schets gegeven. Dit met het oog op beantwoording van de eerste prejudiciële vraag, die in wezen aan de orde stelt of het mogelijk is dat levensverzekeraars op basis van het privaatrecht méér informatie aan verzekeringnemers hadden moeten verstrekken dan zij op grond van de sectorspecifieke regelgeving verplicht waren te doen (paragraaf 14 hierna).
6.Privaatrechtelijke normen/leerstukken en informatieverstrekking
nietaan de orde wanneer het om de hoofdzaken van de (beoogde) overeenkomst gaat.
Haviltex-arrest. [188] Strikt genomen zullen (bijna) alle overeenkomsten op onderdelen in meer of mindere mate onvolledig zijn. Meestal zal echter, met behulp van de
Haviltex-maatstaf, een reële uitleg aan de overeenkomst kunnen worden gegeven, zónder dat uitdrukkelijk wordt geconstateerd dat sprake is van een (op te vullen) leemte. Rechters oordelen dan ook niet zo vaak dat een overeenkomst een leemte vertoont. [189] Soms echter biedt uitleg alleen geen soelaas en moet de leemte wel (expliciet) worden aangevuld aan de hand van art. 6:248 lid 1 BW Pro.
inhoudenvan een premie voor de overlijdensrisicoverzekering, maar dat nergens was vastgelegd hoe
hoogdeze premie zou zijn. Omdat de hoogte van de premie volgens het hof een wezenlijk element van de spaarkasovereenkomst vormt, hadden de deelnemers in de spaarkas recht op juiste informatie daarover. [191] Het hof heeft hierbij in ogenschouw genomen – onder het noemen van de DLR, de RIAV 1994 en de CRR 1996 – dat de opvattingen, over welke informatie financiële instellingen aan consumenten moesten verstrekken, sinds de jaren 1989-1998 (ingrijpend) zijn gewijzigd. Volgens het hof heeft Aegon echter onvoldoende onderbouwd dat de toenmalige opvattingen meebrachten dat een verzekeraar géén informatie over de hoogte van een verzekeringspremie hoefde te verschaffen. [192] Uw Raad heeft in 2013 het arrest van het hof in stand gelaten. Naar het oordeel van Uw Raad is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat sprake is van een leemte ter zake van een wezenlijk onderdeel in de spaarkasovereenkomsten: [193]
LJNAG4158, NJ 1981/625,
Haviltex).
wezenlijkonderdeel van de spaarkasovereenkomsten was, waarover Aegon informatie aan haar verzekeringnemers had moeten verstrekken, maar géén
essentieelonderdeel van de spaarkasovereenkomsten. In dat laatste geval hadden de spaarkasovereenkomsten immers niet aan de hand van art. 6:248 lid 1 BW Pro in lijn met de redelijkheid en billijkheid kunnen worden aangevuld, maar was de consequentie geweest dat de overeenkomsten in het geheel niet tot stand waren gekomen (randnummer 6.6 hiervoor).
nietverricht ten aanzien van bedingen die het eigenlijke voorwerp (de kern) van de overeenkomst betreffen (de zogenoemde ‘kernbedingen’ [200] ), mits die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld (art. 6:231, aanhef en onder a, BW). [201] Dit betekent dat een kernbeding slechts op oneerlijkheid kan worden getoetst als het
nietduidelijk en begrijpelijk is geformuleerd. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of sprake is van een kernbeding, waarbij hij rekening moet houden met de aard, de algehele opzet en de voorwaarden van de overeenkomst, alsmede met de juridische en feitelijke context ervan. [202] Oneerlijke bedingen binden de consument niet, maar de overeenkomst als zodanig blijft voor partijen wel bindend indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan (art. 6 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen).
nietaan de transparantie-eis voldoet, betekent dit – ook als sprake is van een kernbeding (randnummer 6.14 hiervoor) – niet automatisch dat het beding
ookonredelijk bezwarend/oneerlijk is in de zin van art. 3 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen. [211] Er is dus géén sprake van een rechtstreekse koppeling van de transparantie-eis van art. 5 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen (art. 6:231, aanhef en onder a, BW en art. 6:238 lid 2 BW Pro) aan de sanctie van art. 6 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen (art. 6:233, aanhef en onder a, BW). Het oneerlijke karakter van een beding moet namelijk worden bepaald aan de hand van alle omstandigheden van het geval (art. 4 lid 1 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen). De omstandigheid dat het beding niet duidelijk en begrijpelijk is opgesteld (en dus in strijd is met de transparantie-eis), betreft ‘slechts’ één van die omstandigheden. Daarnaast moeten alle andere bedingen van de overeenkomst in aanmerking worden genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft (wederom art. 4 lid 1 Richtlijn Pro oneerlijke bedingen). [212]
dwalingvoor de wederpartij kenbaar moet zijn geweest. De wederpartij behoeft dus niet te hebben begrepen dat haar partner zich een onjuiste voorstelling vormde omtrent de aanwezigheid van een zekere eigenschap. Voldoende is dat de wederpartij heeft begrepen dat de contractant het van beslissende betekenis achtte dat een bepaalde eigenschap aanwezig was. Of aan de eis van de kenbaarheid is voldaan, hangt af van de omstandigheden van het geval. In sommige gevallen zal uitdrukkelijk zijn vermeld dat de desbetreffende eigenschap van beslissende betekenis werd geacht. In andere gevallen kan het worden afgeleid uit de aan de overeenkomst voorafgaande besprekingen of uit de inhoud van de overeenkomst. [227]
ook bij een rentederivaat”, aan de mededelingsplicht van art. 6:228 lid Pro 1, onder b, BW is voldaan indien in algemene productinformatie inlichtingen zijn gegeven waaruit de wederpartij die zich redelijke inspanning getroost, tijdig inzicht heeft kunnen krijgen in de wezenlijke kenmerken en risico’s van het derivaat, zoals het risico dat het rentederivaat een (aanzienlijke) negatieve waarde kan ontwikkelen bij tussentijdse beëindiging. [231]
ook bij een rentederivaat”), ligt het voor de hand om aan te nemen dat dit uitgangspunt ook geldt bij de beleggingsverzekeringen die in deze procedure centraal staan. Dit betekent dat verzekeraars aan (potentiële) verzekeringnemers dusdanige informatie moeten verstrekken dat zij, met een redelijke inspanning, inzicht kunnen krijgen in de wezenlijke kenmerken en risico’s van de beleggingsverzekering. Bij gebreke hieraan staat de verzekeringsovereenkomst, zoals gezegd, bloot aan vernietiging op grond van dwaling, tenzij de verzekeraar tijdig een wijziging van de gevolgen van de overeenkomst voorstelt, die het nadeel dat de dwalende bij instandhouding van de overeenkomst lijdt, op afdoende wijze opheft (art. 6:230 lid 1 BW Pro).
nietvan toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het is moeilijk voorstelbaar dat de
beperkendewerking van de redelijkheid en billijkheid leidt tot een
aanvullendeinformatieverplichting voor levensverzekeraars, maar een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kan er wél toe leiden dat een contractuele bepaling buiten toepassing wordt gelaten. Hiertoe wordt niet snel overgegaan: de term ‘onaanvaardbaar’ drukt uit dat terughoudendheid moet worden betracht bij de toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. [236]
7.Tussenbalans
Axa Royaleen
NN/Van Leeuwenbeantwoord. Daarbij heeft het HvJ ruimte gelaten aan de nationale rechter, die namelijk uiteindelijk zal moeten beoordelen of een verplichting voor de levensverzekeraar om aanvullende informatie te verstrekken aan de eisen van art. 31 lid 3 DLR Pro voldoet.
Axa Royale-arrest [237] uit 2002, dat draaide om een geschreven sectorspecifieke informatieplicht, en het
NN/Van Leeuwen-arrest [238] uit 2015, waarin het ging om open en/of ongeschreven privaatrechtelijke normen. Deze twee arresten staan centraal in deze paragraaf.
de opzegging, de reductie of de afkoop van een lopende levensverzekeringsovereenkomst met het oog op het onderschrijven van een andere levensverzekering doorgaans nadelig is voor de verzekeringnemer.” [239] Deze informatie viel buiten de in Bijlage II bij de DLR genoemde inlichtingen en betrof derhalve een aanvullende informatieverplichting in de zin van art. 31 lid 3 DLR Pro. Daarom moest worden nagegaan of aan de eisen van die bepaling was voldaan.
Axa Royale-arrest, heeft het HvJ EU zich in 2015 in de zaak
NN/Van Leeuwennogmaals over art. 31 lid 3 DLR Pro uitgelaten. De aanleiding voor die prejudiciële procedure was een Nederlandse proefprocedure, door NN aanhangig gemaakt bij de rechtbank Rotterdam. [240] Het doel van het proefproces was om (van het HvJ EU) duidelijkheid te verkrijgen of art. 31 lid 3 DLR Pro belet dat levensverzekeraars op grond van open en/of ongeschreven normen verplicht zijn om méér informatie te verstrekken dan vereist op grond van de sectorspecifieke regelgeving. Het verschil met
Axa Royaleis duidelijk: in die procedure ging het om een geschreven sectorspecifieke informatieverplichting. NN werd in de (proef)procedure tegen Van Leeuwen echter geconfronteerd met een beroep op (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen, die naar het oordeel van Van Leeuwen verder zouden gaan dan de destijds geldende sectorspecifieke informatieverplichtingen.
NN/Van Leeuwenom een
universal lifebeleggingsverzekering (randnummer 3.5, onder (iii), hiervoor), die Van Leeuwen in 1999 bij NN had afgesloten. [241] NN en Van Leeuwen twistten over de hoogte van de kosten en de overlijdensrisicopremie die NN op de door Van Leeuwen betaalde bruto premie (de inleg) in mindering had gebracht. Van Leeuwen meende dat bijna 60% van de door hem betaalde bruto premie niet voor beleggingen was gebruikt, maar juist voor de dekking van verschillende soorten kosten en dat NN hem voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst onvoldoende informatie over de kosten en risicopremie had verschaft. In het bijzonder verweet Van Leeuwen NN dat ze hem geen overzicht van of inzicht in de concrete en/of absolute kosten en risicopremie en de opbouw daarvan had gegeven. [242]
open en/of ongeschreven regels” van Nederlands recht. [243] In de visie van NN kon/kan echter van haar niet worden verlangd dat zij aanvullende informatie zou verstrekken op grond van open en/of ongeschreven regels:
Axa Royale-arrest verwezen:
Parlement/Raad [244] en overwogen dat de verstrekking van aanvullende informatie slechts verplicht kan worden gesteld voor zover zij noodzakelijk is voor een goed begrip van de wezenlijke bestanddelen van de aan de verzekeringnemer aangeboden verzekeringsproducten, en voor zover de vereiste informatie voldoende duidelijk en nauwkeurig is om dat doel te bereiken en dus, onder meer, de verzekeraar een voldoende niveau van rechtszekerheid te waarborgen. [245]
welkeaanvullende informatie de lidstaten in het belang van de consument verplicht kunnen stellen, maar dat de Uniewetgever niet heeft bepaald
hoeen
binnen welke grenzende lidstaten van de mogelijkheid gebruik kunnen maken om aanvullende informatie van de verzekeraar te verlangen. Uit art. 31 lid 4 DLR Pro volgt wel dat de lidstaat de toepassingsvoorschriften vaststelt betreffende de verplichting tot verstrekking van aanvullende informatie als voorzien in de nationale wetgeving. [246]
rechtsgrondslag”) te bepalen voor de verplichting tot het verstrekken van aanvullende informatie. Daarbij kan het óók gaan om open en/of ongeschreven regels, mits aan de eisen van art. 31 lid 3 DLR Pro is voldaan:
NN/Van Leeuwen. [248] Er heerst in grote mate overeenstemming over dat het HvJ EU daarin heeft bevestigd dat het in beginsel mogelijk is dat levensverzekeraars op grond van (open en/of ongeschreven) algemene beginselen van intern recht verplicht zijn om aanvullende informatie aan verzekeringnemers te verstrekken en dat een dergelijke (open en/of ongeschreven) grondslag niet in strijd is met art. 31 lid 3 DLR Pro.
NN/Van Leeuwen. [250] Het HvJ EU heeft expliciet overwogen dat de grondslag van een verplichting tot het verstrekken van aanvullende informatie in beginsel irrelevant is voor de vraag of de verplichting strookt met art. 31 lid 3 DLR Pro (randnummer 8.13 hiervoor). Het HvJ EU acht het derhalve mogelijk dat een plicht tot het verstrekken van aanvullende informatie uit een open en/of ongeschreven norm voortvloeit en derhalve niet als zodanig in (sectorspecifieke) regelgeving is opgenomen. Het is volgens het HvJ EU, zo lees ik
NN/Van Leeuwen, niet nodig dat de lidstaat in dat geval uitdrukkelijk bepaalt dat open en/of ongeschreven normen – door het HvJ EU ook wel aangeduid als “
algemene beginselen van intern recht” – een grondslag (kunnen) vormen van een plicht tot het verstrekken van aanvullende informatie. De ‘enige’ eisen die het HvJ EU stelt aan een verplichting voor de levensverzekeraar om bepaalde informatie te verstrekken, in aanvulling op de inlichtingen genoemd in Bijlage II bij de DLR, is dat de verlangde aanvullende informatie duidelijk en nauwkeurig is en noodzakelijk voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis en zij voldoende rechtszekerheid waarborgt.
Axa Royaleen
NN/Van Leeuwengenoemde “
duidelijk en nauwkeurig”-voorwaarde betrekking heeft (randnummers 8.3, 8.9 en 8.16 hiervoor). Ook partijen in de onderhavige procedure zijn hierover verdeeld. De Vereniging stelt dat de
informatiedie de verzekeraar moet verstrekken, duidelijk en nauwkeurig moet zijn. [252] NN betoogt daarentegen dat niet zozeer de informatie, maar de
informatieverplichtingduidelijk en nauwkeurig moet zijn, in die zin dat de omschrijving van de te verstrekken informatie (voor de verzekeraar) voldoende duidelijk en nauwkeurig is. [253]
Axa Royale(punt 24) en
NN/Van Leeuwen(punt 21), waarin het HvJ heeft overwogen dat “
de aanvullende gegevens (…) duidelijk en nauwkeurig moeten zijn”, maar ook uit Bijlage II bij de DLR (en Bijlage III bij de Levensrichtlijn 2002), waarin stond dat “
de inlichtingen” die aan de verzekeringnemer moeten worden medegedeeld “
duidelijk, nauwkeurig en schriftelijk” moeten worden verstrekt (randnummers 4.10 en 4.65 hiervoor). Het blijkt ook uit de considerans bij de DLR (onder 23) en de Levensrichtlijn 2002 (onder 52), waarin stond dat de consument “
duidelijke en nauwkeurige informatie” moet ontvangen (randnummers 4.8 en 4.63 hiervoor). Kortom: de informatie moet duidelijk (niet vaag) en nauwkeurig zijn (geen informatie-overschot waardoor de consument de weg kwijt raakt).
NN/Van Leeuwenoverwogen dat de grondslag van die verplichting een toereikend niveau van rechtszekerheid moet waarborgen (punt 27). Dit houdt in dat de verzekeraar in staat moet zijn met een voldoende mate van voorspelbaarheid vast te stellen welke aanvullende informatie hij dient te verstrekken en de verzekeringnemer kan verwachten (punt 29). Hoewel de informatieverplichting zelf dus niet duidelijk en nauwkeurig hoeft te zijn, moet het voor verzekeraars wél in voldoende mate voorspelbaar zijn welke aanvullende informatie zij op basis van die verplichting moeten verstrekken.
Axa Royaleen
NN/Van Leeuwende volgende conclusies kunnen worden getrokken:
NN/Van Leeuwen-arrest);
NN/Van Leeuwen-arrest); en
NN/Van Leeuwen-arrest).
NN/Van Leeuwenniet uitgelaten over de vraag of en zo ja, welke Nederlandse open en/of ongeschreven normen aan de eisen van art. 31 lid 3 DLR Pro voldoen en zodoende als grondslag kunnen dienen van een verplichting voor levensverzekeraars om aanvullende informatie aan verzekeringnemers te verstrekken. Dat verbaast niet, want het is volgens het HvJ EU aan de nationale en in dit geval dus de Nederlandse rechter om te beoordelen of de in aanmerking komende open en/of ongeschreven privaatrechtelijke normen aan de vereisten van art. 31 lid 3 DLR Pro voldoen (randnummer 8.15 hiervoor).
NN/Van Leeuwende discussie over (de verhouding tussen) sectorspecifieke en privaatrechtelijke informatieplichten van levensverzekeraars voor eens en voor altijd zou beslechten, is dat niet, of in elk geval niet volledig gebeurd. Ook ná
NN/Van Leeuwenis de literatuur en de rechtspraak op dit onderwerp verdeeld gebleven. Die verdeeldheid breng ik hierna in beeld.
10.De literatuur is verdeeld
Axa Royaleen
NN/Van Leeuwen. Bij de tweede visie hoort doorgaans het standpunt dat óók (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen aan de eisen van art. 31 lid 3 DLR Pro kunnen voldoen.
Kalkman. [256] Ook
Wakkieheeft deze visie verdedigd. [257] Opmerking verdient dat Kalkman hoofd juridische zaken is bij NN [258] en Wakkie adviseur was/is van NN Group. [259]
nietheeft gekozen voor een stelsel van informatieverplichtingen die hun grondslag geheel of gedeeltelijk in open normen zouden kunnen vinden. Het alsnog aannemen van een verplichting op grond van open en/of ongeschreven normen om aanvullende informatie te verstrekken, zou de door de wetgever gemaakte keuzes onaanvaardbaar doorkruisen. Ook kan het voldoen aan informatieverplichtingen die voortvloeien uit de DLR en de daarop gebaseerde Nederlandse implementatieregelgeving niet tegelijkertijd een schending van privaatrechtelijke normen op het gebied van informatieverstrekking opleveren, omdat de eerste de laatste volledig ‘invullen’. Maar ook als dat niet zo zou zijn, kan op grond van het privaatrecht geen verplichting worden aangenomen tot het verstrekken van aanvullende informatie. Privaatrechtelijke open normen, zoals de redelijkheid en billijkheid, bieden immers onvoldoende (rechts)zekerheid voor verzekeraars, waardoor ze niet kunnen dienen als grondslag van een verplichting om aanvullende informatie te verstrekken. Hetzelfde geldt voor jurisprudentie als rechtsbron: ook rechtspraak leidt niet tot duidelijke, nauwkeurige en voorspelbare toepassingsvoorschriften. Volgens Kalkman en Wakkie kan, in de Nederlandse verhoudingen, alleen de wetgever voldoende (rechts)zekerheid bieden voor een verplichting om aanvullende informatie te verstrekken.
Meijer, die als advocaat diverse verzekeraars bijstaat in procedures over
unit linkedbeleggingsverzekeringen, [260] kan een verplichting om aanvullende informatie te verstrekken niet uit (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen voortvloeien. Allereerst niet omdat volgens hem “
geldt dat ‘open en/of ongeschreven regels zoals de redelijkheid en billijkheid en de bijzondere zorgplicht geen deel uit maken van de Riav ’98.” Daarnaast geldt volgens Meijer, net als Kalkman en Wakkie betogen, dat het onmogelijk is om open en/of ongeschreven regels als grondslag te gebruiken van een verplichting om aanvullende informatie te verstrekken. Het zou voor verzekeraars dan onvoldoende voorspelbaar zijn welke informatie zij (hadden) moeten verstrekken. [261]
NN/Van Leeuwen, dat een verplichting om aanvullende informatie te verstrekken, kan worden gevonden in de rechtsregel uit het arrest
Baris/Riezenkamp. [263] Daarin heeft Uw Raad, als bekend, aangenomen dat onderhandelende partijen in een bijzondere, door de goede trouw beheerste, rechtsverhouding komen te staan, waarin zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. Volgens Leerink gaat het hier om een privaatrechtelijke zorgplicht en is het goed verdedigbaar dat een verzekeraar ook al in 1998 was gehouden om de wezenlijke bestanddelen van de verzekering helder uiteen te zetten. Het bedrag en/of het tarief dat de verzekeraar aan kosten op de premie inhoudt, voordat deze premie voor rekening en risico van de verzekeringnemer wordt belegd, behoort in de ogen van Leerink tot de informatie die noodzakelijk is voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verzekering. Verzekeraars hadden hierover dus heldere informatie aan hun verzekeringnemers moeten verstrekken. [264]
uiteraard” de meer algemene regels van consumentenbescherming ook voor verzekeringscontracten van toepassing blijven, zoals de toetsing van oneerlijke bedingen in consumentencontracten. [266] Al met al lijkt Lieverse dus van oordeel te zijn dat er naast de sectorspecifieke informatieplichten ruimte bestaat om op grond van (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen een verplichting voor levensverzekeraars aan te nemen om aanvullende informatie te verstrekken, maar van de sectorspecifieke informatieplichten wel een zekere ‘reflexwerking’ uitgaat, in het voordeel van de verzekeraars. [267]
Cherednychenkohouden zich wat meer op de vlakte dan Leerink en Mendel, maar neigen – zo lijkt het – eveneens naar het standpunt dat (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen wél een verplichting tot aanvullende informatieverstrekking voor verzekeraars met zich kunnen brengen. Zij benadrukken dat het HvJ EU in
NN/Van Leeuwenheeft geoordeeld dat verzekeraars een
voldoende matevan rechtszekerheid moet worden geboden en derhalve geen
absoluterechtszekerheid. Dat het HvJ EU het rechtszekerheidsbeginsel niet als een absolute grootheid beschouwt, is volgens hen niet verwonderlijk omdat het “
schier onmogelijk” is om het ideaal van gewenst gedrag vooraf te vangen in een gedetailleerde, uitputtende regeling. Het exclusief toepassen van in het toezichtrechtelijk kader opgenomen plichten zou bovendien afbreuk doen aan de beschermingsgedachte van veel richtlijnen, waaronder de DLR. Volgens Wallinga en Cherednychenko kan de DLR (en andere sectorspecifieke regelgeving) niet worden opgevat als een
checklistdie verzekeraars bij het afvinken daarvan garandeert dat zij zich zowel van hun publieke als privaatrechtelijke verantwoordelijkheid hebben gekweten. [271]
Aronszijn ook van oordeel dat het privaatrecht, náást de sectorspecifieke informatieplichten, een grondslag kan vormen voor een verplichting om informatie te verstrekken. De redelijkheid en billijkheid van art. 6:2 BW Pro lijkt volgens hun op het eerste gezicht echter niet aan het rechtszekerheidsbeginsel te voldoen, omdat die norm “
uiterst vaag is en daarmee weinig tot geen voorspellende waarde heeft.” Vervolgens stellen zij echter dat het volgens het HvJ EU eigenlijk evident is dat de verzekeringnemer een overzicht van of inzicht in de concrete en/of absolute kosten en risicopremies en de opbouw ervan moet ontvangen om de werking van het product te kunnen begrijpen. De verzekeraar had daarom zelf moeten bedenken dat deze informatie aan verzekeringnemers moest worden verstrekt en had moeten en kunnen weten dat zijn verantwoordelijkheid niet begon en eindigde bij een letterlijke naleving van de RIAV 1998. [272] Meer in het algemeen gezien doen banken en andere financiële instellingen er volgens Busch goed aan zich niet blind te staren op de naleving van het financiële toezichtrecht. Correcte naleving van toezichtregelgeving biedt immers geen garantie dat schadeclaims uit hoofde van een schending van een (bijzondere) zorgplicht zullen falen. [273]
NN/Van Leeuwen-arrest (onder meer) dat van een verzekeraar in elk geval mag worden verwacht dat hij de werking van de verzekering volledig doorgrondt en dan ook behoort te begrijpen welke voor deze werking kenmerkende eigenschappen aan de verzekeringnemer dienen te worden meegedeeld. In navolging van Lieverse (randnummer 10.11 hiervoor) neemt hij aan dat een ongeschreven informatieverplichting slechts kan worden aangenomen wanneer de verzekeraar het bestaan ervan destijds ‘op zijn klompen’ kon aanvoelen. Met betrekking tot de verhouding tussen de Richtlijn oneerlijke bedingen en de DLR geldt volgens Salomons dat uit geen van beide richtlijnen valt af te leiden dat de daarmee gegeven regels exclusiviteit of voorrang toekomt. Aangenomen mag daarom worden dat verzekeraars zowel moeten voldoen aan de informatieplichten uit de DLR, als moeten waken voor oneerlijke bedingen als bedoeld in de Richtlijn oneerlijke bedingen. [274] Zie ik het goed, dan verwerpt Salomons aldus het argument dat er door de sectorspecifieke informatieplichten geen plaats (meer) is voor informatieverplichtingen op grond van het privaatrecht.
Pavillongaat specifiek in op de verhouding tussen de DLR en de Richtlijn oneerlijke bedingen en stelt – net als Salomons – dat toepassing van de (open) oneerlijkheidsnormen uit de Richtlijn oneerlijke bedingen niet wordt “
dichtgetimmerd” door sectorspecifieke informatieplichten (uit de DLR). Het is volgens haar zeer wel mogelijk dat verzekeraars wél aan de destijds in Nederland geldende sectorspecifieke informatieverplichtingen hebben voldaan, maar desondanks de transparantie-eis uit de Richtlijn oneerlijke bedingen niet halen, omdat kostenbedingen onbegrijpelijk waren geformuleerd en/of sprake was van een gebrek aan informatie over de werking van kostenbedingen. [275]
11.Ook de feitenrechters zitten niet op één lijn
de algemene eisen van precontractuele redelijkheid en billijkheid” in de sectorspecifieke regelgeving zijn verdisconteerd en uit die algemene eisen geen aanvullende informatie-eisen voortvloeien (conform de eerste ‘richting’). Vervolgens wordt echter aan de andere kant aan de hand van “
de normale privaatrechtelijke regels” nagegaan of verzekeraars voldoende informatie hebben verschaft en/of eventuele waarschuwingen hebben gegeven, zodat kan worden gezegd dat wilsovereenstemming is bereikt en aan de privaatrechtelijke zorgplicht is voldaan (conform de tweede ‘richting’). [278] Het lijkt er aldus op dat een deel van de rechtspraak (bewust of onbewust) geen duidelijke richting kiest ten aanzien van de verhouding tussen sectorspecifieke informatieplichten en het privaatrecht, met als gevolg dat – al naar gelang het aangewezen wordt geacht – op het gebied van informatieverstrekking deels wél afzonderlijk aan privaatrechtelijke normen wordt getoetst en deels niet. Dit maakt de rechtspraak op het gebied van beleggingsverzekeringen soms lastig te duiden.
NN/Van Leeuwen-arrest wees. De reden daarvoor is dat die jurisprudentie, als het goed is, de overwegingen en oordelen van het HvJ EU in
NN/Van Leeuwenweerspiegelt en aldus van het beoordelingskader is uitgegaan dat ook in deze procedure als uitgangspunt moet worden genomen. [279]
unit linkedbeleggingsverzekeringen (randnummer 3.5, onder (ii), hiervoor), die zijn afgesloten vanaf de jaren 80 van de vorige eeuw tot en met 2015.
11 maart 2020heeft de rechtbank Midden-Nederland met betrekking tot de aan de verzekering verbonden kosten overwogen dat de sectorspecifieke regelgeving tot 2008 indirecte transparantie voorschreef, op grond waarvan voorbeeldkapitalen de invloed van kosten en inhoudingen (de risicopremie) op het te behalen rendement en de uitkering laten zien, zonder de kosten en inhoudingen zelf te concretiseren. De heersende opvatting was dat dergelijke indirecte transparantie de verzekeringnemer in staat stelde om de wezenlijke aspecten van het verzekeringsproduct goed te doorgronden (rov. 3.15.-3.24.). Pas vanaf 2008 schreef de sectorspecifieke regelgeving directe transparantie voor en moesten de kosten en inhoudingen worden uitgesplitst en zoveel als mogelijk concreet worden weergegeven (rov. 3.25.). Naar het oordeel van de rechtbank heeft ASR aan haar sectorspecifieke informatieplichten voldaan (rov. 3.26.).
NN/Van Leeuwen-arrest:
een rol” speelt bij de toetsing of een beding oneerlijk is:
6 februari 2019van de rechtbank Midden-Nederland is min of meer vergelijkbaar met de hiervoor beschreven uitspraak van 11 maart 2020. Ook daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat ten aanzien van algemene, open (zorgvuldigheids)normen niet is voldaan aan de eisen zoals geformuleerd in het
NN/Van Leeuwen-arrest:
19 juli 2017van de rechtbank Rotterdam in de procedure in eerste aanleg tussen de Vereniging en NN. [282] Op deze uitspraak wordt in paragraaf 12 hierna uitgebreid ingegaan (vanaf randnummer 12.5), maar kort gezegd heeft de rechtbank Rotterdam geoordeeld dat “
de algemene eisen van precontractuele redelijkheid en billijkheid” in de sectorspecifieke regelgeving zijn verdisconteerd en uit die algemene eisen dus geen aanvullende informatie-eisen voortvloeien. Specifiek met betrekking tot de Richtlijn oneerlijke bedingen heeft de rechtbank Rotterdam – anders dan de rechtbank Midden-Nederland – in zijn algemeenheid geoordeeld dat, omdat NN aan haar sectorspecifieke informatieverplichtingen heeft voldaan, niet tegelijkertijd sprake kan zijn van strijd met de Richtlijn oneerlijke bedingen.
19 juli 2017, heeft de rechtbank Rotterdam ook een vonnis gewezen in een procedure tussen een consument en NN, eveneens over
universal lifebeleggingsverzekeringen. [283] Ook hier heeft de rechtbank geoordeeld dat “
de algemene eisen van precontractuele redelijkheid en billijkheid” in de sectorspecifieke regelgeving zijn verdisconteerd en uit die algemene eisen geen aanvullende informatie-eisen voortvloeien (rov. 4.22.). De rechtbank heeft vervolgens wel afzonderlijk beoordeeld of NN haar zorgplicht heeft geschonden door niet te waarschuwen voor de (bijzondere) risico’s van beleggingsverzekeringen (‘nee’). Wat dit laatste oordeel betreft, waarin los van de sectorspecifieke informatieplichten is beoordeeld of aan de zorgplicht is voldaan, past deze uitspraak beter bij de hierna te bespreken tweede ‘richting’ in de rechtspraak. Die richting gaat namelijk ervan uit dat privaatrechtelijke normen, ten opzichte van sectorspecifieke informatieplichten, kunnen verplichten tot het verstrekken van aanvullende informatie, waardoor inhoudelijk/afzonderlijk moet worden getoetst of aan (een deel van) deze normen is voldaan.
27 maart 2019– heeft de rechtbank Rotterdam in een procedure tussen de Consumentenbond en NN (in een tussenvonnis) wederom geoordeeld dat NN in de jaren 1992-2008 haar sectorspecifieke informatieplichten heeft nageleefd. Omdat volgens de rechtbank “
de algemene eisen van precontractuele redelijkheid en billijkheid” in de sectorspecifieke regelgeving zijn verdisconteerd, kunnen uit die algemene eisen geen aanvullende informatieverplichtingen voortvloeien (rov. 4.18.-4.53.). [284] Vervolgens heeft de rechtbank echter wel aan de hand van “
de normale privaatrechtelijke regels” beoordeeld of wilsovereenstemming is bereikt over de kosten van de verzekering (rov. 4.69.). Wat dit betreft past deze uitspraak dus ook (deels) in de hierna te bespreken tweede ‘richting’ in de rechtspraak. Volgens de rechtbank veronderstelt wilsovereenstemming dat de verzekeringnemer beschikt over voldoende informatie en moet – in het kader van de vraag wat NN en de verzekeringnemers zijn overeengekomen – de precontractuele informatieverstrekking op grond van de sectorspecifieke regelgeving als “
een omstandigheid” in ogenschouw worden genomen (rov. 4.70.). Daarmee is echter nog niet gezegd waarover wilsovereenstemming bestaat, want de contractsvrijheid tussen partijen staat volgens de rechtbank voorop:
universal lifesystematiek en de (…) complete documentatie, in redelijkheid moet hebben begrepen dat hij, door in te stemmen met de bruto premie en het verwachte eindkapitaal, ook instemde met de door de Consumentenbond aan de orde gestelde kosten (…), NN ervan uit mocht gaan dat hij daarmee instemde en er dus per saldo wilsovereenstemming is bereikt. Als algemeen uitgangspunt kan daarbij gelden dat een gemiddelde verzekeringnemer/consument in redelijkheid ervan uit moest gaan dat sprake zou zijn van het berekenen van enige kosten. (…).”
29 juli 2020 [285] heeft de rechtbank Rotterdam geoordeeld dat wilsovereenstemming over de kosten bestaat, omdat die kan worden gevonden in de wilsovereenstemming over de twee kenmerkende elementen van de levensverzekering, te weten de bruto premie en de uitkering. Volgens de rechtbank was de algemene maatschappelijke opvatting destijds dat de verzekeringnemer niet behoefde te weten welke kostensoorten in het voorbeeldkapitaal waren verwerkt:
22 april 2020heeft de rechtbank Rotterdam in een (vergelijkbare) procedure tussen Stichting Wakkerpolis en NN opnieuw geoordeeld dat “
de algemene eisen van precontractuele redelijkheid en billijkheid” die de verhouding tussen verzekeraar en aspirant-verzekeringnemer beheersen, in de sectorspecifieke regelgeving zijn verdisconteerd en uit die algemene eisen geen aanvullende informatieverplichtingen kunnen voortvloeien (rov. 4.46.). Tegen de achtergrond van deze informatieplichten trof het beroep van Stichting Wakkerpolis op (schending van) de bijzondere zorgplicht van NN geen doel, want “
deze zorgplicht werd ingevuld door de Derde levensrichtlijn en de daaruit voortvloeiende regelgeving, waarbij rekening is gehouden met onder meer de aard van de te sluiten overeenkomst en de positie van partijen jegens elkaar” (rov. 4.48.).
normale privaatrechtelijke regels” beoordeeld of wilsovereenstemming over de kosten van de verzekering bestaat. [286] Daarbij is de precontractuele informatieverstrekking op grond van de sectorspecifieke regelgeving een omstandigheid die in ogenschouw moet worden genomen (rov. 4.31.). De rechtbank heeft, net als in de hiervoor besproken uitspraak van 29 juli 2020, geoordeeld dat de grondslag van alle in de bruto premie verdisconteerde kosten te vinden is in de wilsovereenstemming over de bruto premie en de uitkering op basis van de gegeven netto voorbeeldkapitalen. Daarbij was het tot 2008 niet nodig om aan te geven welke kostensoorten voor rekening van de verzekeringnemer zouden komen (rov. 4.72. en 4.73.).
29 januari 2019van het hof Arnhem-Leeuwarden in een zaak tussen een echtpaar en Aegon over drie beleggingsverzekeringen. [287] De rechtbank Gelderland had de vorderingen van het echtpaar afgewezen [288] en het hof heeft het vonnis bekrachtigd. Naar het oordeel van het hof brachten de heersende rechtsopvattingen (de open normen) in de periode 1988-1998 niet mee dat Aegon het echtpaar had moeten informeren over de (hoogte van de) kosten en de risicopremie. Het hof heeft dit oordeel in grote mate gebaseerd op (de inhoud en totstandkoming van) de sectorspecifieke regelgeving:
NN/Van Leeuwenvoldeed (rov. 3.11.).
de normale privaatrechtelijke regels” nagegaan of wilsovereenstemming is bereikt over de kosten van de verzekering. Ten aanzien van de informatieverstrekking op grond van deze privaatrechtelijke normen is de rechtbank (kennelijk)
nietvan oordeel dat daaraan (altijd) is voldaan indien aan de sectorspecifieke informatieplichten is voldaan.
2 mei 2017van het hof ’s-Hertogenbosch, dat overigens wel een beetje een vreemde eend in de bijt is. [289] In die zaak, tussen een consument en ASR, draaide het om een in 1997 aangegane beleggingsverzekering.
15 mei 2018van het hof Den Haag. [291] Deze uitspraak is gedaan in een procedure tussen een consument en ASR over diverse in de algemene voorwaarden opgenomen kostenbedingen van een
unit linkedbeleggingsovereenkomst.
24 juni 2020inhoudelijk/afzonderlijk getoetst of aan (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen is voldaan. [293] De procedure, tussen onder meer de Vereniging en de Consumentenbond aan de ene kant en Achmea aan de andere kant, draaide onder andere om spaarkas en
universal lifebeleggingsverzekeringen. Naar het oordeel van de rechtbank bood de RIAV in de optiek van de wetgever ruimte voor aanvullende, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeiende normen. Deze zienswijze strookt volgens de rechtbank met de richtlijnconforme uitleg van de RIAV, die inhoudt dat op grond van het ongeschreven recht aanvullende informatieverplichtingen kunnen worden aangenomen, indien is voldaan aan de door het HvJ EU in het
NN/Van Leeuwen-arrest geformuleerde eisen (rov. 4.16.6.).
geen plaats” is, “
met uitzondering van de zelfregulering van de branche middels de CRR” (rov. 4.18.1.).
NN/Van Leeuwen(rov. 4.18.1.). Volgens de rechtbank is de op Achmea rustende bijzondere zorgplicht vergelijkbaar met de bancaire bijzondere zorgplicht:
crashrisico, want dat is een algemeen beleggingsrisico en evenmin voor het fata morgana-effect, want dat was voor Achmea niet voorspelbaar (rov. 4.20.1.-4.21.5.).
20 december 2017van de rechtbank Noord-Holland is grotendeels vergelijkbaar met het hiervoor beschreven vonnis van de rechtbank Gelderland. [294] Het betrof een procedure tussen onder meer de Vereniging en verzekeraar SRLEV (voorheen AXA) over
universal lifebeleggingsverzekeringen. Ook hier heeft de rechtbank niet het betoog (van SRLEV) gevolgd dat er “
naast de regelgeving hoe dan ook geen ruimte is om op het ongeschreven recht gegronde aanvullende eisen te stellen aan de informatieverstrekking van haar als verzekeraar” (rov. 4.33.). Daarnaast rust op verzekeraars een bijzondere zorgplicht, vergelijkbaar met de bancaire bijzondere zorgplicht, op grond waarvan zij informatie moeten verstrekken over de relevante kenmerken en risico’s van de verzekeringsproducten (rov. 4.40.).
28 juni 2017van de rechtbank Den Haag is op haar beurt in grote mate vergelijkbaar met de hiervoor beschreven uitspraken van de rechtbanken Gelderland en Noord-Holland. [295] Het betrof dit keer een procedure tussen de Vereniging en Aegon over spaarkas en
universal lifebeleggingsverzekeringen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er ruimte voor aanvullende normen voor informatieverstrekking die op het ongeschreven recht zijn gebaseerd (rov. 2.95.), maar heeft de Vereniging geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat het ongeschreven recht aanvullende eisen stelde ten opzichte van de sectorspecifieke regelgeving (rov. 2.89.). Volgens de rechtbank rustte echter wel een bijzondere zorgplicht op Aegon, vergelijkbaar met de bancaire bijzondere zorgplicht, die “
noopt tot het verstrekken van informatie over de relevante kenmerken en risico’s van de voorbeeldproducten en kan vergen dat daarvoor wordt gewaarschuwd” (rov. 2.93.).
in de weg aan het als onredelijk bezwarend aanmerken van de(…)
bedingen”. Bovendien is volgens de rechtbank niet gesteld of gebleken dat de bedingen oneerlijk zijn (rov. 2.257.).
28 juli 2021– heeft de rechtbank Noord-Holland over een (spaarplan) beleggingsverzekering geoordeeld dat op SRLEV als professionele en bij uitstek deskundige dienstverlener op het terrein van beleggingsverzekeringen een bijzondere zorgplicht rust, die ertoe strekt een gemiddelde consument te beschermen tegen de gevaren van een gebrek aan inzicht (rov. 2.13.). [296] Volgens de rechtbank heeft SRLEV deze zorgplicht geschonden en onrechtmatig gehandeld door zich bij het geven van de voorbeeldkapitalen schuldig te maken aan misleiding van de consument, ondanks dat SRLEV zich destijds heeft gehouden aan alle voorschriften uit de toepasselijke CRR en de RIAV:
Let op, we rekenen met een constant rendement van 9%, maar ook als dat rendement gemiddeld in de volgende 30 jaar wordt gehaald, zult u het vermelde eindkapitaal als gevolg van koersschommelingen waarschijnlijk niet behalen.” Dat zou het afsluiten van een dergelijke beleggingsverzekering mogelijk minder aantrekkelijk maken voor consumenten, maar wel eerlijker zijn.
richtinggevende uitspraken” op het gebied van beleggingsverzekeringen. [297] Uit die uitspraken, en enkele meer recente, blijkt dat de CvB de hiervoor besproken tweede ‘richting’ heeft gekozen en derhalve niet alleen beoordeelt of verzekeraars aan de sectorspecifieke informatieplichten hebben voldaan, maar ook afzonderlijk toetst of op het gebied van informatieverstrekking aan de toepasselijke (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen is voldaan.
NN/Van Leeuwenvolgt dat de DLR niet eraan in de weg staat dat aan een verzekeraar op grond van algemene beginselen van Nederlands recht
aanvullende informatieverplichtingenworden opgelegd, ook voor zover deze verplichtingen zijn neergelegd in open en/of ongeschreven regels die de precontractuele verhouding beheersen of betrekking hebben op een algemene of bijzondere zorgplicht. Vereist is wel dat de verlangde aanvullende informatie duidelijk en nauwkeurig is en noodzakelijk is voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis. Bovendien moet het voor de verzekeraar in voldoende mate voorspelbaar zijn welke informatie hij dient te verstrekken, waarbij de CvB opmerkt dat een verzekeraar zich er niet gemakkelijk op kan beroepen niet te hebben begrepen dat bepaalde informatie noodzakelijk was om te verstrekken: [298]
heel terughoudend” met het aannemen van een aanvullende informatieverplichting van de verzekeraar. [299] Uitgesloten is dat echter niet, zo blijkt uit een van de richtinggevende uitspraken van de CvB, waarin de CvB een aanvullende informatieplicht op grond van (de aanvullende werking van) de eisen van redelijkheid en billijkheid heeft aangenomen: [300]
wilsovereenstemming.
universal lifebeleggingsverzekeringen ervoor kan zorgen dat, bij tegenvallende waardeontwikkeling, niet alleen de uitkering bij leven tegenvalt of zelfs nihil is, maar ook dat de verzekering voor de einddatum vervalt, waardoor bij vroegtijdig overlijden (vrijwel) geen uitkering wordt gedaan. Op dit laatste bijzondere risico – indien in het concrete geval aanwezig – hadden verzekeraars hun verzekeringnemers moeten wijzen, om te voorkomen dat sprake is van een tekortkoming in de
bijzondere zorgplicht van civielrechtelijke aard. [308] Buiten dit specifieke risico, bestaat volgens de CvB voor verzekeraars géén verplichting om verzekeringnemers (nadere) informatie te verschaffen in verband met het hefboom- en inteereffect: [309]
Richtlijn oneerlijke bedingenmoeten worden aangemerkt. [312] De CvB heeft een aantal malen kostenbedingen als gevolg van gebrekkige informatieverstrekking als onredelijk bezwarend aangemerkt. [313] In die gevallen had de verzekeraar onvoldoende duidelijkheid betracht over de totale hoogte van de aan de verzekering verbonden kosten en was ook de concrete werking van het mechanisme waarop de kostenbedingen betrekking hadden niet transparant. De beschikbaarheid van op indirecte transparantie gebaseerde voorbeeldrendementen en kapitalen maakte dit volgens de CvB niet anders: [314]
dwalingheeft de CvB tot nu toe steeds afgewezen, [316] vaak met de overweging dat er geen aanwijzing is dat de consument voor een ander product zou hebben gekozen, als hij wél vooraf over de hoogte van de premie en/of kosten zou zijn geïnformeerd. Er kan daarom doorgaans niet worden gezegd dat de consument bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet of niet op deze voorwaarden zou hebben gesloten en evenmin dat hij schade heeft geleden. [317] In andere uitspraken heeft de CvB het beroep op dwaling afgewezen, omdat het beding over de poliskosten reeds buiten toepassing werd gelaten wegens strijd met de Richtlijn oneerlijke bedingen en ontbreken van dat beding niet rechtvaardigde dat de verzekeringsovereenkomst op grond van dwaling algeheel zou worden vernietigd. [318]
NN/Van Leeuwenals basis – verplichtingen om aanvullende informatie te verstrekken kunnen ook worden gegrond op open en/of ongeschreven normen – wordt in de Nederlandse context niet eenduidig geoordeeld over de vraag of plaats is voor toetsing aan (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen op het gebied van informatieverstrekking, náást de sectorspecifieke regelgeving. Indien wordt geoordeeld dat die ruimte er wél is, verschilt men van mening over de vraag in hoeverre de (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen aan de eisen van art. 31 lid 3 DLR Pro voldoen, zoals geformuleerd in
Axa Royaleen
NN/Van Leeuwen. Ook is gebleken dat een deel van de rechtspraak (bewust of onbewust) geen eenduidige keuze maakt tussen de ene en de andere ‘richting’, waardoor op het gebied van informatieverstrekking deels wél afzonderlijk aan privaatrechtelijke normen wordt getoetst en deels niet. Het gevolg hiervan en van de onderlinge verdeeldheid binnen de feitenrechtspraak op het gebied van beleggingsverzekeringen is dat deze rechtspraak niet eenvoudig te duiden is.
Axa Royaleen
NN/Van Leeuwenvan het HvJ (paragrafen 8 en 9), de stand van zaken in de literatuur (paragraaf 10) en de stand van zaken in de rechtspraak (paragraaf 11), dient als basis voor de uiteindelijke beantwoording van de prejudiciële vragen (paragrafen 14-17). Voordat ik daaraan toekom, ga ik echter eerst nog in op de procedure die aanleiding is geweest voor het stellen van de onderhavige prejudiciële vragen: de procedure in feitelijke instanties tussen de Vereniging en NN (paragraaf 12) en de standpunten van partijen en de ‘insprekende’ derden in deze prejudiciële procedure (paragraaf 13).
12.Vereniging/NN: de feiten en het procesverloop in feitelijke instanties
Feiten
universal lifeprincipe (randnummer 3.5, onder (iii), hiervoor).
eerste stapbeoordeeld welke sectorspecifieke informatieverplichtingen op NN rustten (rov. 4.7.-4.13.). De rechtbank is daarbij ingegaan op de DLR, de RIAV 1994, de RIAV 1998 en het arrest
NN/Van Leeuwenvan het HvJ EU. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat de omstandigheid dat de Nederlandse wetgever de gegevens genoemd in art. 2 lid Pro 2, onder q., r. en s., RIAV 1998 (randnummers 4.41 e.v. hiervoor) pas met ingang van 1 januari 1999 nodig vond voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis, op zichzelf nog niet maakt dat art. 31 lid 3 DLR Pro in de weg staat aan een nationaalrechtelijke verplichting om méér informatie te verschaffen (rov. 4.13.).
tweede stapbeoordeeld of Nederlandse open en/of ongeschreven normen meebrachten dat NN was gehouden om de gegevens genoemd in art. 2 lid Pro 2, onder q., r. en s., RIAV 1998 reeds vóór de inwerkingtreding van die regeling te verstrekken (rov. 4.14.-4.25.). Naar het oordeel van de rechtbank was dat niet het geval.
de algemene eisen van precontractuele redelijkheid en billijkheid” echter geen aanvullende informatieverplichtingen voortvloeien. Laat staan dat zulke eventuele aanvullende verplichtingen aan de eisen uit het arrest
NN/Van Leeuwenvoldoen. De rechtbank heeft erop gewezen dat de wetgever pas in 2008 (met de wijziging van het Bgfo Wft, randnummers 4.92 e.v. hiervoor) de verplichting heeft geïntroduceerd om opgave te doen van diverse kostensoorten en dat er géén ruimte is voor doorwerking van deze voorschriften naar de jaren daarvoor:
RIAV 1998
ervoor te zorgen dat verzekeraars meer en beter inzicht bieden in de diverse kostensoorten bij beleggingsverzekeringen. Dat inzicht is van belang omdat de kosten die op de premie en op de beleggingen worden ingebonden mede bepalend zijn voor de opbouw van het verzekerd kapitaal en uiteindelijk voor de hoogte van de uitkering op de einddatum(...)” (Staatsblad 2007, 520). Nu de beleggingsverzekeringen die onderwerp zijn van deze procedure kennelijk (vrijwel) alle voor de inwerkingtreding van het Bgfo zijn gesloten en de Vereniging over deze regeling geen concrete standpunten heeft ingenomen gaat de rechtbank ervan uit dat het Bgfo voor de beoordeling van de vorderingen niet van belang is. Uit het voorgaande vloeit voort dat van doorwerking van de in de [lees: het, A-G] Bgfo neergelegde voorschriften naar de jaren daarvoor geen ruimte is.”
de algemene eisen van precontractuele redelijkheid en billijkheid” géén aanvullende informatieplichten voor verzekeraars voortvloeien (stap twee), heeft de rechtbank als
derde stapbeoordeeld of NN heeft gehandeld overeenkomstig de op haar rustende sectorspecifieke informatieverplichtingen (rov. 4.26.-4.43.). Naar het oordeel van de rechtbank heeft NN steeds conform deze informatieverplichtingen gehandeld.
vierde stapin haar beoordeling van de vorderingen van de Vereniging een viertal risico’s beoordeeld die aan beleggingsverzekeringen kunnen zijn verbonden (randnummer 3.9 hiervoor). Naar het oordeel van de rechtbank zijn het
crashrisico, het fata morgana-effect en het hefboom- en inteereffect algemene beleggingsrisico’s en geen bijzondere risico’s waarover NN haar verzekeringnemers specifiek had moeten informeren (rov. 4.45.-4.56.). Ten aanzien van het risico op
churningheeft de rechtbank geoordeeld dat misbruik in de vorm van
churningmogelijk is en een wanprestatie of onrechtmatige daad zou kunnen opleveren, maar dat de Vereniging niet behoorlijk heeft toegelicht en onderbouwd dat NN zich aan
churningschuldig heeft gemaakt (rov. 4.57.-4.60.).
vijfde stapheeft de rechtbank beoordeeld of een tweetal bedingen in de door NN gehanteerde Voorwaarden voor Verzekeringen (hierna: de ‘VvV’) oneerlijke bedingen zijn in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen en op grond van art. 6:233 BW Pro moeten worden vernietigd. Het eerste beding (artikel 3D lid 1 VvV) heeft betrekking op het in rekening brengen van administratie- en beheerkosten en de overlijdensrisicopremie. Volgens de Vereniging is dit beding oneerlijk, omdat onduidelijkheid over de hoogte van de premie bestaat en NN hierover geen informatie heeft verschaft (rov. 4.70.). Het tweede beding (artikel 14 lid 2 VvV Pro) bevat een regeling voor de verrekening van kosten bij tussentijdse afkoop en premievrijmaking van de verzekering. De Vereniging acht dit beding oneerlijk, omdat NN bij tussentijdse afkoop kosten en inhoudingen in mindering bracht op het opgebouwde vermogen en de verzekeringnemer dit op basis van de informatie die hem was verschaft niet behoefde te verwachten (rov. 4.76.).
zesde stapheeft de rechtbank beoordeeld of NN tot 1 juli 2002 diverse kosten [322] heeft ingehouden zonder dat daarvoor een contractuele grondslag en dus wilsovereenstemming bestond. Naar het oordeel van de rechtbank is ook dat niet het geval. De kosten in kwestie waren volgens de rechtbank verdisconteerd in de voorbeeldkapitalen (indirecte transparantie). Bovendien bleek duidelijk uit de verzekeringsstukken
datNN kosten en risicopremies in rekening zou brengen. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat in het kader van de collectieve actie niet is komen vast te staan dat NN de kosten zonder contractuele grondslag heeft ingehouden (rov. 4.81.-4.91.). Daarmee is volgens de rechtbank echter nog niets beslist over
de hoogteof
de redelijkheidvan die kosten:
13.Vereniging/NN: de standpunten in deze prejudiciële procedure
Verenigingbepleit dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord. [329] Volgens de Vereniging kan een zekere reflexwerking van toezichtrechtelijke regelgeving naar het civiele recht worden aanvaard, maar houdt die reflexwerking niet in dat in civielrechtelijke zin aan een partij geen strengere eisen mogen worden gesteld dan de in het publiekrecht neergelegde eisen. De Vereniging wijst erop dat de DLR minimumnormen heeft vastgesteld en het nationale civiele recht in beginsel ongemoeid heeft gelaten. Ook wijst de Vereniging op rechtspraak van Uw Raad, waarin is geoordeeld dat de civielrechtelijke zorgplicht verder kan reiken dan de gedragsregels die in publiekrechtelijke regelgeving zijn neergelegd. [330]
Axa Royaleen
NN/Van Leeuwenheeft geformuleerd, omdat in de tweede helft van 1992 tot eind 2008 op NN een voldoende kenbare ongeschreven norm heeft gerust op grond waarvan NN de verzekeringnemer duidelijk en begrijpelijk moest informeren over de systematiek van de FVB-verzekeringen, de aan die verzekering verbonden kosten en risico’s en de invloed daarvan op het te verwachten resultaat.
Consumentenbondbepleit, net als de Vereniging, dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord: naleving van de DLR brengt niet mee dat de verzekeraar daarmee ook heeft voldaan aan de (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen op grond waarvan verzekeraars gehouden kunnen zijn om aanvullende informatie te verstrekken. [334] Volgens de Consumentenbond stelde de DLR minimumeisen, waardoor ruimte bestond voor nationale ‘open’ normen. In de visie van de Consumentenbond bestond reeds in de jaren negentig van de vorige eeuw voor verzekeraars de ongeschreven specifieke rechtsnorm om niet te hoge kosten in rekening te brengen en voldoende inzicht te bieden in de voor de consument van belang zijnde aspecten van een beleggingsverzekering.
Axa Royaleen
NN/Van Leeuwengenoemde criteria. [335] Volgens de Consumentenbond is in dit geval aan deze criteria voldaan. Het bedrag dat aan kosten werd ingehouden en de invloed daarvan op het te behalen beleggingsresultaat betreft duidelijke en nauwkeurige informatie, die noodzakelijk is voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de belangrijkste kenmerken van de beleggingsverzekering. Omdat NN haar eigen verzekeringsproducten als geen ander kende, had het haar duidelijk moeten zijn dat consumenten zónder deze informatie niet in staat zouden zijn om de gevolgen van de verzekeringen te overzien.
Axa Royaleen
NN/Van Leeuwen. [337]
Verenigingheeft – nadat partijen en de insprekende derden hun schriftelijke opmerkingen hadden ingediend – gereageerd op de schriftelijke opmerkingen van NN. Zij heeft in haar reactie onder meer benadrukt dat de doelstelling van de DLR was het bevorderen van de diversiteit en de concurrentie op de levensverzekeringenmarkt en dat de in de DLR neergelegde informatieplichten derhalve niet zozeer op consumentenbescherming waren gericht, maar in het teken stonden van het ten volle kunnen profiteren door de consument van de toegenomen diversiteit en concurrentie op de markt voor levensverzekeringen. Ook heeft de Vereniging herhaald dat met de DLR publiekrechtelijke minimumharmonisatie is beoogd en geen privaatrechtelijke maximumharmonisatie. [338]
14.Beantwoording van de eerste prejudiciële vraag
NN/Van Leeuwenheeft bevestigd, brengt de DLR minimumharmonisatie tot stand voor wat betreft de aan de verzekeringnemer te verstrekken informatie (randnummers 4.8 en 8.11 hiervoor). Art. 31 lid 1 DLR Pro schrijft voor dat vóór het sluiten van de verzekeringsovereenkomst aan de verzekeringnemer
ten minstede in Bijlage II, onder A., bij de DLR vermelde gegevens moeten worden meegedeeld (randnummer 4.9 hiervoor).
ten minste” op grond van Bijlage II bij de DLR moeten worden verstrekt.
NN/Van Leeuwen“
rechtsgrondslag”). Dit kan in principe elke grondslag zijn. De gekozen grondslag is immers in beginsel irrelevant voor de vraag of deze met de DLR strookt, mits aan de in art. 31 lid 3 DLR Pro genoemde vereisten is voldaan (zie punt 28 van
NN/Van Leeuwen, randnummer 8.13 hiervoor en zie voor deze vereisten nader de beantwoording van de tweede prejudiciële vraag, paragraaf 15 hierna). Het HvJ EU heeft in
NN/Van Leeuwengeoordeeld dat ook algemene beginselen van intern recht, zoals open en/of ongeschreven regels, als grondslag kunnen dienen van een verplichting tot het verstrekken van aanvullende informatie. Het is aan de betrokken lidstaat om de grondslag van een dergelijke verplichting te bepalen (randnummer 8.13 hiervoor).
ten minste” de in Bijlage II, onder A., bij de DLR vermelde gegevens aan de verzekeringnemer moet verstrekken (art. 31 lid 1 DLR Pro), eventueel aangevuld met de gegevens die verzekeraars moeten verstrekken op grond van (open en/of ongeschreven) grondslagen die aan de eisen van art. 31 lid 3 DLR Pro voldoen. Anders dan NN betoogt, [343] is het dus niet zo dat de Uniewetgever bij de DLR (en de Levensrichtlijn 2002) voor ogen heeft gehad dat de gedetailleerde informatieverplichtingen van de bijlage bij de DLR steeds toereikend zijn om de consument adequaat te informeren en te beschermen. Als de Uniewetgever had gemeend dat de in de bijlage genoemde gegevens die op grond van art. 31 lid 1 DLR Pro “
ten minste” moeten worden verstrekt in alle gevallen voldoende waren om de verzekeringnemer goed te informeren over de kenmerkende eigenschappen van de verzekering, dan had de Uniewetgever niet lid 3 aan art. 31 toegevoegd Pro, op grond waarvan verzekeraars kunnen worden verplicht om
aanvullendegegevens te verstrekken indien dat nodig is voor een goed begrip van de wezenlijke bestanddelen van de verzekering(sovereenkomst).
ten minste” (lid 1) en “
aanvullende” (lid 3) gegevens, is dat levensverzekeraars niet zonder meer ervan kunnen uitgaan dat het verstrekken van de in Bijlage II bij de DLR vermelde gegevens volstaat. Indien er namelijk grondslagen zijn, die aan de eisen van art. 31 lid 3 DLR Pro voldoen en die meebrengen dat verzekeraars aanvullende gegevens moeten verstrekken, zullen verzekeraars immers ook die gegevens moeten verstrekken.
anderegrondslagen kunnen bestaan, die aan de eisen van art. 31 lid 3 DLR Pro voldoen en die de verzekeraar verplichten om aanvullende gegevens aan de verzekeringnemer te verstrekken. De sectorspecifieke regelgeving die gaandeweg werd ingevoerd, kwam immers bovenop de reeds bestaande privaatrechtelijke normen en had niet het doel het nationale (privaat)recht volledig aan de kant te schuiven. [344] Nergens in de sectorspecifieke regelgeving staat vermeld dat de daarin opgenomen informatieplichten exclusief/uitputtend zijn (bedoeld).
aanvullingvormt op het systeem van consumentenbescherming dat reeds bestaat (randnummer 4.75 hiervoor). Langs dezelfde lijn heeft de minister van Financiën in 2007 erop gewezen dat het in de eerste plaats aan de verzekeraars zelf is om uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Commissie De Ruiter (randnummer 4.91 hiervoor). In 2008 heeft hij bovendien expliciet benadrukt dat verzekeraars, onafhankelijk van de sectorspecifieke regelgeving, de plicht hebben om consumenten tijdig, op een juiste en volledige wijze te informeren over de kenmerken van door hen aan te schaffen producten (randnummer 4.102 hiervoor). Ook in de schriftelijke opmerkingen die de Nederlandse regering in 2013 in de zaak
NN/Van Leeuwenvoor het HvJ EU heeft ingediend, [345] wordt betoogd dat de in het Burgerlijk Wetboek opgenomen algemene normen van het verbintenissenrecht gelden náást de sectorspecifieke normen (uit de RIAV 1994 en de RIAV 1998). [346]
NN/Van Leeuwenheeft bevestigd, kunnen dus – naast sectorspecifieke regelgeving – ook (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen een grondslag vormen van een verplichting van een levensverzekeraar om aanvullende informatie te verstrekken, mits aan de eisen van art. 31 lid 3 DLR Pro is voldaan.
niethet uitgangspunt dat verzekeraars, die aan de sectorspecifieke informatieplichten hebben voldaan, daarmee in beginsel qua informatieverstrekking ook hebben voldaan aan de toepasselijke (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen. Omdat van een dergelijke ‘koppeling’ wat mij betreft geen sprake is, konden/kunnen privaatrechtelijke normen verzekeraars dus in potentie verplichten om aanvullende gegevens te verstrekken: méér/andere gegevens dan de gegevens die zij op grond van sectorspecifieke regelgeving moe(s)ten verstrekken.
toevoegttot het naleven van verplichtingen ten aanzien van informatieverstrekking en zorgvuldige advisering, zoals geformuleerd in de parlementaire geschiedenis van de sectorspecifieke regelgeving (randnummer 4.75 hiervoor). Bij dit vertrekpunt is het ongerijmd dat voor levensverzekeraars zou gelden dat zij op het gebied van informatieverstrekking aan (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen hebben voldaan, enkel en alleen omdat zij aan de sectorspecifieke informatieplichten hebben voldaan. Voor een dergelijke uitzonderingspositie voor levensverzekeringsovereenkomsten bestaat geen rechtvaardiging; zij zou bovendien de consumentenbescherming niet ten goede komen.
NN/Van Leeuwen. In dat arrest gold als uitgangspunt dat NN heeft voldaan aan de (aanvullende) eisen van art. 2 lid Pro 2, onder q. en r., RIAV 1998 en derhalve aan haar sectorspecifieke informatieplichten (punt 15 van het arrest
NN/Van Leeuwen, randnummer 8.7 hiervoor). Desalniettemin heeft het HvJ EU geoordeeld dat algemene beginselen van intern recht, zoals open en/of ongeschreven regels, de verzekeraar kunnen verplichten om aanvullende gegevens aan de verzekeringnemer te verstrekken (randnummers 8.13 en 8.16 hiervoor). Volgens het HvJ EU is het dus mogelijk dat een levensverzekeraar aan de sectorspecifieke informatieplichten voldoet en desondanks – door bepaalde informatie niet te verstrekken – in strijd handelt met algemene beginselen van intern recht. Het HvJ EU heeft
nietgeoordeeld dat het voldoen aan de sectorspecifieke informatieplichten meebrengt dat de verzekeraar daarmee in beginsel, voor wat betreft informatieverstrekking, óók heeft voldaan aan algemene beginselen van intern recht. Als het HvJ EU een dergelijke ‘koppeling’ of een dergelijk ‘verband’ aan de orde had geacht, had het voor de hand gelegen dat het HvJ EU zijn oordeel in die zin had genuanceerd. Daarvan is echter geen sprake.
NN/Van Leeuwenwél overwogen dat het aan de verzekeraar is om de aard en de kenmerkende eigenschappen van de door hem aangeboden verzekeringsproducten te bepalen en dat de verzekeraar dan ook in beginsel zou moeten kunnen vaststellen welke kenmerkende eigenschappen van die producten rechtvaardigen dat aan de verzekeringnemer aanvullende informatie moet worden verstrekt (punt 30 van het arrest
NN/Van Leeuwen, randnummer 8.14 hiervoor). Ik leid uit deze overweging af dat het in de eerste plaats aan de verzekeraar is, als ontwikkelaar en verkoper van het verzekeringsproduct, om vast te stellen welke aanvullende gegevens moeten worden verstrekt. De (eind)verantwoordelijkheid voor een juiste informatieverstrekking – welke gegevens moeten (aanvullend) worden verstrekt? – ligt dus bij de verzekeraar. Dat is ook logisch, want zeker beleggingsverzekeringen zijn complexe, niet eenvoudig te doorgronden producten (paragraaf 3 hiervoor). Verzekeraars kennen hun eigen producten en de kenmerkende eigenschappen daarvan beter dan de regelgevers die (kunnen) kennen. Als de opvatting van NN zou worden gevolgd en de sectorspecifieke informatieplichten de (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen voor wat betreft informatieverstrekking volledig zouden invullen/inkleuren, zou de (eind)verantwoordelijkheid voor een juiste informatieverstrekking omtrent de kenmerkende eigenschappen van de verzekering niet bij de verzekeraars liggen, maar bij de (Europese en Nederlandse) regelgevers, die in dat geval in (gedetailleerde) sectorspecifieke regelgeving zouden moeten vatten welke (aanvullende) gegevens levensverzekeraars onder welke omstandigheden moeten verstrekken. Dat zou niet in lijn zijn met het bepaalde in
NN/Van Leeuwen. Verzekeraars zijn zelf verantwoordelijk en kunnen zich met betrekking tot de informatieverstrekking omtrent hun eigen producten niet achter de regelgevers verschuilen.
check-the-boxsysteem’ dat levensverzekeraars een prikkel geeft om vooral niet méér/betere/andere gegevens te verstrekken dan waartoe zij op grond van sectorspecifieke regelgeving zijn verplicht. Zo’n systeem veroordeelt zichzelf. Verzekeraars zouden in dat geval niet zelf hoeven nadenken welke gegevens belangrijk zijn om met verzekeringnemers te delen, maar zouden in plaats daarvan kunnen volstaan met het blind ‘volgen’ van de regelgevers, zonder zich daarbij te bekommeren om de vraag of ze zich schuldig maken aan een schending van (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen. Een dergelijke ‘vrijbrief’ legt niet alleen de verantwoordelijkheid voor een juiste informatieverstrekking bij de verkeerde neer (namelijk bij de regelgevers in plaats van bij de verzekeraars), het werkt ook stilstand in de ontwikkeling van informatieplichten in de hand en komt daardoor de consumentenbescherming niet ten goede. De verzekeringssector moet juist, net als andere sectoren, worden geprikkeld om (ook/met name) zélf scherp te blijven of, zo nodig, scherper te worden. Die prikkels komen niet alleen uit het geschreven recht (de sectorspecifieke regelgeving); juist de aanvullende prikkels uit het ongeschreven recht en op grond van open normen zijn in dit verband essentieel. Dit geldt ook op andere terreinen, zoals in de bankensector, ten aanzien waarvan Uw Raad reeds heeft bepaald dat civielrechtelijke zorgverplichtingen verder kunnen reiken dan in publiekrechtelijke regelgeving neergelegde (gedrags)regels (randnummer 14.13, onder (iv), hiervoor).
zorgplicht avant la lettre” inhouden die de nodige zorg van verzekeraar vergt: [350]
uiteraard” de meer algemene regels van consumentenbescherming ook voor verzekeringsovereenkomsten gelden (randnummer 10.11 hiervoor). Volgens Mendel biedt art. 31 lid 3 DLR Pro de mogelijkheid om een (aanvullende) informatieverplichting aan te nemen die voortvloeit uit de naar Nederlands recht geldende maatstaven van burgerlijk recht (randnummer 10.12 hiervoor). Wallinga en Cherednychenko zijn van oordeel dat de DLR niet kan worden opgevat als een
checklistdie verzekeraars bij het afvinken daarvan garandeert dat zij zich zowel van hun publieke als privaatrechtelijke verantwoordelijkheid hebben gekweten (randnummer 10.13 hiervoor). Busch en Arons betogen dat verzekeraars hadden moeten en kunnen weten dat hun verantwoordelijkheid niet begon en eindigde bij een letterlijke naleving van de RIAV 1998 (randnummer 10.14 hiervoor). Salomons neemt aan dat bij verzekeringsovereenkomsten de privaatrechtelijke regels voor totstandkoming van een overeenkomst gelden (randnummer 10.15 hiervoor). Pavillon betoogt dat de Richtlijn oneerlijke bedingen niet door de sectorspecifieke informatieplichten (uit de DLR) wordt “
dichtgetimmerd”, waardoor het mogelijk is dat een verzekeraar wél aan de sectorspecifieke regels voldoet maar tegelijkertijd in strijd handelt met de Richtlijn oneerlijke bedingen (randnummer 10.16 hiervoor). En ook Tjong Tjin Tai stelt dat het gewone contractenrecht op beleggingsverzekeringen van toepassing is (randnummer 10.17 hiervoor).
nietverplicht te stellen, omdat indirecte transparantie daaromtrent volstond. Het aannemen van een verplichting op grond van (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen om dergelijke informatie wél te verstrekken, zou deze door de wetgever gemaakte keuze volgens NN onaanvaardbaar doorkruisen. [352] Van een onaanvaardbare doorkruising is mijns inziens echter geen sprake. De regelgevers hebben, náást de ingevoerde sectorspecifieke regelgeving, ruimte gelaten voor informatieplichten op grond van (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen (randnummers 14.9 en 14.10 hiervoor). Het feit dat bepaalde informatie
niethoeft te worden verstrekt op grond van sectorspecifieke regelgeving, betekent niet dat deze informatie
dus ook niethoeft te worden verstrekt op grond van (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen.
meer en betere voorlichting bij het afsluiten van levensverzekeringen” (randnummer 4.22 hiervoor). Bovendien wisten levensverzekeraars dat zij een complex verzekeringsproduct hadden ontwikkeld dat zij in grote getale (randnummer 2.3 hiervoor) aan in dit verband ondeskundige consumenten aan de man zouden gaan brengen. Onder die omstandigheden mocht en mag van levensverzekeraars worden verwacht dat zij zich niet blindstaren op (de inhoud van) de (onvolkomen) sectorspecifieke informatieplichten, maar in plaats daarvan zelf nagaan of zij op grond van andere (open en/of ongeschreven privaatrechtelijke) normen zijn/waren gehouden om verzekeringnemers van aanvullende/betere/concretere informatie te voorzien.
NN/Van Leeuwendat algemene beginselen van intern recht, zoals open en/of ongeschreven regels, een verplichting voor de verzekeraar kunnen inhouden om aanvullende gegevens te verstrekken.
het toetsingskader” (randnummer 1.5 hiervoor). Het hof heeft echter niet geconcretiseerd wat voor soort toetsingskader het op het oog heeft. De partijen en de insprekende derden geven hierover ook niet veel duidelijkheid. NN laat zich over een toetsingskader logischerwijs niet uit, omdat in de visie van NN naleving van de sectorspecifieke informatieplichten meebrengt dat qua informatieverstrekking ook is voldaan aan de toepasselijke (open en/of ongeschreven) privaatrechtelijke normen. De Vereniging beperkt zich tot het standpunt dat de DLR het nationale civiele recht in beginsel ongemoeid laat en dat hoogstens een zekere reflexwerking van toezichtrechtelijke regelgeving naar het civiele recht kan worden aangenomen, zonder deze reflexwerking nader uit te werken of te duiden. [358] De Consumentenbond heeft geen overwegingen gewijd aan een mogelijk toetsingskader, maar merkt slechts op dat de rechter moet toetsen aan de volledige nationale wetgeving. [359] Wakkerpolis heeft zich evenmin uitgelaten over een toetsingskader [360] en Van Rossum heeft volstaan met ontkennende beantwoording van de eerste prejudiciële vraag, zonder daarbij een toetsingskader te geven. [361]
Haviltex-maatstaf (randnummers 6.4 e.v. hiervoor). Deze vraag moet worden onderscheiden van de vraag welke (aanvullende) informatie verzekeraars aan verzekeringnemers hadden moeten verstrekken. Wat mij betreft moet steeds los van (de inhoud van) de sectorspecifieke informatieplichten worden beoordeeld of sprake is van volledige wilsovereenstemming. Dit betekent bijvoorbeeld dat, als een verzekeringnemer conform de sectorspecifieke informatieplichten is geïnformeerd over de bruto premie en netto voorbeeldkapitalen en daarmee heeft ingestemd, dit niet automatisch meebrengt dat ook wilsovereenstemming bestaat ten aanzien van alle in de bruto premie en netto voorbeeldkapitalen verwerkte kosten en risicopremie. In deze lijn toetst de CvB van het KiFiD ook (randnummers 11.47 e.v. hiervoor). Eventuele leemtes ter zake van een onderdeel van de verzekeringsovereenkomst kunnen vervolgens op grond van art. 6:248 lid 1 BW Pro worden aangevuld, tenzij de leemtes de essentialia van de overeenkomst betreffen. Daarbij kan, onder meer, het maximum kostenpercentage genoemd in de Aanbeveling OFD als richtsnoer gelden, net als het hof Amsterdam heeft aangenomen in de procedure tussen (onder meer) Aegon en Stichting Koersplandewegkwijt (randnummers 6.9 en 6.10 hiervoor).
15.Beantwoording van de tweede prejudiciële vraag
Axa Royaleen
NN/Van Leeuwengeformuleerde vereisten. Het hof heeft de tweede prejudiciële vraag als volgt geformuleerd:
NN/Van Leeuwengeoordeeld dat art. 31 lid 3 DLR Pro niet eraan in de weg staat dat een verzekeraar op grond van algemene beginselen van intern recht, zoals open en/of ongeschreven regels, is gehouden de verzekeringnemer bepaalde informatie te verstrekken in aanvulling op de gegevens vermeld in Bijlage II bij de DLR, mits aan de eisen van art. 31 lid 3 DLR Pro wordt voldaan. Dit betekent dat de aanvullende informatie (i) duidelijk en (ii) nauwkeurig moet zijn en (iii) nodig/noodzakelijk om de verzekeringnemer een goed begrip te geven van de wezenlijke bestanddelen van de verzekering(sovereenkomst) en bovendien moet (iv) de grondslag van de verplichting om aanvullende informatie te verstrekken een toereikend niveau van rechtszekerheid voor de verzekeraar waarborgen, zodat de verzekeraar met een voldoende mate van voorspelbaarheid kan vaststellen welke aanvullende informatie hij aan verzekeringnemers moet verstrekken en de verzekeringnemer kan verwachten (randnummers 8.16 en 9.6 hiervoor).
Axa Royaleen
NN/Van Leeuwengeformuleerde criteria van art. 31 lid 3 DLR Pro.
een voldoende mate van voorspelbaarheid” volstaat. Het hoeft dus niet te gaan om ‘absolute’ voorspelbaarheid. In dat laatste geval zouden open en/of ongeschreven normen ook niet kunnen dienen als mogelijke grondslag van een verplichting om aanvullende informatie te verstrekken; dergelijke normen impliceren immers een bepaalde mate van onzekerheid.
NN/Van Leeuwenmet betrekking tot de eis van voorspelbaarheid (vereiste (iv)) wel in het algemeen overwogen dat het aan de
verzekeraaris om de aard en de kenmerkende eigenschappen van de door hem aangeboden verzekeringsproducten te bepalen en dat de
verzekeraardan ook in beginsel zou moeten kunnen vaststellen welke kenmerkende eigenschappen van die producten rechtvaardigen dat aan de verzekeringnemer aanvullende informatie moet worden verstrekt. Dat het HvJ EU deze verantwoordelijkheid expliciet bij de verzekeraar heeft neergelegd, is niet verwonderlijk. De verzekeraar kent zijn eigen verzekeringsproduct immers als geen ander en weet derhalve het beste welke kenmerkende eigenschappen van de verzekering extra informatie rechtvaardigen. [362] Ik leid uit deze overweging van het HvJ EU af dat een verzekeraar zich niet eenvoudig met succes tegen een aanvullende informatieverplichting kan verweren door te stellen dat hij niet wist dat bepaalde aanvullende informatie nodig/noodzakelijk was om de verzekeringnemer een goed begrip te geven van de wezenlijke bestanddelen van de verzekering (vereiste (iii)), of dat hij niet met een voldoende mate van voorspelbaarheid kon vaststellen welke aanvullende informatie hij aan verzekeringnemers moest verstrekken (vereiste (iv)). [363]
the benefit of hindsight. Met de kennis en ervaring van nu is het eenvoudig om te zeggen dat de informatieverstrekking pakweg dertig jaar geleden te wensen overliet. De informatieverstrekking wordt beoordeeld aan de hand van de toen geldende normen. Het is daarom belangrijk om bronnen uit de desbetreffende periode te raadplegen bij het achterhalen wat destijds werd gezien als voldoende (duidelijke) informatie. De jaarverslagen van de opeenvolgende Ombudsmannen stammen uit de jaren waar het hier om gaat: de jaren 1992 tot en met 2008. In de ogen van de Ombudsman – die uiteraard oordeelde naar de
toenmaligeopvattingen en standaarden – verstrekten levensverzekeraars onvoldoende (duidelijke) informatie. Dat de regelgevers hiervan pas rond 2008 voldoende waren doordrongen – en zij dus eigenlijk al die jaren onvoldoende met de kritiek van de Ombudsman hebben gedaan (randnummer 5.4 hiervoor) – mag de levensverzekeraars niet baten. Op hen rust, als ontwikkelaars/verkopers van het product die zelf het beste weten welke kenmerkende eigenschappen van het product aanvullende informatie vereisen, vanaf het eerste moment dat zij beleggingsverzekeringen op de markt brachten, de primaire verantwoordelijkheid om verzekeringnemers op een juiste, duidelijke en volledige wijze te informeren. Zij kunnen zich daarbij niet verschuilen achter regelgevers, die (te) veel tijd nodig hebben gehad om de sectorspecifieke regelgeving op peil te brengen.
16.Het antwoord op de prejudiciële vragen
nietmeebrengt dat deze verzekeraar in het algemeen (specifieke op een bepaald persoon betrekking hebbende bijzonderheden daargelaten die er in deze artikel 3:305a BW-procedure niet toe doen) daarmee (ook) aan zijn (privaatrechtelijke) verplichtingen heeft voldaan, die onder meer voortvloeien uit Europese privaatrechtelijke (open) normen, zoals met name de Richtlijn oneerlijke bedingen 93/13 en de daarin neergelegde transparantie-eis en aan nationale privaatrechtelijke (open) normen, zoals wilsovereenstemming, onredelijk bezwarende bedingen in de zin van art. 6:233 e.v. BW, de geïmplementeerde transparantie-eis in art. 6:238 lid 1 BW Pro, de aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW Pro) en de (contractuele of buitencontractuele) zorgplicht van de verzekeraar jegens de verzekeringnemer.
welmoeten voldoen aan de door het HvJ in de arresten
Axa Royaleen
NN/Van Leeuwengeformuleerde criteria, te weten dat de verlangde informatie duidelijk en nauwkeurig is en noodzakelijk voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis en dat zij voldoende rechtszekerheid waarborgt, onder meer doordat de verzekeraar in staat wordt gesteld met een voldoende mate van voorspelbaarheid vast te stellen welke aanvullende informatie hij dient te verstrekken en de verzekeringnemer kan verwachten. Ik maak in dit kader een kanttekening bij de privaatrechtelijke ‘norm’ wilsovereenstemming (randnummer 15.5 hiervoor).