Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[eiser 1],
[eiser 2],
SRLEV N.V.
1.De procedure
- de brief van 18 oktober 2016 van mr. Horeman namens SRLEV;
- de akte rectificatie van SRLEV van 19 oktober 2016;
- de brief van 2 mei 2017 van mr. Horeman met het verzoek namens alle partijen om niet te
- de akte overlegging producties van 30 juni 2017 met producties 57 – 59 en 35B3, 35B4, 35
- C3, 36B2a en 35 C5.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past” en worden minimumvoorschriften gegeven “
opdat de consument duidelijke en nauwkeurige informatie ontvangt over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden producten.”
de toepassing van deze regeling (wordt) beheerst door het burgerlijk recht, waarbij bijvoorbeeld ook de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 2 van Pro Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek) gelden.”
aparte vermelding van de aan de assurantietussenpersoon uitbetaalde provisie leidt tot meer complicaties dan men op het eerste gezicht zou denken en geeft o.i. slechts aanleiding tot het ontstaan van een vertekend beeld bij de consument. (...) Bovendien is naar onze mening aparte vermelding van de provisie voor het beslissingsproces niet van belang. Voor de consument is uitsluitend interessant wat de hoogte van de te betalen eindprijs is. Alleen door vergelijking van eindprijzen verkrijgt hij een inzicht in de markt; «kale» prijzen, na aftrek van provisie, hebben geen zelfstandige betekenis. Op basis van een eindprijsvergelijking kan de consument bepalen in hoeverre de meerprijs hem een betere dienstverlening waard is.”Zie: TK 1989/1990, 20 925, nr. 10, p 11.
Code Rendement en Risico. Gedragscode betreffende de voorlichting over het rendement en risico van beleggingsverzekeringen en levensverzekeringen met winstdeling”. Deze zelfregulering is door het Verbond van Verzekeraars in nauw overleg met de Consumentenbond opgesteld. De eerste versie van de CRR is op 1 januari 1997 in werking getreden. Deze versie staat bekend onder twee namen, te weten CRR 1996 (Vereniging c.s. hanteert deze aanduiding) en CRR 1997 (SRLEV hanteert deze aanduiding). Deze versie van de CRR zal hierna steeds worden aangeduid als de CRR 1997.
door toepassing van de Code (…) de (adspirant)koper van het product inzicht (moet) krijgen in de wijze waarop rendement en risico van beleggingen van invloed zijn op toekomstige uitkeringen uit spaarkasovereenkomsten en individuele kapitaalverzekeringen.”De CRR 1997 onderstreept het belang van de consument bij standaardisatie van begrippen en te verschaffen informatie.
het begrip “prognoses” dient te allen tijde te worden vermeden”,gaat uit van het gebruik van op historische rendementen gebaseerde voorbeeldkapitalen. Het begrip ‘
voorbeeldkapitaal’ wordt gedefinieerd als: ‘
het bedrag, na aftrek van eventuele kosten, dat tot uikering komt aan het einde van de looptijd van de levensverzekering c.q. het spaarcontract indien het voorbeeldpercentage jaar voor jaar wordt gerealiseerd. (..)’
fondsrendement’ wordt gedefinieerd als: ‘
inkomsten uit beleggingen en waardeverschillen bij verkoop van beleggingen, alsmede niet gerealiseerde waardeverschillen, na aftrek van de kosten voor het beheer van de beleggingen, uitgedrukt in een gemiddeld percentage per jaar en toe te rekenen aan de reserve c.q. het spaartegoed.’
“Verzekeraars zijn evenmin als de producenten van andere (financiële) producten, niet verplicht inzicht te geven in de kostenstructuur.”Zie TK 1995/1996, nr. 24 456 en 23 669, nr. 12, p 17.
Een van de uitgangspunten van de Code is dat het begrip prognose niet gebruikt mag worden. Dit is gedaan ten einde zoveel mogelijk tegen te gaan dat het voorbeeld zou kunnen worden aangezien voor een toekomstvoorspelling. De methodiek van de Code voorziet, voor zover hiervoor gegevens beschikbaar zijn, in het systematisch gebruik van de in het verleden behaalde rendementen. (...)
uitkering’ van artikel 2 lid 2 onder Pro b aangescherpt met de verplichting om de verzekerde in kennis te stellen van:
de verzekeringnemer op overzichtelijke wijze inzicht wordt geboden in de wezenlijke kenmerken van de aangeboden overeenkomst van levensverzekering.”
de invloed van kosten en inhoudingen ten laste van de verzekeringnemer op het rendement en de uitkering verbonden aan de overeenkomst”.
de kosten die naast de bruto-premie in rekening worden gebracht;
het aan de overeenkomst verbonden beleggingsrisico en de mate waarin dit risico ten laste is van de verzekeringnemer”
De Lid-Staat van de verbintenis mag van de verzekeringsondernemingen niet verlangen dat zij aanvullende gegevens naast de in bijlage II vermelde gegevens verstrekken, tenzij deze nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis.” Het HvJEU heeft – samengevat – overwogen dat op een verzekeraar op grond van open normen en/of ongeschreven recht in de precontractuele fase een aanvullende verplichting kan rusten om een consument die overweegt een levensverzekering te sluiten, naast de in Bijlage II bij de richtlijn genoemde gegevens, aanvullende informatie over de betreffende verzekering te verstrekken. Voor het aannemen van deze verplichting dient aan drie cumulatieve voorwaarden te zijn voldaan, te weten:
de toepassing van deze regeling (wordt) beheerst door het burgerlijk recht”.Andersom kan de Riav (ook) worden gezien als een invulling van de op de verzekeraar rustende mededelingsplicht bij het aangaan van beleggingsverzekeringen. De wetgever verwijst in de toelichting van beide versies van de Riav – zonder enige beperking – als voorbeeld naar de toepasselijkheid van
“de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 2 van Pro Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek)”. De verwijzing is expliciet toegespitst op artikel 6:2 BW Pro en omvat dus zowel de beperkende als de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Hieruit leidt de rechtbank af dat de Riav in de optiek van de wetgever ruimte biedt voor aanvullende, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeiende normen. Deze zienswijze strookt met de door de rechtbank toe te passen richtlijnconforme uitleg van de Riav, die inhoudt dat, indien is voldaan aan de drie door het HvJEU geformuleerde eisen, op grond van het ongeschreven recht aanvullende informatieverplichtingen kunnen worden aangenomen. SRLEV mag verondersteld worden er steeds mee bekend te zijn geweest dat artikel 6:2 BW Pro als uitwerking van de eisen van redelijkheid en billijkheid van haar als contractspartij verlangt rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de consument als haar wederpartij.
rekenkundige bril’ keek naar de meetkundig berekende voorbeeldkapitalen, zoals de Vereniging c.s. het formuleert.
naastde bruto-premie in rekening worden gebracht’ ook worden bedoeld kosten en inhoudingen die uit de belegde waarde worden gehaald nadat de netto premie was belegd.
(0,5% van de aankoopwaarde)’ maar uit de zinnen ervoor blijkt welk percentage van de premie werd belegd. Bij pleidooi heeft SRLEV benadrukt dat overeengekomen is dat een vast percentage van de premie wordt ingehouden voor eerste kosten en aankoopkosten en dat de 0,5% aankoopkosten daarvan onderdeel uitmaakt. Hierdoor is het volgens SRLEV niet van belang hoe deze kosten, waaronder de aankoopkosten, nu exact berekend worden.
1.808,00(4,0 punten × tarief € 452,00)